De vooruitzichten voor de Belgische economie worden gekenmerkt door gematigde groei, gestage jobcreatie en aanhoudende overheidstekorten (20/06/2017)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

De Economische vooruitzichten van het Federaal Planbureau laten toe om een toekomst ‘bij ongewijzigd beleid’ te schetsen van de Belgische economie voor de komende vijf jaar. De Vooruitzichten 2017-2022 houden rekening met een bescheiden economisch herstel in de eurozone en worden gekenmerkt door economische beleidsmaatregelen op Belgisch niveau die de groei arbeidsintensiever maken.

Economische groei versnelt in 2017, stabiliseert zich in 2018-2020 en valt nadien licht terug

In 2017 zou de bbp-groei op 1,6 % uitkomen, tegenover  1,2 % vorig jaar. Tijdens de periode 2018-2020 zou het Belgische bbp een groeitempo van 1,5 % à 1,6 % aanhouden, wat in lijn is met de bbp-groei van de eurozone. In 2021-2022 zou de Belgische economische groei enigszins vertragen tot gemiddeld 1,4 %.

De consumptieve bestedingen van de particulieren zouden in 2017 versnellen tot 1,6 %, aangezien de groei van het reëel beschikbaar inkomen van de particulieren iets dynamischer is dan vorig jaar. Onder meer dankzij bijkomende belastingverminderingen zou het beschikbaar inkomen in 2018 en 2019 sterk toenemen en zouden de particulieren een sterke groei van hun consumptieve bestedingen kunnen handhaven (respectievelijk 1,7 % en 1,4 %). Over de periode 2020-2022 zou de groei van de particuliere consumptie vertragen tot gemiddeld 1,3 % per jaar. De volumegroei van de overheidsconsumptie zou 0,7 % bedragen in 2017 en – als er geen nieuwe maatregelen worden genomen – geleidelijk versnellen tot 1,2 % in 2022, aangedreven door de groei van de gezondheidszorguitgaven.

Over de periode 2017-2019 zou de volumegroei van de bedrijfsinvesteringen gemiddeld 3,1 % per jaar bedragen dankzij gunstige afzetperspectieven, een hoge rendabiliteit en reële rentevoeten die historisch laag blijven. Vervolgens zou die groei terugvallen tot 2,2 % in 2022. De volumegroei van de investeringen in woongebouwen zou dit jaar beperkt blijven tot 0,3 %, maar opnieuw aantrekken tot 1,4 % in 2018. Die bescheiden groei zou zich nadien doorzetten. De overheidsinvesteringen zouden een sterke groei laten optekenen in 2017 en nog meer in 2018, het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen. Na een terugval in 2019 zouden de overheidsinvesteringen in volume zeer sterk groeien in 2020 door aanzienlijke investeringen in defensie en in het kader van het GEN. In 2021 en 2022 zou de groei van de totale overheidsinvesteringen opnieuw lager zijn.

Beheerste toename van de loonkosten die bijdraagt tot een gematigde inflatie

De Belgische inflatie, gemeten aan de hand van het nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen, zou in 2017 uitkomen op 2,1 %. De maatregelen die de inflatie in 2016 de hoogte injaagden, met name de verhoging van de 'bijdrage energiefonds' die deel uitmaakt van de elektriciteitsfactuur in Vlaanderen, hebben een meer beperkte impact in 2017, maar dat wordt gecompenseerd door de stijging van de olieprijzen.

Als gevolg van het loonmatigingsbeleid van de afgelopen jaren lieten de loonkosten per eenheid product een negatieve groei optekenen tijdens de periode 2014-2016. In 2017 en 2018 zouden de bruto-uurlonen vóór indexering in de sector van de ondernemingen stijgen met respectievelijk 0,4 % en 0,7 %, in overeenstemming met de maximale toename die werd overeengekomen in het kader van het meest recente interprofessioneel akkoord. Rekening houdend met de bijkomende bijdrageverminderingen en de indexering, zouden de uurloonkosten jaarlijks gemiddeld met 1,7 % toenemen over de periode 2017-2018. De gemiddelde jaarlijkse groei van de loonkosten zou vervolgens 2,2 % bedragen. Door die snellere groei van de loonkosten zou de onderliggende inflatie geleidelijk toenemen. Al bij al zou de inflatie evenwel beperkt blijven tot gemiddeld 1,6 % per jaar tijdens de periode 2018-2022.

Nog steeds sterke werkgelegenheidsgroei in de diensten en een verbetering in de industrie

Over de gehele periode 2017-2022 zou de binnenlandse werkgelegenheid met 262 000 personen toenemen, gevoelig meer dan in de jaren sinds het uitbreken van de financiële crisis. De toename van de werkgelegenheid in de marktdiensten (+248 000 personen) zou nochtans enigszins lager liggen dan toen, omdat het aantal dienstenchequejobs veel minder sterk toeneemt. De grootste verschillen met het recente verleden zijn te vinden in de sector van de verwerkende nijverheid en de bouwsector. Terwijl er over de periode 2009-2016 meer dan 90 000 banen verloren gingen in de verwerkende nijverheid, zou dat verlies beperkt blijven tot 15 000 banen tegen 2022. In de bouwsector zouden 27 000 banen worden gecreëerd, ondersteund door de bijkomende socialebijdrageverminderingen die vanaf 2020 in de sector zijn gepland. Bij de niet-verhandelbare diensten stabiliseert de werkgelegenheid zich, wat het gevolg is van twee uiteenlopende ontwikkelingen, nl. een daling in de overheidsadministratie onder invloed van bezuinigingsmaatregelen (-11 500 personen in de overheidsadministratie stricto sensu en -5 300 personen bij Defensie) en een verdere toename in het onderwijs (+17 000 personen).

Volgens de definitie die in het kader van de EU2020-strategie wordt gehanteerd, klimt de werkgelegenheidsgraad van 67,7 % in 2016 tot 70,0 % in 2020 – weliswaar gevoelig lager dan de doelstelling van 73,2 % die België voor dat jaar vooropstelde – en tot 71,2 % in 2022.

Historisch lage werkloosheidsgraad

Na een forse daling vorig jaar zou de werkloosheid ook dit jaar sterk afnemen (-34 000 personen). De daling van de werkloosheid zou minder uitgesproken zijn tijdens de jaren 2018-2019 (gemiddeld -15 000 personen per jaar), maar nadien opnieuw versnellen (gemiddeld -29 000 personen per jaar); in 2020 doordat de werkgelegenheidsgroei wordt ondersteund door bijkomende arbeidskostenverlagende maatregelen en in 2021-2022 doordat de groei van het arbeidsaanbod drastisch slinkt. De werkloosheidsgraad daalt van 11,2 % in 2016 tot 9,8 % in 2019 en valt terug tot 8,2 % in 2022, wat ongezien is sinds het begin van de jaren tachtig.

Daling van het overheidstekort in 2017, maar geen terugkeer naar een evenwicht zonder bijkomende maatregelen

Als er rekening wordt gehouden met de momenteel bekende begrotingsmaatregelen, daalt het overheidstekort van 2,6 % in 2016 tot 1,9 % van het bbp in 2017 en 2018. Daarmee blijft het tekort onder de grens van 3 % die door de Europese regels wordt opgelegd. Om het tekort nadien verder terug te dringen, zullen bijkomende maatregelen nodig zijn. Zo niet, dan neemt het licht toe vanaf 2019. Het structureel tekort daalt met 0,6 % van het bbp in 2017, maar daalt daarna niet verder. In 2019 (het jaar waarin het stabiliteitsprogramma voorziet in een terugkeer naar een structureel evenwicht) zou het structureel tekort 2,0 % van het bbp bedragen (ongeveer 9 miljard euro).

De omvang van de overheidsbegroting in procent van het bbp is aanzienlijk verminderd over de periode 2014-2016. De primaire uitgaven blijven in 2017-2018 dalen met in totaal ongeveer 0,8 % van het bbp, waarna ze licht hernemen. De daling van de ontvangsten wordt onderbroken in 2017 en zet zich vervolgens voort in 2018-2019, met ongeveer 0,9 % van het bbp in twee jaar tijd. Daarna blijven de ontvangsten in procent van het bbp nagenoeg ongewijzigd. Tegen het einde van de projectieperiode vertegenwoordigen zowel de ontvangsten als de primaire uitgaven nog ongeveer 50 % van het bbp.

Het tekort van Entiteit 1 (federale overheid en sociale zekerheid) daalt sterk in 2017 (tot 1,8 % van het bbp, tegenover 2,8 % in 2016) dankzij de daling van de werkingskosten, de uitgaven als gevolg van de asielcrisis en de veiligheid en de rentelasten. Op middellange termijn – en ondanks de nog zeer beperkte werkingskosten – blijft er evenwel een groot tekort (2,2 % van het bbp aan het einde van de projectieperiode). Dat tekort vloeit onder meer voort uit de taxshift die de belastingen op de arbeidsinkomens verlaagt, en dat ondanks de positieve impact ervan op de werkgelegenheid. Het vloeit ook voort uit de investeringsplannen en de toename van de uitgaven voor pensioenen, de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en de gezondheidszorg.

Globaal genomen laten de financiën van de gemeenschappen en gewesten in 2017 een licht tekort optekenen dat zich vanaf 2019 stabiliseert op 0,2 % van het bbp. Het licht begrotingsoverschot dat in 2016 werd opgetekend door de lagere overheid verdwijnt vanaf 2017 als gevolg van de toename van de investeringsuitgaven die worden verwacht aan het einde van de electorale cyclus. Op middellange termijn blijft de lagere overheid dicht bij een evenwicht. Zowel de gemeenschappen en de gewesten als de lagere overheid laten een daling optekenen van de ontvangsten uit de opcentiemen op de personenbelasting als gevolg van de federale maatregelen ter verlaging ervan.

Hoe moeten de cijfers uit de Economische vooruitzichten worden geïnterpreteerd?

Een van de opdrachten van het Federaal Planbureau (FPB) bestaat erin de beleidsmakers te helpen anticiperen op de toekomstige evolutie van de Belgische economie. In het voorjaar publiceert het FPB de economische vooruitzichten voor de vijf volgende jaren. Die vooruitzichten voor België worden opgesteld binnen een internationaal kader dat voor de eerste twee jaren is gebaseerd op de lentevooruitzichten van de Europese Commissie en van Consensus Economics, en voor de daaropvolgende jaren op het door het IMF ontwikkelde scenario voor de wereldeconomie. Bovendien worden die vooruitzichten opgesteld ‘bij ongewijzigd beleid’, wat betekent dat ze enkel rekening houden met maatregelen die formeel beslist zijn en waarvan de toepassingsmodaliteiten voldoende gedetailleerd zijn. Zo tonen ze de huidige trends en de omvang van de aanpassingen die vereist zijn om de economische beleidsdoelstellingen in verschillende domeinen te behalen.

Please do not visit, its a trap for bots