Evaluatie van het beleid inzake duurzame ontwikkeling
In de federale rapporten inzake duurzame ontwikkeling moet het Federaal Planbureau het beleid van de federale overheid inzake duurzame ontwikkeling evalueren. Dat beleid is bijzonder veelomvattend. Bijgevolg moeten keuzen gemaakt worden over de breedte van het onderzochte terrein en de diepgang van het onderzoek.
Kernbeleid en ondersteunend beleid
Voor de periode 1992-1998 werd het beleid ingedeeld in kernbeleid en ondersteunend beleid. Het eerste werd diepgaander geëvalueerd dan het tweede (zie deel 3 van Op weg naar duurzame ontwikkeling?, het eerste Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling, 1999).
Vier beleidsdomeinen werden onderzocht als kernbeleid:
de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting,
de bescherming van de atmosfeer (vooral de strijd tegen de klimaatverandering),
de bescherming van het mariene milieu,
de verandering van de consumptiepatronen.
Tien beleidsdomeinen werden als ondersteunend beleid beschouwd:
werkgelegenheid en pensioenen,
gezondheid,
milieu,
landbouw,
energie,
vervoer,
economie,
financiën,
justitie en veiligheid,
wetenschappelijk onderzoek.
Van die tien beleidsdomeinen werd nagegaan of ze bijdroegen aan de realisatie van doelstellingen van het kernbeleid.
Tien beleidsvraagstukken
Voor de periode van midden 1998 tot eind 2001 werden tien vraagstukken onderzocht waarvoor de federale regering bevoegd is. Die tien vraagstukken waren:
productiestrategieën van ondernemingen,
ethische financiering van ondernemingen,
sociale economie,
gebruik van informatie- en communicatietechnologieën,
visvangst en biologische diversiteit in zee,
gebruik van genetisch gewijzigde planten,
energieproductie en –consumptie,
mobiliteit en vervoer van personen,
gezondheid op het werk,
tabaksconsumptie.
Het in die periode gevoerde beleid werd op drie manieren geëvalueerd (zie deel 3 van Een stap naar duurzame ontwikkeling?, het tweede Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling, 2003).
Voor het beleid in het algemeen werd nagegaan of de jaarlijkse beleidsnota’s van de federale regeringsleden naar duurzame ontwikkeling verwijzen.
De doelstellingen voor de tien vraagstukken werden onder de loep genomen. Daarbij werd zowel gelet op coherentie (tussen en binnen beleidsniveaus en beleidsterreinen) als op hiërarchie.
Elf gevalsstudies over specifieke maatregelen in verband met de vraagstukken werden uitgevoerd, bijvoorbeeld de inventarisatie van broeikasgasemissies (in het kader van de strijd tegen de klimaatverandering).
Beleid voor twintig domeinen van druk en toepassing van het federaal plan
Het beleid in de periode 2000-2004 werd geëvalueerd aan de hand van twintig domeinen van druk. Het gaat om de invloed die de veranderingen in de bevolkingsstructuur en de consumptie- en productiepatronen (drie sturende krachten) uitoefenen op het economisch, het menselijk en het milieukapitaal (drie kapitaalvoorraden waarvan de levensomstandigheden van een samenleving afhangen). Enkele voorbeelden zijn:
de druk van de vergrijzing op de levensstandaard (component van het menselijk kapitaal),
de druk van de voedingspatronen op de gezondheid (component van het menselijk kapitaal),
de druk van de voedingspatronen op de biologische diversiteit (component van het milieukapitaal),
de druk van de productieorganisatie op de levensstandaard (component van het menselijk kapitaal),
de druk van de productieorganisatie op de natuurlijke hulpbronnen (component van het milieukapitaal).
De grote lijnen van het beleid in verband met deze sturende krachten en kapitaalvoorraden werden onderzocht (zie deel 3 van Ontwikkeling begrijpen en sturen, het derde Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling, 2005).
Ook werd nagegaan in welke mate het Federaal plan inzake duurzame ontwikkeling 2000 2004 toegepast werd (zie idem). Dat plan is een onderdeel van de federale strategie voor duurzame ontwikkeling. Die strategie werd onderzocht vanaf haar begin in 1998 (zie deel 4 van idem).