Uw selectie heeft betrekking op het thema 'Regulering en globalisering', u kunt een groter aantal documenten verkrijgen door het hoofdthema 'Alle thema's' te selecteren dat zich bovenaan in de linkerkolom bevindt.
U kunt het aantal documenten beperken door een subthema te selecteren in de linkerkolom.
In juli 2012 kondigde de Federale regering haar relancestrategie aan. Centrale doelstellingen van die relancestrategie zijn het ondersteunen van de koopkracht van de burgers, het versterken van de competitiviteit van onze economie en het creëren van meer kwaliteitsvolle jobs.
In de relancestrategie werd een procedure voor opvolging en monitoring ingesteld, die inhoudt dat het Federaal Planbureau om het half jaar aan de regering een verslag voorlegt over de evolutie van deze procedure en de efficiëntie van de genomen maatregelen in het licht van de doelstellingen van de strategie. Het voorliggende, eerste, monitoringrapport introduceert de monitoringprocedure, geeft een overzicht van de maatregelen die zullen opgevolgd worden (de scope) en geeft een stand van zaken van de voortgang van uitvoering van de maatregelen (situatie op 31 januari 2013).
In the recent past, medium-term projections were given less attention than short-term analyses. However, things appear to have evolved and mid-term prospects seem to be enjoying a renewed interest. Since the outbreak of the financial crisis, many countries have been confronted with large imbalances in terms of high unemployment, unused production capacities or financial deficits. In the longer term, demographic changes, including population ageing, are likely to cause massive changes in the composition of GDP. Addressing these various challenges can only be considered in the context of medium- and long-term scenarios.
Het Federaal Planbureau heeft in mei 2012 een tussentijds rapport over het concurrentievermogen van België opgesteld als antwoord op een verzoek van de Eerste Minister in het kader van de eerste fase van de opmaak van het relanceplan. Dit rapport maakte de balans op van het concurrentievermogen van België en informeerde de regering over de situatie van België ten opzichte van de drie buurlanden. De analyses werden voortgezet om de determinanten van het concurrentievermogen te achterhalen en bijgevolg ook de belangrijkste toekomstige uitdagingen om het concurrentievermogen te verbeteren. De huidige publicatie, die op 26 oktober 2012 werd afgerond, geeft een overzicht van die analyses. Ze werd meegedeeld aan de Eerste Minister en de minister van Economie als technische ondersteuning voor de tweede fase van het relanceplan in het kader van de opmaak van de begroting 2013.
De prijzen van levensmiddelen in België zijn hoger dan in de buurlanden en nemen ook sneller toe. Dat is mede geconstateerd in het kader van het Europees Semester. De afgelopen jaren zijn zowel op Belgisch als internationaal niveau meerdere studies naar dat onderwerp gedaan. Daaruit blijkt dat de oorzaken velerlei zijn, maar dat er ook factoren zijn waarin België juist gunstig scoort. Vier oorzaken lijken op de voorgrond te staan. Dat zijn de kleine economisch-geografische schaal in combinatie met de tweetaligheid, de groothandelsprijzen, de loonkosten en de strategie van bepaalde winkelketens.
Als we kijken naar de gevolgen van offshoring, is een belangrijke bekommernis de arbeidsmarktsituatie van laaggeschoolde werknemers. In deze studie wordt empirisch aangetoond dat, in de verwerkende nijverheid, offshoring een neerwaarts effect heeft gehad op het aandeel van laaggeschoolden in de werkgelegenheid tijdens de periode 1995-2007. De belangrijkste bijdrage tot die daling was afkomstig van goederenoffshoring naar Centraal- en Oost-Europa (21%), terwijl ook offshoring van zakelijke diensten een niet verwaarloosbare impact had (8%). In subsectoren van de verwerkende nijverheid met een hogere ICT-kapitaalsintensiteit was de impact van offshoring op het aandeel van laaggeschoolden kleiner. In de sector van de marktdiensten daarentegen kon geen robuust verband worden gevonden tussen offshoring en het aandeel van laaggeschoolden in de werkgelegenheid.
Het Federaal Planbureau publiceert om de drie jaar nieuwe langetermijnvooruitzichten voor transport in België. De publicatie van dit jaar is de tweede in haar reeks. De evolutie van het transport die hierin wordt beschreven:
stemt overeen met vooruitzichten bij ongewijzigd beleid van de transportactiviteit in België. Ze hebben betrekking op het vervoer van zowel personen als goederen;
houdt rekening met het effect van de evolutie van de macro-economische en sociaaldemografische context op de transportactiviteit;
omvat een impactanalyse van de emissies van luchtverontreinigende stoffen, alsook van de externe kosten gerelateerd aan milieu en verkeerscongestie.
Het colloquium wordt gevolgd door een lunch. In de namiddag vindt de finale workshop van het clusterproject PROLIBIC plaats, waarop u wordt uitgenodigd door het consortium VITO-FPB-VUB en het Federaal Wetenschapsbeleid. Het colloquium vindt plaats op 18 september in de voormiddag op de FOD Mobiliteit en Vervoer.
Sinds 2001, heeft het Federaal Planbureau, op vraag van de ministerraad en in samenwerking met de Dienst voor Administratieve Vereenvoudiging, om de twee jaar een enquête gehouden om de kosten te ramen van de administratieve lasten die wegen op de ondernemingen en de zelfstandigen in België. Die raming is gebaseerd op een enquête bij een representatieve steekproef van ondernemingen en zelfstandigen. Die techniek is dezelfde als die in de vorige enquêtes die peilden naar de administratieve lasten voor het jaar 2000, 2002, 2004, 2006 en 2008. Naast het kwantitatieve deel bevat de enquête ook een belangrijk kwalitatief luik waarin de mening van de zelfstandigen en de ondernemingen over de problematiek van de administratieve lasten aan bod komt. Deze Planning Paper toont de resultaten die betrekking hebben op de administratieve kosten voor het jaar 2010. Dit rapport heeft als doel de kwantitatieve en kwalitatieve tendenzen te beschrijven, zonder de oorzaken ervan na te gaan. Dit rapport geeft dus geen enkele verklaring van de perceptie van de administratieve lasten bij de ondernemingen en de zelfstandigen.
2011
Date : 24/11/2011
Om de productiviteitsontwikkeling beter te begrijpen, is een aangepast statistisch instrument nodig op basis waarvan een sectorale analyse kan worden gemaakt van de basistrends van de economie. Het Federaal Planbureau werkt daartoe samen met andere Europese instellingen binnen een door het zesde kaderprogramma van de Europese Unie gefinancierd project om de EUKLEMS-databank te ontwikkelen.
Die databank bevat de variabelen die het mogelijk maken de productiviteitsontwikkeling van de bedrijfstakken tussen 1970 tot 2007 te onderzoeken voor alle Europese landen, Australië, Japan, Korea en de Verenigde Staten. De laatste update van de databank voor alle landen dateert van november 2009 en beperkt zich tot 32 bedrijfstakken. De beschikbare variabelen betreffen de productie, de toegevoegde waarde, de intermediaire consumptie, de werkgelegenheid en de kwalificaties van de arbeidskrachten, kapitaal met een onderscheid of het al of niet gaat over investeringsgoederen verbonden met de informatie- en communicatietechnologieën (ICT). De groeibijdragen van de verschillende productiefactoren en van de totale factorproductiviteit zijn ook beschikbaar. Een update van de databank werd in maart 2011 uitgevoerd. Die betreft de verdeling in 72 takken van de variabelen, die in november 2009 gepubliceerd worden, voor de meeste landen.
Aansluitend bij het colloquium omtrent het thema klimaat/energie dat de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven organiseert tijdens de voormiddag van 24 november, heeft het Federaal Planbureau het genoegen u uit te nodigen op de voorstelling van de nieuwe energievooruitzichten op lange termijn voor België. Ze heeft plaats tijdens de namiddag van dezelfde dag en op dezelfde plaats.
Het Federaal Planbureau publiceert nieuwe cijfers over de participaties die de overheid gedurende de voorbije jaren aanhield in de marktsector. Het betreft participaties waar de overheid (federaal, gewestelijk of lokaal) minstens een aandeel van 5% in het kapitaal heeft en om activiteiten in de marktsector, waardoor deze activiteiten niet in de overheidssector zelf worden opgenomen. Graag wijzen we op enkele markante feiten over de evolutie 2003-2009.
Offshoring is generally believed to be productivity-enhancing and this belief is underpinned by economic theory. This article contributes to the growing literature that tests empirically whether offshoring does indeed help to improve productivity. Estimating the impact of materials and business services offshoring on productivity growth with industry-level data for Belgium over the period 1995-2004, we investigate this issue separately for manufacturing and market services. The results show that there is no productivity effect of materials offshoring, while business services offshoring leads to productivity gains especially in manufacturing. In addition, we look at the possibility of rent spillovers from offshoring. Productivity gains from offshoring in one industry may feed through to other industries that purchase its output for intermediate use if, due to offshoring, the user value exceeds the price of the output. The lack of evidence of such rent spillovers from either materials or business services offshoring in the data leads us to conclude that firms manage to internalise all efficiency gains from offshoring.
Het Federaal Planbureau publiceert een studie naar het effect dat de marktregulering zou kunnen hebben voor het functioneren van de Belgische groot- en detailhandel. Daarbij gaat de aandacht vooral naar de gevolgen voor concurrentie en productiviteit. Verschillende aspecten van concurrentie en productiviteit zijn uitgewerkt, teneinde een genuanceerd beeld van de ontwikkelingen in relatie tot de marktregulering te verkrijgen.
Date : 29/06/2010
Het Federaal Planbureau ontwikkelde de Belmofi-databank met informatie over de buitenlandse filialen van Belgische ondernemingen. Momenteel bevat de databank drie waarnemingsperiodes: 1995, 2001 en 2005.
De evolutie van de arbeidskosten per eenheid product heeft een belangrijke impact op de prijscompetitiviteit van een economie. De arbeidskosten per eenheid product worden gedefinieerd als de loonkosten die nodig zijn voor de productie van een eenheid toegevoegde waarde, namelijk het aandeel van de productie van een activiteitensector dat in België wordt verwezenlijkt. Voorgaande studies van het Federaal Planbureau hebben aangetoond dat die evolutie niet alleen een invloed heeft op de performantie van België op het vlak van buitenlandse handel, en dus op het saldo van de lopende rekening, maar tevens op de relatieve positie van de Belgische economie op de Europese markt, in termen van toegevoegde waarde of productie.
De administratieve kosten van de belastingbetalers worden niet enkel beïnvloed door de fiscale wetgeving zelf, maar eveneens door de toepassing ervan door de fiscale administratie. In deze studie analyseren we de effecten van de handelingen van de administratie op de kosten voor de administratieve verplichtingen van particuliere bedrijven. In een theoretisch model tonen we aan dat de kosten voor de administratieve verplichtingen deels beschouwd kunnen worden als externaliteiten van het gedrag van die besturen. We verwachten daarom een verschuiving van de kosten voor de administratieve verplichtingen van de fiscale administratie naar de belastingbetalers, met een economisch inefficiënte situatie als gevolg. Die verschuiving kunnen we empirisch onderbouwen met Belgische enquêtegegevens. We bieden een kwantitatieve raming van dit effect en geven aan welke activiteiten van de administratie de belangrijkste kostendrijvers zijn. Verder tonen we empirisch aan dat het effect van deze handelingen losstaat van de impact van de fiscale wetgeving zelf.
In de loop van het voorbije decennium heeft België uitvoermarktaandelen op het gebied van industrieproducten verloren. De opsplitsing van dat verlies gebeurt met behulp van de methode ‘Constant Market Shares Analysis’. Die opsplitsing toont vooral een structurele zwakte: de geografische oriëntatie van de Belgische uitvoer is zeer ongunstig en leidt tot het verlies van marktaandelen. De gunstige productspecialisatie kan dit verlies slechts gedeeltelijk compenseren. Bovendien komt daar ook een gematigd verlies van concurrentiekracht bij.
Deze paper heeft tot doel de productmarktconcurrentie van de Belgische economie te beschrijven voor de periode 1997-2004 en het oorzakelijk verband met de marktregulering aan te tonen. De analyse gebeurde op bedrijfstakniveau, voor geselecteerde nijverheden en diensten. De nadruk ligt op de winstelasticiteit (PE), het meten van concurrentie (the ‘Boone’ indicator) en de gemiddelde rendabiliteit (GR) (een benadering van de mark-up). We hebben de OESO-Regimimpact-indicator toegepast als een proxy voor de regulering. We geven enkele gestileerde feiten voor België in vergelijking met geselecteerde EU-landen; en via een econometrische oefening illustreren we het potentieel aan regulering als een verklarende variabele voor het concurrentievermogen.
Op vraag van de ministerraad en in samenwerking met de Dienst voor Administratieve Vereenvoudiging, heeft het Federaal Planbureau de kosten van de administratieve lasten die wegen op de ondernemingen en de zelfstandigen van België geschat voor het jaar 2008. Die schatting is uitgevoerd met behulp van een enquête gericht aan een representatieve steekproef van de te bestuderen populatie. Dat is dezelfde techniek als bij de vorige enquêtes waarin de administratieve lasten voor 2000, 2002, 2004 en 2006 werden geëvalueerd. Naast het kwantitatieve luik bevat de enquête ook een belangrijk kwalitatief luik, waarmee de mening van de ondernemingen en de zelfstandigen over de problematiek van de administratieve lasten kan weergegeven worden. Dit rapport heeft als doel de kwantitatieve en kwalitatieve trends te beschrijven, zonder er de oorzaken van na te gaan. Het geeft dus geen enkele verklaring van de perceptie van de administratieve lasten bij de ondernemingen en de zelfstandigen.
De Nationale Bank van België (NBB) en het Federaal Planbureau (FPB) publiceren een studie naar de potentiële gevolgen van de omzetting van de Europese ‘Dienstenrichtlijn’ op de Belgische economie. De studie omvat een evaluatie van de gevolgen van de richtlijn op macro-economisch niveau en een analyse op het niveau van de bedrijfstakken die onder haar werkingssfeer vallen. De grootste daarvan zijn de bouw, de groot- en detailhandel en de zakelijke dienstverlening.
Dit document omvat een grafische en econometrische analyse van het verband tussen de relatieve positie van de Belgische verwerkende nijverheid en van de Belgische marktdiensten, op het vlak van toegevoegde waarde en prijzen, in de EU-15 over de periode 1970-2005. De relatieve prijzen worden opgesplitst in relatieve kosten van de productiefactoren. Vervolgens worden de relatieve arbeidskosten per eenheid product vervangen door de relatieve uurlonen en de relatieve productiviteit. Tot slot wordt de relatieve productiviteit vervangen door haar componenten, namelijk de relatieve kapitaalintensiteit, het relatieve effect van samenstelling van de arbeidskrachten en de relatieve totale factorproductiviteit. De gebruikte gegevens zijn afkomstig van de EUKLEMS -databank in de versie van maart 2008.