Verkenning van de financiŽle evolutie van de sociale zekerheid 2000 - 2050

C. Modellering

Het vervolg van dit methodologische hoofdstuk is gewijd aan de bespreking van de opbouw van elk van de modellen of modules waaruit het maltese-systeem bestaat. Zij worden beschreven volgens de volgorde waarin zij in de simulatieprocedure van het maltese-systeem optreden, gaande van de demografische naar de sociaal-economische projectie om dan via de berekening van de gemiddelde sociale uitkeringen uit te monden in de opstelling van de overheidsrekening.

1. Demografische projectie

a. De demografische modellen

Voor de in dit document besproken oefeningen zijn de bevolkingsvooruitzichten buiten het Federaal Planbureau opgesteld, maar het Planbureau heeft wel degelijk actief meegewerkt voor wat de Belgische bevolkingsvooruitzichten betreft.

i. De bevolkingsvooruitzichten nis-fpb
De Belgische bevolkingsvooruitzichten: het resultaat van een samenwerking

Sinds het begin van de jaren 70 zijn de Belgische bevolkingsvooruitzichten het resultaat van een nauwe samenwerking tussen het Nationaal Instituut voor de Statistiek, het Federaal Planbureau en de daarmee nauw verbonden wetenschappelijke wereld en eventuele gebruikers van overheidsinstellingen.

Het Nationaal Instituut voor de Statistiek heeft een iteratief model ontwikkeld dat, uitgaande van de laatste waarneming per leeftijd, geslacht en grote nationaliteitsgroep (per 1 januari), de hypothesen toepast inzake vruchtbaarheid, sterfte en migratie, die gemeenschappelijk zijn bepaald met het Federaal Planbureau en de uitgenodigde wetenschappers. Zo worden per jaar de verschillende componenten van de loop van de bevolking - geboorten, overlijdens en migraties - gegenereerd, die op het einde van het jaar leiden tot een raming van de bevolking, die dan de basis vormt voor de volgende iteratie.

Die vooruitzichten - Bevolkingsvooruitzichten 2000 - 2050 (pp00) - zijn gemaakt voor het rijk, de gewesten en per arrondissement. Zij zijn gebruikt in de vooruitzichten 2000-2050, beschreven in hoofdstuk III. Bevolkingsvooruitzichten kunnen meerdere scenario's omvatten. Gelet op de complexiteit die een fijne geografische dimensie per arrondissement met zich meebrengt, is er deze keer echter gekozen voor een centraal scenario (pp00).

ii. De bevolkingsvooruitzichten van Eurostat
De bevolkingsvooruitzichten van Eurostat, een gemeenschappelijk instrument voor de internationale oefeningen

De werkgroepen die door de Comitťs voor Economisch Beleid van de oeso en de Ecofin-Raad van de Europese Gemeenschap belast werden met het bestuderen van de budgettaire implicaties van de vergrijzing, hebben besloten ťťn enkele operator te gebruiken voor het opstellen van de bevolkingsvooruitzichten van de 15 lidstaten. Zij hebben zich tot Eurostat gewend die, eerder dan de Verenigde Naties, geacht wordt in staat te zijn hypothesen uit te werken die dichter bij de werkelijkheid van de lidstaten aanleunen.

De aanmaak van een nieuwe reeks vooruitzichten, namelijk de herziening van die van 1999 (ppeu99), werd door Eurostat aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) uit Nederland toevertrouwd. Die vooruitzichten zijn gebruikt in de projecties voor de internationale instellingen die in hoofdstuk IV worden beschreven.

Uitgaande van de gegevens per leeftijd en per geslacht op 1 januari 1999 van elk van de eu-landen, zonder onderscheid van nationaliteitsgroep, gebruikt het cbs zijn eigen model. Er wordt een iteratieve methode toegepast, die lijkt op de Belgische methode, en er wordt met hypothesen gewerkt, die het cbs voor de verschillende landen heeft opgesteld aan de hand van zijn eigen waarnemingsbronnen, maar erover wakend dat er voor het geheel een uniforme methodologie wordt gebruikt. Naast een basisscenario zijn er verschillende eenvoudige (wijziging van ťťn parameter) en complexere varianten (wijziging van alle parameters) uitgewerkt.

b. De demografische variabelen
Bevolking per leeftijd en per geslacht, loop van de bevolking, overlevingscoŽfficiŽnten en levensverwachting

De verschillende demografische scenario's, ongeacht of het nu Belgische of Europese zijn, maken het mogelijk de demografische variabelen te leveren, die het maltese-systeem voeden. Zij hebben steeds betrekking op de hele bevolking van het rijk.

Voor elk demografisch scenario worden de volgende variabelen benut:

2. Sociaal-economische projectie

De geÔdentificeerde sociaal-economische categorieŽn

Het doel van de sociaal-economische projectie is de beroepsbevolking en de inactieve bevolking per geslacht en per leeftijdsklasse te ramen, evenals de verschillende categorieŽn van rechthebbenden op sociale uitkeringen. Tabel 1 toont aan dat er meerdere definities van het begrip beroepsactiviteit naast elkaar bestaan, die men op basis van de geÔdentificeerde categorieŽn in het maltese-systeem kan terugvinden.

TABEL 1 - De sociaal-economische categorieŽn van het maltese-systeem1
CategorieŽn
Observatiebron
Projectiemodel(len)
PotentiŽle beroepsbevolking
Som
maltdemo (+ centraal model voor de ouderen)
beroepsbevolking in ruime zin1
OfficiŽle beroepsbevolking2
Som
Centraal model van maltese
Loontrekkenden
fmta3 (totaal per geslacht en per regeling)
+ eak4 en berekeningen van het fpb (verdeling per leeftijdsklasse)
Werkgelegenheid in overheidssector
Zelfstandingen
OfficiŽle werkloosheid5
rva6
Niet-werkzoekende oudere werklozen
rvae
Bruggepensioneerden
rvae
Inactieve bevolking
Saldo
maltdemo (+centraal model voor de ouderen)
Schoolbevolking
eakc + volkstellingen7
maltdemo
Invaliden
eakc + volkstellingenf + riziv8
maltdemo + centraal model
Gepensioneerden
eakc + volkstellingenf + rvp + ap + Pensioenkadaster9
horblok + hormini + centraal model
Overige inactieven10
Saldo
maltdemo (+ centraal model voor de ouderen)
Totale bevolking (demografisch concept)
Nationaal Instituut voor de Statistiek
Demografische projectie

1Overeenkomstig de definitie van het fpb.

2Volgens de definitie van het Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid (zie woordenlijst).

3fmta = Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

4eak = EnquÍte naar de Arbeidskrachten (nis voor Eurostat).

5M.a.w. uitkeringsgerechtigde volledig werklozen + de vrij en verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden exclusief de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, volgens de definitie van het Federale Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

6rva = Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

7Tienjaarlijkse volkstellingen, Nationaal Instituut voor de Statistiek.

8riziv = Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.

9rvp = Rijksdienst voor Pensioenen; ap = Administratie der Pensioenen (Ministerie van FinanciŽn); Pensioenkadaster (bij het riziv).

10M.a.w. geen enkele sociale uitkering genietend.

De sociaal-economische projectie is opgesteld op basis van de demografische projectie, vertrekkend van de sociaal-economische opdeling van de bevolking bij het startpunt, met toepassing van het waarschijnlijke gedrag op het vlak van verschuivingen van ťťn categorie naar een andere, en rekening houdend met het sociaal-demografisch en het macro-economisch scenario. Bij de berekeningen worden drie modellen ingezet: vooreerst het maltdemo-model, daarna, op iteratieve wijze, het horblok-model en ten slotte het centrale model van maltese dat, jaar per jaar, de volledige opdeling van de bevolking afrondt.

a. PotentiŽle activiteitsgraad en inactiviteitsgraad
Het maltdemo-model berekent de potentiŽle activiteitsgraden en de graden waarmee de verschillende componenten van de inactieve bevolking aan de overeenstemmende totale bevolking gekoppeld worden. De samenstelling van de potentiŽle beroepsbevolking (werkgelegenheid per beroepsstatuut, officiŽle werkloosheid2, werkloosheid op oudere leeftijd3 en de bruggepensioneerden) gebeurt rechtstreeks in het centrale model van maltese.
Merk op dat, vanaf 60 jaar, de door maltdemo berekende graden slechts als uitgangspunt worden gebruikt: de volledig afgeronde verdeling van de bevolking vanaf 60 jaar over de verschillende sociaal-economische categorieŽn gebeurt in het centrale model van maltese, om zo rekening te kunnen houden met de macro-economische projectie en die in wisselwerking met de pensioneringsgraden (geleverd door het horblok-model4) de andere inactieven berekent.
Graden per geslacht en per leeftijdsklasse
De berekeningen van maltdemo hebben betrekking op de graden van de sociaal-economische categorieŽn, zich verhoudend tot de overeenstemmende bevolking, per geslacht en per leeftijdsklasse van vijf jaar.

De som van de graden is gelijk aan 100 %.

Het basisprincipe is met cohorten van 5 jaar werken: een wijziging in het gedrag van een generatie tegenover de vorige (in dezelfde leeftijdsklasse maar 5 jaar vroeger in de tijd) wordt behouden naarmate zij ouder wordt5.

De projectie wordt in stappen van 5 jaar gemaakt. Omdat het laatst geobserveerde jaar 1998 is, zal het eerste projectiejaar 2003 zijn en het laatste 2048. De tussenliggende jaren worden door lineaire interpolatie verkregen; de graden van 2049 en 2050 worden op het peil van 2048 gehouden.

i. PotentiŽle activiteitsgraad
Jonge leeftijdsgroepen:
van 15 tot 29 jaar
Voor de leeftijdsklasse van de 15-19-jarigen wordt de potentiŽle activiteitsgraad bij hypothese bepaald. Voor de twee volgende leeftijdsgroepen, nl. de 20-24-jarigen en de 25-29-jarigen, worden de potentiŽle activiteitsgraden per saldo verkregen, waarbij de scholingsgraad de bepalende factor is.
Leeftijdsgroepen "in het volle beroepsleven": van 30 tot 59 jaar
Voor de leeftijdsgroepen in het volle beroepsleven of aan het begin van de terugtrekking uit het beroepsleven, i.e. de leeftijdsgroepen van 30-35 jaar tot 55-59 jaar, worden de potentiŽle activiteitsgraden berekend op basis van enerzijds het gedrag van de cohorten in het verleden (naarmate de opeenvolgende generaties opschuiven met het ouder worden, blijft gedragsverandering, te wijten aan de overgang van elke generatie, behouden), en anderzijds op basis van de kans dat men vijf jaar later nog steeds deel uitmaakt van de potentiŽle beroepsbevolking.
waarin s = geslacht
I = leeftijdsklasse van 5 jaar
TPASL = potentiŽle activiteitsgraad
ptpasl = kans dat de leeftijdsklasse I, vijf jaar later nog in de potentiŽle beroepsbevolking zit
ii. Inactieven: scholingsgraad
De scholingsgraden worden tot de leeftijdsklasse van 25-29 jaar per geslacht bij hypothese bepaald.
iii. Inactieven: invaliditeitsgraad volgens het "demografisch" concept
De invaliditeitsgraden, waarbij de demografische samenhang wordt gerespecteerd, worden per geslacht en per leeftijdsklasse berekend, op basis van de toetredingskans op invaliditeit.
waarin IF = invaliditeitsgraad
ptipasl = toetredingskans op invaliditeit 5 jaar later, komende uit de potentiŽle beroepsbevolking
FIGUUR 3 - Het maltdemo-model: berekening van de potentiŽle activiteitsgraad en van de graden voor inactieven
iv. Inactieven: pensioneringsgraad volgens het "demografisch" concept
De pensioneringsgraden, die in het maltdemo-model worden berekend en alleen gebruikt worden om de simulatie op gang te brengen, worden berekend op basis van de toetredingskans op pensionering - volgens hetzelfde beginsel om de invaliditeitsgraad te ramen - waarbij rekening wordt gehouden met alle sociaal-economische categorieŽn die in aanmerking komen voor pensionering6.
v. Graad van de andere inactieven
De meeste graden van de andere inactieven worden per saldo verkregen. Voor de vrouwen uit de leeftijdsgroepen van 40 - 44 tot 55 - 59 jaar zijn die graden nog tamelijk hoog. Zij worden opgesteld op basis van de veronderstelling dat `men' in de inactiviteit blijft, rekening houdend met de potentiŽle beroepsbevolking van de `betreffende' generatie.
4nouveau Maltdemo
Het maltdemo-model: een volledige herziening in 2000
In de vroegere versies van het maltese-systeem, leverde maltdemo bijna volledig de sociaal-economische projectie (behalve de verdeling van de beroepsbevolking over werkgelegenheid en werkloosheid). Het knelpunt van het model lag in de `enige' projectie van `beredeneerde' graden volgens het demografische concept, per geslacht en per leeftijdsklasse, voor de verschillende sociaal-economische categorieŽn. De extrapolatie van die graden steunde op ontwikkelingen in het verleden, op internationale vergelijkingen voor de activiteitsgraad, op het fenomeen van de cohorten, op hypothesen inzake scholings- en invaliditeitsgraad, en rekening houdend met recente wetswijzigingen die bepaalde graden beÔnvloedden. De demografische aantallen werden verkregen door de projectie van de verschillende graden toe te passen op de bevolkingsvooruitzichten per geslacht en per leeftijdsklasse. Per hypothese, kregen de `zuiver' boekhoudkundige1 aantallen eenzelfde evolutie als die van de demografische aantallen.
Behalve voor de scholingsgraad en de potentiŽle activiteitsgraad (die nu volgens het boekhoudkundig concept worden berekend) dient het nieuwe maltdemo-model eerder om de sociaal-economische projectie op gang te brengen. Alle componenten van de potentiŽle beroepsbevolking worden berekend binnen het centrale model van maltese. Daar worden eveneens de activiteitsgraden - die overeenstemmen met de definitie van de EnquÍte naar de Arbeidskrachten2, die door de internationale instellingen wordt gebruikt - op een eenvoudige wijze per geslacht en per leeftijdsklasse berekend. Ook de opdeling van de inactieve bevolking gebeurt uiteindelijk in het centrale model van maltese; de evolutie van het aantal gepensioneerden wordt door het horblok-model geleverd en de ontwikkeling van de invaliditeitsgraad komende van maltdemo (demografische concept) moet dienen om de ontwikkeling van het aantal invaliden van minder dan 60 jaar volgens het boekhoukundig concept te ramen. De sociaal-economische projectie voor de leeftijdsgroepen `ouder dan 60 jaar' - potentiŽle beroepsbevolking, aantal invaliden en andere inactieven (per saldo) - gebeurt in het centrale model van maltese, op basis van de door horblok geleverde uittredingen uit het beroepsleven naar het pensioen.

1(Zuiver) boekhoudkundig concept: zie woordenlijst of kader p. 42.

2Zie woordenlijst.

b. Aantal gepensioneerden
Een bottom-up aanpak

Het horblok-model7, waarmee de pensioneringsgraad kan worden geraamd, steunt op een `bottom-up' aanpak. Het aantal gepensioneerden wordt berekend per regeling (werknemers, zelfstandigen, overheid, overheidsbedrijven) en per type (rustpensioen, overlevingspensioen, rust- en overlevingspensioen). Bovendien worden de verschillende categorieŽn rustpensioenen opgesplitst (zie tabel 2). De totale stock van gepensioneerden is gelijk aan de som van de stocks van elke categorie.

i. Stocks
De stocks worden berekend op basis van de stromen
De stock van elke categorie gepensioneerden wordt berekend op basis van de stock die reeds bestond, de uitstroom als gevolg van overlijden, de stroom toetreders tot het pensioen en eventueel stromen tussen de categorieŽn onderling. Alle stromen worden bepaald door de stocks vanwaar zij afkomstig zijn. De berekeningen gebeuren per geslacht en per leeftijd:
waarin s = mannen of vrouwen
r = regeling, type en categorie van pensioen
i = leeftijd i
Spens = stock van gepensioneerden
Opens = overleden gepensioneerden (uitgaande stroom)
Npens = nieuwgepensioneerden (inkomende stroom)
Fpens = stroom van gepensioneerden naar (-) of van (+) een andere categorie
TABEL 2 - Het horblok-model: geÔdentificeerde groepen van gepensioneerden
REGELING
ALGEMENE REGELING
REGELING VAN HET OPENBAAR AMBT
WERKNEMERS
ZELFSTANDIGEN
OVERHEIDSBEDRIJVEN
STAAT
TYPE
RUST
OVER-LEVING
RUST
OVER-LEVING
RUST
OVER-LEVING
RUST
OVER-LEVING
geslacht
Mannen
Vrouwen
Vrouwen1
Mannen
Vrouwen
Vrouwen1
Mannen
Vrouwen
Vrouwen1
Mannen
Vrouwen
Vrouwen1
categorie
gehuwd,
gezinsbedrag
leeftijden:
39 tot 104en+3,4
 
leeftijden:
20 tot 104en+
gehuwd,
gezinsbedrag
leeftijden:
60 tot 104en+4
 
leeftijden:
20 tot 104en+
voor lichamelijke ongeschiktheid
leeftijden:
20 tot 99en+
voor lichamelijke ongeschiktheid
leeftijden:
20 tot 99en+
leeftijden:
0 tot 99en+
voor lichamelijke ongeschiktheid
leeftijden:
20 tot 99en+
voor lichamelijke ongeschiktheid
leeftijden:
20 tot 99en+
leeftijden:
0 tot 99en+
gehuwd, bedrag alleenstaande
leeftijden:
39 tot 104en+3
gehuwd, bedrag alleenstaande
leeftijden:
60 tot 104en+
gehuwd, bedrag alleenstaande
leeftijden:
60 tot 104en+
gehuwd, bedrag alleenstaande
leeftijden:
60 tot104en+
niet gehuwd, bedrag alleenstaande
leeftijden:
39 tot 104en+3
niet gehuwd, bedrag alleenstaande
leeftijden:
60 tot 104en+
niet gehuwd, bedrag alleenstaande
leeftijden:
60 tot 104en+
niet gehuwd, bedrag alleenstaande
leeftijden:
60 tot 104en+
"normaal"
leeftijden:
60 tot 99en+
"normaal"
leeftijden:
60 tot 99en+
"normaal"
leeftijden:
35 tot 99en+2
"normaal"
leeftijden:
35 tot 99en+2
rust+overleving
leeftijden:
60 tot 104en+5
rust+overleving
leeftijden:
60 tot 104en+
rust+overleving
leeftijden:
60 tot 104en+5
rust+overleving
leeftijden:
60 tot 104en+
1. Er zijn zeer weinig mannen met een overlevingspensioen. Daarom wordt die categorie van gepensioneerden niet apart geÔdentificeerd; zij zijn opgeteld bij de niet-gehuwde mannen met een rustpensioen aan het bedrag van alleenstaande (omwille van de ongeveer gelijke hoogte van hun pensioenbedrag).
2. De gepensioneerden van minder dan 60 jaar zijn de gepensioneerden van defensie.
3. De gepensioneerden van minder dan 60 jaar zijn de gewezen mijnwerkers en vanaf 55 jaar, de gewezen lijnpiloten.
4. Er zijn zeer weinig vrouwen met een rustpensioen aan gezinsbedrag. Die categorie gepensioneerden is niet apart geÔdentificeerd, maar opgeteld bij de vrouwen met een rust- en overlevingspensioen (omwille van de ongeveer gelijke hoogte van hun pensioenbedrag).
5. Alle gepensioneerden van deze categorie worden geacht uit een andere categorie in dezelfde regeling te komen.
Bonnen: Rijksdienst voor Pensioenen (in Jaarlijkse statistiek van de pensioengerechtigden) + eigen berekeningen voor de algemene regeling,
Administratie der Pensioenen van het Ministerie van FinanciŽn (in Jaarlijkse statistiek van de pensioenen van de openbare diensten) + Pensioenkadaster (riziv) + eigen berekeningen voor de regeling van het openbaar ambt.
Volgens het `zuiver' boekhoudkundig concept: de cumuls van pensioenen uit de algemene regeling en uit de regeling voor het openbaar ambt worden niet weggewerkt. Het aantal gepensioneerden binnen de algemene regeling, enerzijds, en de regeling voor het openbaar ambt, anderzijds, is daarentegen zuiver: de cumuls intra-rvp, intra-ap en inter ap-Kadaster zijn weggewerkt. Zie kader p. 42.
ii. Uitstromen
De overlijdens: uitstroom...
Ten opzichte van de stock gepensioneerden van het voorgaande jaar, stemt de uitstroom van gepensioneerden overeen met het aantal overlijdens gedurende het jaar `t - 1'. De overlijdens worden voor elke categorie per geslacht en per leeftijd berekend, op basis van de overlevingscoŽfficiŽnten uit de demografische projectie.
waarin V = overlevingscoŽfficiŽnt
iii. Instroom in het overlevingspensioen
... of instroom
Het recht op een overlevingspensioen is niet aan de leeftijd van de rechthebbende gekoppeld. Het is het overlijden van de partner (of van de ouder in de regeling van het openbaar ambt) dat het recht op het overlevingspensioen opent, onder bepaalde voorwaarden die door de regeling worden opgelegd, nl. de afwezigheid van een ander voldoende inkomen. In de praktijk betekent dit meestal, dat het recht op een overlevingspensioen gebonden is aan de inactiviteit van de overlevende partner.
De evolutie van het netto aantal8 toetredingen tot het overlevingspensioen hangt af van de evolutie van de inactiviteitsgraad van vrouwen9 (voor de instroom tussen 20 en 59 jaar) en, per regeling, van de evolutie van het aantal overlijdens bij gehuwde mannen met een job of een sociale uitkering binnen die regeling10. Er is rekening gehouden met een leeftijdsverschil tussen echtgenoot en echtgenote van 3 jaar11.
waarin NpensSF = aantal nieuwe overlevingspensioenen voor vrouwen
DecesH = aantal overleden gehuwde mannen
TPACTF = activiteitsgraad voor vrouwen
R = regeling
iv. Instroom in het rustpensioen
Instroom afhankelijk van de toetredingskans op pensionering
De instroom in het rustpensioen wordt berekend per geslacht en per leeftijd, door de toetredingskans op pensionering toe te passen op de sociaal-economische categorieŽn waartoe de toekomstig gepensioneerden behoren in het jaar dat vooraf gaat aan het jaar waarin zij de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar12 bereiken, of van 60 tot 64 jaar, indien het om een vervroegd pensioen gaat (in de regeling voor het openbaar ambt, of `indien aan de loopbaanvoorwaarde is voldaan' in het kader van de flexibele pensioenleeftijd in de algemene regeling voor werknemers en zelfstandigen). Deze categorieŽn, die wij hierna oorspronkelijke groepen13 zullen noemen, komen uit de sociaal-economische projectie, vervolledigd in het centrale model van maltese (zie infra punt II.C.2.c, p. 31). De instroom in het rustpensioen wordt gespecificeerd per regeling op basis van de relevante oorspronkelijke groepen per regeling (zie figuur 4).
waarin NpensR = aantal nieuwe rustpensioenen
ASS = oorspronkelijke groep
TASS = toetredingskans op pensionering
aR = relevante oorspronkelijke groep voor de betrokken regeling (zie figuur 4)
Die algemene formule geldt voor de "normale"14 nieuwe rustpensioenen uit de regeling van het openbaar ambt en de overheidsbedrijven en voor de gehele instroom in het rustpensioen van de algemene regeling voor werknemers en zelfstandigen.
FIGUUR 4 - Het horblok-model: berekening van het aantal gepensioneerden
FIGUUR 5 - Het horblok-model: projectie van de toetredingskansen op pensionering per leeftijd
Berekening van de toetredingskansen tot het rustpensioen
In alle simulaties berust de berekening van de toetredingskans op het rustpensioen per oorspronkelijke groep en per leeftijd op de volgende elementen:
De recentste geobserveerde waarden, van de globale gecumuleerde toetredingskans19 en de toetredingskans per sociaal-economische categorie en per leeftijd, liggen aan de basis van de projectie van de toetredingskans per leeftijd. Bij de in figuur 5 beschreven methode wordt er rekening gehouden met de pensioenhervorming, die de wettelijke pensioenleeftijd voor loontrekkende en zelfstandige vrouwen geleidelijk verhoogt van 60 tot 65 jaar (zie kader p. 35). Met die methode kunnen ook alternatieve scenario's gesimuleerd worden waarin de effectieve pensioneringsleeftijd wordt gewijzigd.
Bijzondere gevallen van instroom in het rustpensioen
Er zijn een paar bijzondere gevallen van instroom in het rustpensioen:
Werknemersregeling: mijnwerkers, lijnpiloten
Regeling van het openbaar ambt: defensie
Regeling van het openbaar ambt: pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid
v. Pensioenkeuze van de nieuwgepensioneerden in de werknemersregeling en in de regeling voor zelfstandigen
De pensioenkeuze hangt af van de gezinstoestand van de gepensioneerde...
In tegenstelling tot de regeling voor het openbaar ambt, hangt het pensioenbedrag in de algemene regeling af van de gezinstoestand van de gepensioneerde: dekt het pensioen de behoeften van ťťn persoon of van een koppel? Het komt er dus op aan het aantal gehuwde gepensioneerden te bepalen, die het gezinsbedrag verkiezen boven het bedrag van alleenstaande voor beide echtgenoten (i.e. 75 % van het referteloon van het gezinshoofd tegenover 60 % van het referteloon van elke partner afzonderlijk).
... en van de activiteitsgraad van vrouwen
De evolutie van de verdeling van de instroom in het rustpensioen tussen de categorieŽn hangt af van de pensioenkeuze van de gehuwde koppels21. De gehuwde vrouw zal haar eigen pensioenrechten opvragen wanneer haar (zelfs onvolledige) loopbaan recht geeft op een pensioen dat groter is dan het verschil tussen het pensioen aan het bedrag alleenstaanden en het pensioen aan gezinsbedrag van haar echtgenoot. In de praktijk stijgt dus het aantal gehuwde vrouwen dat een eigen rustpensioen aanvraagt in verhouding tot de toename van de activiteitsgraad van vrouwen in het verleden22. Tegelijkertijd daalt het aandeel van de gehuwde mannen met een rustpensioen aan gezinsbedrag, omgekeerd evenredig met het toenemend aandeel van gehuwde vrouwen met een eigen rustpensioen23.
vi. Stromen tussen categorieŽn
De instroom en de uitstroom kunnen leiden tot stromen tussen de categorieŽn
onderling
In de algemene regeling voor werknemers en zelfstandigen, waar het pensioenbedrag afhangt van de gezinstoestand van de gepensioneerde, kan een verandering van die toestand - in het geval van gepensioneerden die gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn - leiden tot een verandering van categorie. Die onderlinge stromen tussen categorieŽn van gepensioneerden zijn meestal verbonden met het overlijden van de echtgeno(o)t(e), en soms met een wijziging in het sociaal-economische statuut van een van beide echtgenoten - zie tabel 3.
TABEL 3 - Het horblok-model: stromen tussen categorieŽn in de algemene regeling voor werknemers en zelfstandigen
Oorzaak van de stroom
Vorige categorie (t-1)
Huidige categorie (t)
Wijziging van het sociaal-economisch statuut van
ťťn van de echtgenoten
pensionering van de man
gehuwde vrouw, bedrag alleenstaande
gehuwde vrouw ten laste
pensionering van de vrouw
weduwe met overlevingspensioena
weduwe met rust- en overlevingspensioen
gehuwde man, gezinsbedragb
gehuwde man, bedrag alleenstaandeb
Overlijden
van de echtgeno(o)t(e)
overlijden van de man
gehuwde vrouw, bedrag alleenstaande
weduwe met rust- en overlevingspensioen
gehuwde vrouw ten laste
weduwe met overlevingspensioen
weduwe met rust- en overlevingspensioen
overlijden van de vrouw
gehuwde man, gezinsbedrag
alleenstaande man, bedrag alleenstaande
gehuwde man, bedrag alleenstaande
alleenstaande man, bedrag alleenstaande
weduwnaar, rust- en overlevingspensioen
a In dit geval is de vrouw al gepensioneerd (dus inactief) en heeft ze in het verleden gedurende een beperkte periode een beroepsbezigheid uitgeoefend.
b Die stroom bestaat alleen maar indien de vrouw voor haar pensionering inactief was (zonder sociale uitkering). Die stroom wordt niet als dusdanig geÔdentificeerd (behalve voor wat de weerslag van de pensioenhervorming betreft- zie infra) maar is impliciet verrekend in de verdelingscoŽfficiŽnten van de mannen die met pensioen gaan.
vii. Verdeling per functie van de gepensioneerden van de overheidssector
Verdeling per functie van de gepensioneerden van de overheidssector:
een top-down aanpak
Met de gegevens van het maltese-systeem is het nog niet mogelijk - via de instroom en de uitstroom volgens de horblok-methodologie - de gepensioneerden van de overheid per functie (administratie, onderwijs, defensie) rechtstreeks te ramen. De hormini-module, die steunt op een top-down aanpak24, zorgt dus voor de verdeling van de door horblok berekende totale stock van gepensioneerden van de overheidssector, over die drie groepen.
FIGUUR 6 - De hormini-module: verdeling per functie van de gepensioneerden van de overheidssector
De totale stocks aan gepensioneerden met een rust- en een overlevingspensioen van de overheid, worden over de functies verdeeld op basis van de evolutie van de verdeling van de werkgelegenheid van de toekomstige gepensioneerden, of van hun echtgenoot, tussen die functies. Die verdeling is op een vrij ruwe wijze benaderd, door te verwijzen naar een jaar in het verleden dat als representatief beschouwd wordt, namelijk het mediaanjaar25 van de loopbaan van de nieuwgepensioneerden.
c. Volledige sociaal-economische projectie

Om alle sociaal-economische categorieŽn te kunnen identificeren, moet eerst de werkgelegenheid per geslacht en per leeftijdsgroep kunnen worden geŽvalueerd, die afhangt van de evolutie van de totale werkgelegenheid en van die per beroepsstatuut (zie centraal maltese-model). De werkgelegenheidsprojectie wordt opgelegd door het gesimuleerde macro-economisch scenario26.

i. Macro-economische projectie: werkgelegenheid en groei
De toename van de werkgelegenheid beperkt door de structurele werkloosheidsgraad...
De langetermijnprojectie van de totale werkgelegenheid vloeit voort uit het macro-economisch scenario, dat de toename van de werkgelegenheid in elk beroepsstatuut bepaalt. Die toename wordt echter beperkt door de beschikbare beroepsbevolking, gelet op de structurele werkloosheidsgraad. Die structurele werkloosheidsgraad - bepaald per hypothese volgens het officiŽle fmta-concept, d.w.z. exclusief oudere werklozen - is de minimale werkloosheidsgraad op lange termijn. Die omvat onder andere de frictiewerkloosheid, als gevolg van de verandering van baan, en de werkloosheid van de laagst geschoolden (zie woordenlijst).
... bepaalt de groei
De toename van de totale werkgelegenheid, namelijk de som van de werkgelegenheid in alle beroepsstatuten, bepaalt rechtstreeks de groei van het bbp, samen met de exogene hypothese inzake de productiviteitstoename. De parameters die het macro-economisch scenario samenstellen, kunnen het voorwerp zijn van alternatieve simulaties.
ii. Projectie van de sociaal-economische categorieŽn
Beroepsbevolking
Tot 59 jaar en per geslacht: gekoppeld aan de potentiŽle beroepsbevolking

De beroepsbevolking tot 59 jaar resulteert rechtstreeks uit de toepassing van de potentiŽle activiteitsgraden van maltdemo op de bevolking per leeftijdsgroep, die vanaf 50 jaar wordt verminderd met de bruggepensioneerden - om de beroepsbevolking te vormen in ruime zin - en met de oudere werklozen - om de officiŽle beroepsbevolking te bekomen (zie infra voor de raming van het aantal bruggepensioneerden en oudere werklozen).

Vanaf 60 jaar en per geslacht: gekoppeld aan de reeds bestaande beroepsdeelname en de overstap naar het pensioen

De potentiŽle beroepsbevolking vanaf 60 jaar wordt berekend - in interactie met de berekening van het aantal gepensioneerden in horblok - op basis van hun componenten waarvan de raming hieronder in detail wordt weergegeven; zij resulteren uit de reeds bestaande sociaal-economische categorieŽn rekening houdend met de toetredingskansen op inactiviteit (pensioen of invaliditeit)27.

Werkgelegenheid en officiŽle werkloosheid
Werkgelegenheid per geslacht tot 59 jaar

De werkgelegenheid per beroepsstatuut, geraamd op basis van het macro-economisch scenario (zie supra), wordt per geslacht opgesplitst volgens het volgende principe:

waarin EF = vrouwelijke werkgelegenheid
PACTF = vrouwelijke beroepsbevolking in ruime zin (definitie fpb28)
UF = vrouwelijke werkloosheid (inclusief werkloosheid op oudere leeftijd - zie definitie fpb29)
R = beroepsstatuut: werknemers, zelfstandigen of werkgelegenheid in de overheidssector30
Werkloosheid per geslacht tot 59 jaar

De werkloosheid wordt op dezelfde wijze behandeld.

Vanaf 60 jaar

De werkgelegenheid per beroepsstatuut en de officiŽle werkloosheid per geslacht en per leeftijd worden - vanaf de leeftijd van 60 jaar - rechtstreeks berekend op basis van het fenomeen van de cohorten en de toetredingen tot de inactiviteit (werkloosheid op oudere leeftijd, brugpensioen, invaliditeit of pensioen); men noteert geen toetredingen meer in de werkgelegenheid, noch wijzigingen in het beroepsstatuut.

Opsplitsing per leeftijdsklasse tot 59 jaar

De werkgelegenheid in elk beroepsstatuut en de officiŽle werkloosheid per geslacht, worden verdeeld tussen de verschillende leeftijdsgroepen van 15 - 19 jaar tot 55 - 59 jaar, op basis van de verhouding van de werkgelegenheid in het beroepsstatuut of van de werkloosheid in de beroepsbevolking van het betreffende geslacht en per leeftijdsgroep gedurende het voorgaande jaar.

waarin I = leeftijdsklasse
CategorieŽn inactieven

Het aantal oudere werklozen wordt geraamd per geslacht en per leeftijd, van 50 tot 64 jaar. Het wordt geraamd via de toetredingskansen op werkloosheid op oudere leeftijd, die worden toegepast op de officiŽle werkloosheid van het jaar dat de werkloosheid op oudere leeftijd voorafgaat. Het aantal oudere werklozen volgt dus uit het fenomeen van de cohorten.

Het aantal bruggepensioneerden per geslacht en per leeftijd, van 50 tot 64 jaar volgt eveneens uit het fenomeen van de cohorten: de toetredingskansen op brugpensioen vermenigvuldigd met het aantal werknemers van het jaar dat aan de brugpensionering voorafgaat.

De evaluatie van de overige componenten van de inactieve bevolking per leeftijdsgroep volgt vooral uit de berekeningen die zijn uitgevoerd met de overige modellen van het maltese-systeem.

De overige inactieven worden berekend per saldo voor elke leeftijdsklasse of leeftijd: de inactieve bevolking (demografisch concept) wordt verminderd met alle andere sociaal-economische categorieŽn van inactieven.

FIGUUR 7 - Volledige sociaal-economische projectie

3. Projectie van de sociale uitkeringen

De wettelijke parameters voor de berekening van de gemiddelde uitkeringen...

Om de sociale uitgaven te evalueren moeten, naast het aantal gerechtigden uit de sociaal-economische projectie, de gemiddelde bedragen van de verschillende uitkeringen worden berekend. Die worden geraamd voor elke soort van sociale uitkering door zo exact mogelijk de belangrijkste parameters van de wetgeving voor de opeenvolgende cohorten gerechtigden te reproduceren.

... bepaald in het
sociaal-beleidsscenario

Die parameters hebben betrekking op de loongrenzen en de forfaitaire bedragen32, hun evolutie in reŽle termen (naast de prijsindexering die inherent is aan het Belgische socialezekerheidssysteem) en de berekeningspercentages van de uitkeringen toegepast op het referteloon. De gemiddelde uitkeringen worden dus beÔnvloed door de resultaten van de macro-economische projectie via de loonevolutie (zie centraal maltese-model).

5
De pensioenhervorming in de werknemersregeling en de regeling der zelfstandigen1
De Kaderwet van 26 juli 1996 heeft met ingang van 1 juli 1997 een pensioenhervorming ingevoerd in de werknemersregeling en de regeling der zelfstandigen, zowel wat de rustpensioenen als hun afgeleide rechten (de overlevingspensioenen) betreft. De pensioenen met ingangsdatum voor 1 juli 1997 worden enkel beÔnvloed door eventuele selectieve welvaartsaanpassingen.
Belangrijkste kenmerken van de hervorming
Geleidelijk wordt de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ingevoerd (met een overgangsperiode van 13 jaar) door, wat de vrouwen betreft, de berekeningsbreuk en de wettelijke pensioenleeftijd te verhogen. In dezelfde overgangsperiode en aan hetzelfde tempo verhoogt de leeftijd waarop de vrouwen rechten hebben in de overige takken van de sociale zekerheid:
- tot 30 juni 1997 wettelijke pensioenleeftijd van de vrouw= 60 jaar berekeningsbreuk = 40sten
- van 1 juli 1997 tot 31 december1999 61 jaar 41sten
- van 1 januari 2000 tot 31 december 2002 62 jaar 42sten
- van 1 januari 2003 tot 31 december 2005 63 jaar 43sten
- van 1 januari 2006 tot 31 december 2008 64 jaar 44sten
- vanaf 1 januari 2009 65 jaar 45sten
De pensioenleeftijd blijft flexibel vanaf 60 jaar behalve voor de gerechtigden op een voltijds conventioneel brugpensioen - mits de loopbaanvoorwaarde over alle stelsels heen vervuld is. Er is ook een beschrijving van de voorwaarden om als kalenderjaar in aanmerking te worden genomen, zowel in de werknemersregeling als in de regeling der zelfstandigen (i.e. voor diverse vormen van arbeidsherverdeling worden bonusjaren toegekend).
- in 1997 loopbaanvoorwaarde = tenminste 20 kalenderjaren
- in 1998 22 kalenderjaren
- in 1999 24 kalenderjaren
- in 2000 26 kalenderjaren
- in 2001 28 kalenderjaren
- in 2002 30 kalenderjaren
- in 2003 32 kalenderjaren
- in 2004 34 kalenderjaren
- vanaf 2005 35 kalenderjaren
De reŽle loonsverhoging - 3,6 % voor de hervorming - van toepassing op de loopbaanjaren van 1955 tot 1974 wordt geleidelijk afgebouwd voor de pensioenen met ingang van 1997 tot 2004. Vanaf 2005 bevat de herwaarderingscoŽfficiŽnt - van toepassing op de loopbaanjaren van het verleden - enkel een aanpassing aan het indexcijfer der consumptieprijzen.
Een minimumrecht per loopbaanjaar - gekoppeld aan de evolutie van het minimumloon - wordt ingevoerd, op voorwaarde dat de loopbaan tenminste 15 kalenderjaren bedraagt.
De loongrens, die bij de berekening van het rustpensioen wordt gehanteerd, wordt vanaf 1999 opnieuw gekoppeld aan de conventionele loonsverhogingen.
Ook selectieve welvaartsaanpassingen worden voorzien voor de reeds gepensioneerden, afhankelijk van de hoogte en/of de ingangsdatum van het pensioen.
Weerslag van de hervorming op de gedragingen van de gepensioneerden
Omdat de gepensioneerden niet voldoen aan de loopbaanvoorwaarde, of omdat zij hun loopbaan wensen te verlengen, leidt de stijging van de wettelijke pensioenleeftijd van 60 naar 65 jaar in 2009 tot een daling van het aantal vrouwen met een rustpensioen of met een rust- en overlevingspensioen. Een belangrijk deel van de vrouwen in de leeftijdsklasse 60 - 64 jaar moet of wenst hun pensionering uit te stellen en blijft intussen voortwerken, of geniet een ander vervangingsinkomen, of blijft inactief.
Vermits de loopbaanvoorwaarde leidt tot een daling van het aantal vrouwen dat aanspraak kan maken op het wettelijk rustpensioen, zal het aantal overlevingspensioenen toenemen; namelijk de gehuwde vrouw die intussen weduwe wordt, heeft enkel recht op een overlevingspensioen en kan slechts vanaf de wettelijke pensioenleeftijd haar eigen rustpensioen cumuleren met het overlevingspensioen. Hetzelfde geldt voor de vrouwen ten laste, waarvan de gepensioneerde echtgenoot met gezinsbedrag overlijdt; ook zij kan pas vanaf 65 jaar haar overlevingspensioen cumuleren met haar eigen rustpensioen.
De stijging van de wettelijke pensioenleeftijd van 60 naar 65 jaar in 2009 leidt tot een periode - of een verlenging van de periode - waarin de gehuwde gepensioneerde man - wiens vrouw intussen haar pensionering moet uitstellen en inactief is (maar in het verleden heeft gewerkt) - een pensioen aan gezinsbedrag kan genieten, totdat zijn vrouw haar rustpensioen aan bedrag alleenstaande kan opvragen.
Weerslag van de hervorming op de pensioenberekening
De verandering in het pensioneringsgedrag van de vrouw is symmetrisch vertaald in een opsplitsing van de loopbaanprofielen.
- De vrouw die op 60 jaar wordt gepensioneerd met haar eigen rustpensioen heeft een toenemend loopbaanprofiel, vermits zij voldoet aan de loopbaanvoorwaarde die mettertijd strenger wordt (tot 2005).
- De vrouw die haar pensionering moet uitstellen, zal haar loopbaanprofiel ofwel behouden omdat zij langer ten laste blijft van het gezinshoofd, ofwel verlengen met gewerkte loopbaanjaren, ofwel verlengen met loopbaanjaren in gelijkstelling.
- Voor de gehuwde mannen, die omwille van het pensioneringsuitstel van hun echtgenote tijdelijk in aanmerking komen voor een rustpensioen aan het gezinsbedrag, is er een apart loopbaanprofiel gemaakt, dat rekening houdt met het specifieke loopbaangedrag van de gehuwde tweeverdieners.
Niettegenstaande de pensioenbreuk verhoogt, leiden die aanpassingen tot een verhoging van het gemiddeld pensioenbedrag.
De geleidelijke afbouw van de reŽle verhogingen toegekend aan de lonen verdiend tijdens de periode 1955 - 1974, samen met de invoering van het minimumrecht per loopbaanjaar, vermindert tijdelijk (tot 2010) het gemiddeld pensioen van de man, maar verhoogt vooral het gemiddeld pensioen van de vrouw.
De koppeling van de loongrens aan de conventionele lonen verhoogt het pensioenbedrag van de nieuwgepensioneerde mannen en mettertijd dat van de nieuwgepensioneerde vrouwen. Geleidelijk zal de instroom van die nieuwgepensioneerden met een hoger pensioenbedrag het gemiddeld pensioen verhogen.

1Voor meer details, zie M.-J. Festjens [1997], hoofdstukken 7 en 8.

Rťforme des pensions
a. Macro-economische projectie: lonen en winsten
Projectie van de lonen en de winsten

De hypothese over de productiviteitsgroei, vastgesteld in het macro-economisch scenario, maakt het mogelijk de groei van het bbp (zie punt II.C.2.c.i., p. 31) te bepalen. Ze dient eveneens om op basis van de hypothese "constante verdeling van de toegevoegde waarde over lonen en winsten" een raming te maken van de langetermijnevolutie van die lonen en winsten, die dus parallel evolueren met het bbp (zie p. 50, figuur 10 infra - punt II.C.3.d). De hypothese met betrekking tot de productiviteitsgroei is een belangrijke parameter, die het voorwerp uitmaakt van alternatieve scenario's, omdat ze een invloed heeft op zowel de evolutie van de ontvangsten uit verplichte heffingen (via de lonen en de winsten) als op de evolutie van de gemiddelde sociale uitkeringen (via de lonen).

Hypothese inzake prijzen

Het hele maltese-systeem is opgemaakt bij constante prijzen. De hypothese over de inflatie wordt slechts gebruikt bij het formuleren van de hypothese over de rentevoeten en speelt dus enkel een rol bij de berekening van de rentelasten en de overheidsschuld.

b. Gemiddeld pensioen in de werknemersregeling
Het gemiddeld pensioen in de werknemersregeling: een gewogen gemiddelde van het gemiddeld pensioen van de diverse groepen gepensioneerden

Het pension-model berekent het gemiddeld pensioen voor elk van de acht geÔdentificeerde categorieŽn van gepensioneerden in de werknemersregeling (zie tabel 2, p. 24), gekenmerkt door enerzijds de wettelijke berekeningspercentages voor elke categorie en anderzijds door de specifieke historiek van hun loopbaanprofiel. Het (algemeen) gemiddeld pensioen33 in de werknemersregeling komt overeen met het gemiddeld pensioenbedrag per categorie, gewogen met het aandeel van elke categorie34 in het totaal aantal gepensioneerden van de werknemersregeling.

Het gemiddeld pensioen van elke categorie wordt berekend door de van kracht zijnde juridische berekeningsregels van een pensioen zo volledig mogelijk te reproduceren. Die "mechanische" aanpak maakt het mogelijk de beleidsinstrumenten in te brengen als - exogene en discretionaire - sleutelparameters met een duidelijke en goed omlijnde betekenis. Dergelijke aanpak leent zich gemakkelijk tot het analyseren van de impact van elk van die sleutelparameters op de pensioenuitgaven en dus tot het simuleren van een alternatief sociaal-beleidsscenario.

De evolutie van het gemiddeld pensioen van elke categorie afzonderlijk wordt bepaald door de evolutie van het pensioen van de overlevende gepensioneerden, het pensioen van de gepensioneerden die uit een andere categorie komen en het pensioen van de nieuwgepensioneerden. Het `aantal' gepensioneerden (stocks en stromen) is afkomstig van de sociaal-economische projectie (berekeningen van het horblok-model - zie supra).

waarin MPL = gemiddeld pensioen (werknemersregeling)
NMPL = gemiddeld pensioen van de nieuwgepensioneerden
c = categorie (4 voor de mannen, 4 voor de vrouwen, zie tabel 2 p. 24)
Spens = stock gepensioneerden
OFpens = overleden gepensioneerden en de gepensioneerden die naar een andere categorie overgaan
Npens = nieuwgepensioneerden
NFpens = stromen van gepensioneerden afkomstig van een andere categorie
TMAS = welvaartsaanpassing
TR = berekeningspercentages (75 %, 60 % of 66 %)
COR = coŽfficiŽnt voor het jaarlijks opschuiven van de opeenvolgende generaties
Berekening per categorie van de coŽfficiŽnt voor het jaarlijks opschuiven van de opeenvolgende generaties

Voor elke categorie gepensioneerden, wordt er een coŽfficiŽnt berekend die de invloed meet van `het jaarlijks opschuiven van de opeenvolgende generaties naar een hogere leeftijdsgeneratie' op het gemiddeld pensioen van de betrokken categorie (cor). Elke generatie heeft inderdaad een verschillend gemiddeld pensioen als gevolg van de historiek die haar eigen is. De coŽfficiŽnt die rekening houdt met het opschuiven van de generaties is afgeleid uit de volgende formule, waar het pensioen wordt uitgedrukt "in de loop van zijn vergrijzing" ten opzichte van het pensioen van een nieuwgepensioneerde:

waarbij a = 0 voor een nieuwgepensioneerde
a = 40 is reeds 40 jaar op pensioen, ingangsdatum = t - 40
A(a, t) aantal gepensioneerden per leeftijd
B(a, t) het gemiddeld pensioenbedrag van de gepensioneerden die a jaren vroeger dan t werden gepensioneerd
V overlevingscoŽfficiŽnt
1+c toename van het pensioen door de welvaartsaanpassingen
1+m toename van het pensioenbedrag van de nieuwgepensioneerden

De formule bevat 3 delen: de instroom van de nieuwgepensioneerden met hun pensioenbedrag, het pensioenbedrag van de gepensioneerden in het bestand in overeenstemming met elke leeftijd (uitgedrukt t.o.v. het pensioen van de nieuwgepensioneerde) en het aantal gepensioneerden in het bestand verdeeld volgens hun leeftijdsstructuur. De werking van die formule kunnen we als volgt omschrijven.

Veronderstellen we even, voor de eenvoud, dat de leeftijdsstructuur gedurende 50 jaar niet verandert, en dat `m' en `c' constant blijven. Het pensioen van de nieuwgepensioneerde neemt toe met `m'. Het pensioen van de ťťn jaar vroeger gepensioneerde ontvangt een welvaartsaanpassing van `c' maar t.o.v. de nieuwgepensioneerde loopt hij een achterstand op van `m - c'. In de mate dat `c' kleiner is dan `m' vertraagt het pensioen naarmate de leeftijd van de gepensioneerde toeneemt. Op kruissnelheid - wanneer het pensioen voor elke leeftijd telkens `m - c' lager is dan dit van de 1 jaar jongere gepensioneerde - zal het gemiddeld pensioenbedrag (over alle leeftijden) groeien aan het tempo van `m': `c' van de welvaartsaanpassing en `m - c' door de vernieuwing van de opeenvolgende generaties.
Wanneer het stijgingsritme van het pensioen van de nieuwgepensioneerden verandert in de tijd (mt), dan is de invloed op het gemiddeld pensioenbedrag aanvankelijk heel klein, maar exponentieel toenemend in de tijd naarmate de jongere generaties de oudere steeds meer vervangen. Daarentegen heeft een verandering van de jaarlijkse welvaartsaanpassing (ct) een onmiddellijke en belangrijke invloed, omdat alle generaties die veranderde welvaartsaanpassing krijgen. Die invloed zal mettertijd versneld uitdeinen naarmate opnieuw de kruissnelheid wordt bereikt - wanneer het pensioen van elke leeftijdsgeneratie, gedurende alle jaren van hun verblijf in het pensioenbestand, de veranderde welvaartsaanpassing hebben genoten.
Het laatste deel van de formule bevat de invloed, op het gemiddeld pensioen, van het volume van de nieuwe generaties die doorgroeien naar een hogere leeftijd, volgens de overlevingskans per leeftijd die zelf mettertijd toeneemt. De toenemende overlevingskans, zelfs op hogere leeftijden, vergroot het aandeel van de oudere gepensioneerden en veroorzaakt een structurele vertraging van het gemiddeld pensioen. Naast de structurele veroudering veroorzaakt de babyboomgeneratie schokken in de leeftijdsstructuur van de gepensioneerden en in de structurele vertraging van het gemiddeld pensioen. Naargelang de omvangrijke naoorlogse generaties tot de jongere - of oudere gepensioneerden behoren, zal de gemiddelde leeftijd van de gepensioneerden dalen respectievelijk stijgen, waardoor de structurele vertraging van het gemiddeld pensioen wordt afgeremd respectievelijk versterkt.
FIGUUR 8 - Het pension-model: berekening van het gemiddeld pensioen in de algemene werknemersregeling
i. Gemiddeld pensioen van de gepensioneerden van `t - 1' die in `t' overblijven
Het gaat hier over de samenstelling van de groep gepensioneerden, die bij de overgang van het jaar t - 1 naar het jaar t, tot dezelfde categorie blijven behoren: het aantal gepensioneerden van het vorige jaar, verminderd met het aantal gepensioneerden die ondertussen overlijden en verminderd met het aantal gepensioneerden dat de categorie verlaat om een pensioen in een andere categorie te ontvangen.
De evolutie van het gemiddeld pensioen van die gepensioneerden is afhankelijk van de prijsindexering, de koppeling aan de welvaart en het jaarlijks opschuiven van de opeenvolgende generaties met elk een verschillend gemiddeld pensioen wegens de specifieke historiek van elke generatie - zie supra35.
ii. Gemiddeld pensioen van de gepensioneerden die van categorie veranderen
Ook de nieuwe rechthebbenden op een overlevingspensioen (eventueel gecumuleerd met een rustpensioen) naar aanleiding van het overlijden van het gepensioneerde gezinshoofd, worden beschouwd als gepensioneerden van die categorie. Die vrouwen waren inderdaad reeds impliciet verrekend in het systeem, namelijk als `vrouw ten laste'.
Het pensioen van de gepensioneerden die van categorie veranderen, als gevolg van een overlijden of een verandering van het sociaal-economisch statuut van hun partner (zie p. 29, punt II.C.2.b.vi), is afhankelijk van de volgende elementen:
iii. Gemiddeld pensioen van de nieuwgepensioneerden
Voor elke categorie afzonderlijk, wordt het pensioen van de gepensioneerden, die voor de eerste keer tot het systeem toetreden38, berekend door het laatst geobserveerde gemiddelde pensioenbedrag van de nieuwgepensioneerden in de betreffende categorie te koppelen aan de evolutie van het `theoretisch' pensioen van de overeenkomstige categorie (nmplsc - zie hieronder). De evolutie van dat theoretisch pensioen houdt rekening met de sleutelparameters die bij de feitelijke berekening van het individuele pensioen worden gebruikt:
waarin NMPLSc = theoretisch pensioen van de nieuwgepensioneerden van een categorie c
Tc = berekeningspercentage voor het pensioen van categorie c
LTc = loopbaanduur die overeenstemt met de loopbaanprofielen per categorie c42, die rekening houdt met de pensioneringsleeftijden (zie instroom in de sociaal-economische projectie - horblok-model) en met de historische evolutie van de vrouwelijke activiteitsgraad (afkomstig van de macro-economische projectie voor de komende jaren)
b = verdeling arbeiders / bedienden, per geslacht
WRpf,i = gemiddeld referteloon voor f= arbeider, bediende respectievelijk mannelijk of vrouwelijk gedurende het jaar i
=
waarin LCc = pensioenbreuk (ook in 45ste voor de vrouw vanaf 2009)
Wpf,i = gemiddeld geplafonneerd loon voor het beroepsstatuut f gedurende het jaar i
ri,t = herwaarderingscoŽfficiŽnt van het loon van het jaar i voor de gepensioneerden die tot het pensioen toetreden in t
Wmint = het minimumrecht op de ingangsdatum van het pensioen, dus in t
af,i = het aandeel van het aantal werknemers (met beroepsstatuut f gedurende het jaar i) waarvan het geherwaardeerde geplafonneerde loon hoger is dan het minimumrecht43.

De gemiddelde geplafonneerde lonen per geslacht en afzonderlijk voor arbeiders en bedienden (Wpf,i), die rekening houden met het feit dat de pensioenberekening de lonen in aanmerking neemt tot een bij wet bepaalde loongrens, zijn berekend op basis van de volgende elementen:

Berekening van het "geplafonneerde loon" per geslacht en afzonderlijk voor arbeiders en bedienden
Indien `f(c)' de verdeling van de werknemers per verdienstenschijf `c' is, ` ' het niveau van de loongrens en `h' het aantal werknemers wiens verdiende loon hoger is dan de loongrens, dan geldt de volgende formule:
In i + l hebben we:
ieder verdienstenschijf is gestegen met de groeivoet van het loon `w'
de loongrens c is gekoppeld aan de groeivoet van het conventionele loon `cw'
Die twee vergelijkingen tonen dat de curve `f(c)' zich naar rechts verplaatst aan het groeiritme van de lonen `w' terwijl de loongrens `c' zich naar rechts verplaatst aan het groeiritme van de conventionele lonen `cw'. Indien `cwi' lager is dan `wi' dan zal de oppervlakte onder de curve `f(c)' rechts van de loongrens `c' (namelijk het gearceerde gedeelte op de figuur) toenemen.
In de veronderstelling dat de vorm van de curve niet wijzigt in de loop van de tijd, dan kan het toekomstig toenemend aantal werknemers - wiens verdiende loon hoger is dan de loongrens - berekend worden door de loongrens `c' naar links te verplaatsen. Die verschuiving van `c' gebeurt conform de volgende vergelijking, met name afhankelijk van de mate waarin de conventionele loonevolutie is losgekoppeld van de loonevolutie.
`h' levert dus het toenemend aantal werknemers waarvan de werkelijke verdiensten worden vervangen door de loongrens bij de berekening van het pensioen. Die techniek maakt het mogelijk de evolutie van het "geplafonneerde loon" te berekenen, dat een gewogen gemiddelde is van het reŽel ontvangen loon en van de loongrens in het loopbaanjaar i.
6
Raming van het aantal gepensioneerden en de gemiddelde pensioenen volgens het `zuiver' boekhoudkundig concept: methodologie
De gegevens in het `zuiver' boekhoudkundig concept worden geraamd op basis van administratieve gegevens van de Rijksdienst voor Pensioenen (rvp) voor de algemene regeling en van de Administratie der Pensioenen (ap) voor de regeling in het openbaar ambt. Zij omvatten de pensioenen die betaald worden aan de niet-ingezetenen (dus niet geteld in de ingezeten bevolking) en tellen twee keer de gepensioneerden die tegelijk behoren tot de administratieve statistieken van de rvp en de ap (of een ander betalingsorganisme van de overheidssector voor bepaalde lokale besturen en sommige overheidsbedrijven). De dubbeltellingen binnen een zelfde regeling daarentegen zijn geŽlimineerd. Binnen elke regeling zijn de gegevens dus `zuiver'.
Algemene werknemersregeling en regeling der zelfstandigen
De 'Jaarlijkse statistiek van de pensioengerechtigden' die jaarlijks door de rvp wordt gepubliceerd, onderscheidt de 'zuivere' pensioenen van de 'gemengde' pensioenen. Een gepensioneerde wordt als 'zuiver' bestempeld wanneer hij slechts ťťn enkel pensioen geniet dat door de rvp wordt betaald. Omgekeerd, een 'gemengde' gepensioneerde cumuleert een werknemerspensioen met een zelfstandigenpensioen en/of het gewaarborgd inkomen. Het totaal aantal door de rvp betaalde pensioenen is dus groter dan het totaal aantal gepensioneerden voor wie zij bestemd zijn, dat eveneens door de rvp wordt gepubliceerd.
De statistische verwerking van die gegevens door het fpb bestaat uit het opsplitsen van deze - in 'zuivere equivalenten' omgezette `gemengde pensioenen' - tussen de drie regelingen die de rvp behandelt. Om dat te realiseren, worden de pensioenbedragen die toegekend worden als 'gemengde' pensioenen en de aantallen gepensioneerden die er betrekking op hebben, omgezet in `zuivere equivalenten', op basis van het pensioenbedrag van de 'zuivere' gepensioneerden.
Regeling van de overheidssector
De ap publiceert elk jaar een "Jaarlijkse statistiek van de pensioenen van de openbare diensten" waarin de gegevens over de rust- en overlevingspensioenen van de overheidssector worden voorgesteld volgens twee criteria: het aantal dossiers (per geboortejaar en per overheidsfunctie) en het aantal gerechtigden (per geboortejaar). De vergelijking van die gegevens maakt het mogelijk binnen de ap een 'cumuleringscoŽfficiŽnt' te berekenen om het aantal dossiers aan te passen per overheidsfunctie.
De resultaten van die berekeningen worden nog bijgestuurd enerzijds op basis van een raming van de pensioenen van het openbaar ambt die niet van de ap afhangen en anderzijds een raming van de cumuleringen tussen deze pensioenen en de pensioenen die afhangen van de ap. Die evaluaties werden gemaakt voor het fpb op basis van gegevens van het Pensioenkadaster (riziv).
concept comptabel pur
c. Het gemiddeld pensioen in de regeling van het openbaar ambt
Rustpensioenen
Het gemiddeld rustpensioen wordt, zoals het pensioen in de werknemersregeling, beÔnvloed door verschillende elementen: niet enkel de nieuwgepensioneerden hebben een impact op het niveau van het gemiddeld rustpensioen, ook het niveau van het bedrag dat uitdooft (door overlijden) en het bedrag van de `blijvers' (nl. de stock) bepalen de evolutie van het gemiddeld rustpensioen.

Het aantal gepensioneerde ambtenaren

De instroom van nieuwgepensioneerden
De relatie tussen de nieuwgepensioneerden en de stocks, doet zich als volgt voor:
met NA = nieuw aantal gepensioneerden (= instroom)
A = totaal aantal
OA = aantal overleden gepensioneerden (= uitstroom)
t = jaar t
s = geslacht
De instroom van het aantal nieuwgepensioneerden wordt berekend in de sociaal-economische projectie met het model horblok (zie II.C.2.b.).
Een afzonderlijke categorie: de gepensioneerden wegens lichamelijke ongeschiktheid
In tegenstelling tot de privť-sector kan een ambtenaar niet invalide verklaard worden. De ambtenaar die definitief ongeschikt verklaard wordt om zijn loopbaan verder te zetten, kan op eender welke leeftijd en na eender welke dienstanciŽnniteit, op rust gesteld worden. Vandaar dat er onderscheid gemaakt wordt tussen:

Het gemiddeld pensioenbedrag

Het gemiddeld pensioenbedrag van een nieuwgepensioneerde
Het pensioenbedrag, waarmee een nieuwgepensioneerde het pensioenbestand binnenstroomt, wordt berekend in functie van drie parameters:
Eerste parameter: de refertewedde
Het pensioen van een ambtenaar wordt berekend in functie van de gemiddelde wedde van de laatste 5 jaar van de loopbaan. Voor defensie wordt enkel de wedde van het laatste loopbaanjaar in aanmerking genomen voor de berekening van het rustpensioen.
De wedden die in aanmerking genomen worden om de refertewedde te bepalen, komen niet noodzakelijk overeen met de wedden die de betrokkene werkelijk ontvangen heeft. Wanneer enkele jaren of juist vůůr de pensioenberekening nog nieuwe weddeschalen in werking treden (als gevolg van een algemene baremaherziening of sociale programmatie), dan is het op basis van die nieuwe weddeschalen, dat het pensioenbedrag berekend wordt.
Tweede parameter: de aanneembare diensten
Het aantal aanneembare diensten komt in grote mate overeen met de werkelijk gepresteerde diensten. Ook bepaalde bezoldigde afwezigheidsperiodes (zoals bvb. gewone vakantiedagen, uitzonderlijk verlof voor huwelijk en dergelijke,...) en onbezoldigde afwezigheidsperiodes (zoals verlof voor dwingende redenen of van familiaal belang) die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, zijn aanneembaar. Bovendien worden er bonificaties toegekend voor de legerdienst, het behalen van het diploma nodig voor het uitoefenen van de functie, enz.
Derde parameter: het tantiŤme
Het tantiŤme is de noemer van de loopbaanbreuk. Het basistantiŤme bedraagt 60. Hoewel dat de algemene regel is, wordt het voornamelijk toegepast op het overheidspersoneel van de administratie en defensie. Een groot deel van het overheidspersoneel kan nochtans aanspraak maken op een preferentieel tantiŤme. Die wordt toegekend hetzij voor specifieke ambten zoals leraars, magistraten, provinciegouverneurs hetzij voor specifieke diensten zoals actieve diensten (douanepersoneel, postbodes, ingenieurs van bruggen en wegen, mijningenieurs,...).
Perequatie: welvaartsvastheid voor de gepensioneerden van de overheid
Het principe van perequatie zorgt voor welvaartsvastheid van de overheidspensioenen, in tegenstelling tot de pensioenen in de algemene regeling, die tussen 1982 en 1998 nagenoeg geen welvaartsaanpassingen hebben gekend. Pas in 1999 kwam daar verandering in (zie III.B.2. sociaal-beleidsscenario, p. 64).
Een automatische pensioenperequatie betekent dat een verhoging van het loon van de actieve ambtenaar gepaard gaat met een evenredige verhoging van het rustpensioen van de gepensioneerde ambtenaar.
Overlevingspensioenen
Een overlevingspensioen van de overheid wordt berekend in functie van drie parameters:
Eerste parameter: de refertewedde
De refertewedde wordt op analoge wijze berekend als bij de rustpensioenen. Het overlevingspensioen is eveneens gebaseerd op de gemiddelde wedde(schalen) van de laatste 5 jaar van de overleden ambtenaar.
Tweede parameter: de aanneembare diensten
De aanneembare diensten (in maanden) worden bepaald zoals bij de rustpensioenen.
Derde parameter: de referteperiode
De referteperiode bedraagt het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand volgend op de 20ste verjaardag van de overleden echtgenoot en de laatste dag van de maand van zijn overlijden, met een maximum van 480 maanden.
De loopbaanbreuk mag in geen geval de eenheid overschrijden.
i. Het gemiddeld overheidspensioen in de administratie

In navolging van het model pension (zie supra, punt II.C.3.b), dat de evolutie van het gemiddeld pensioen in de werknemersregeling simuleert, werd het model public gecreeerd om de evolutie van het gemiddeld overheidspensioen te berekenen op lange termijn. De verschillen in de pensioenberekening (o.a. de verschillen in tantiŤme, zie supra) tussen de diverse overheidsfuncties, maakt het onmogelijk alle pensioenuitgaven van de overheid in eenzelfde model onder te brengen. Dit heeft ertoe geleid dat in een eerste fase een model werd ontwikkeld om enkel de pensioenuitgaven van de administratie te schatten. In een volgende fase dienen gelijkaardige modellen voor de functies onderwijs en defensie uitgebouwd te worden, rekening houdend met hun specifieke kenmerken. De pensioenen van defensie en van het onderwijs worden momenteel op een eenvoudige wijze binnen het centraal model van maltese zelf, geschat (zie ii, p. 48).

Eindresultaat

Uit alle pensioenmassa's (rustpensioenen, vervroegd of wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd, rustpensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid, overlevingspensioenen) en hun overeenkomstige aantallen, wordt een globaal gemiddeld pensioenbedrag berekend, waarvan de groeivoet wordt ingevoerd in het centraal model van maltese.

Het aantal gepensioneerden dat het pensioenbestand binnenstroomt, is voor het model public exogeen en wordt geleverd door het model horblok en de module hormini (zie punt II.C.2.b). Die modellen voeren het aantal gepensioneerden in per geslacht en type (rust- en overlevingspensioenen) voor de hele projectieperiode.

Rustpensioenen
Zoals figuur 9 toont, wordt er een onderscheid gemaakt tussen twee categorieŽn rustpensioenen: de rustpensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid (categorie II in figuur 9), en de rustpensioenen omwille van vervroegde pensionering of wegens het bereiken van de wettelijke leeftijdsgrens (categorie I in figuur 9).
De instroom van gepensioneerden wegens lichamelijke ongeschiktheid wordt berekend op basis van het aandeel van het aantal gepensioneerden wegens lichamelijke ongeschiktheid in het aantal rustpensioenen in het totaal van de overheidssector. Dat aandeel wordt berekend door horblok (zie tabel 2) op basis van een constante toetredingskans vanuit de statutaire werkgelegenheid in de overheidssector (zie supra punt II.C.2.b.iv, p. 25).
FIGUUR 9 - Het model public: berekening van de overheidspensioenen in de administratie
Categorie I: rustpensioen "normaal"
De gepensioneerden stromen binnen vanuit verschillende administratieve niveaus
De instroom van gepensioneerden wegens vervroegde pensionering of wegens het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd, wordt - in functie van de aanwervingen in de verschillende administratieve niveaus in het verleden - verdeeld volgens leeftijd (tussen 60 en 65 jaar), niveau (4 tot 1 volgens kwalificatie...45) en geslacht.
Het gemiddeld pensioenbedrag van een nieuwgepensioneerde
Voor de berekening van het pensioenbedrag van de nieuwgepensioneerden houdt het model public rekening met de drie parameters: de refertewedde, de aanneembare diensten en het tantiŤme (zie supra).
De loonstijging beÔnvloedt de refertewedde
Bij de refertewedde speelt de loonstijging een belangrijke rol. In het model wordt rekening gehouden met een gemiddelde jaarlijkse algemene loonstijging bepaald door het macro-economisch scenario in het centraal model van maltese. Die loonstijging omvat naast de verhoging van de weddenschalen, ook wel barema's genaamd, ook andere elementen die het gemiddeld pensioenbedrag beÔnvloeden, zoals de verandering van het gemiddeld bedrag als gevolg van verschuivingen tussen de administratieve niveaus bij de nieuwgepensioneerden. Dat element (buiten de verhoging van de weddenschalen) wordt als een wage drift beschouwd. De conventionele loonstijging (verhoging van de barema's) die eveneens een stijging van het pensioenbedrag met zich meebrengt (onder de vorm van perequatie, zie supra), wordt dan bepaald als het verschil tussen de algemene geprojecteerde loonstijging en de wage drift.
Naast de verhoging van de weddeschalen en de wage drift als gevolg van de verschuivingen tussen de niveaus, zijn er nog elementen, die het gemiddeld pensioenbedrag beÔnvloeden, zoals het verdwijnen van hoge/lage pensioenbedragen (door overlijden). Dat element komt uitvoerig aan bod bij de resultaatbespreking van public (zie III.D.3)
De aanneembare diensten in functie van een gemiddelde loopbaanduur
Om rekening te houden met de tweede parameter, nl. de aanneembare diensten, gaat het model uit van een gemiddelde totale loopbaanduur per geslacht46 op basis van recent gedrag hieromtrent.47 Aan de hand van gegevens over de loopbaanduur blijkt de doorsnee ambtenaar die tussen 60 en 65 jaar op pensioen gaat, een carriŤre te hebben doorlopen van gemiddeld 37 jaar (38 jaar voor mannen; 35 jaar voor vrouwen). Die geobserveerde gemiddelde loopbaan wordt geassocieerd met de gemiddelde pensioenleeftijd van de nieuwgepensioneerden in elk niveau.
Het tantiŤme in de administratie bedraagt 60
Voor de berekening van een rustpensioen wordt ieder aanneembaar dienstjaar in aanmerking genomen ten belope van 1/60 van de refertewedde48.
Dat nieuwe pensioenbedrag wordt in het model public berekend per geslacht, niveau en leeftijd.
Categorie II: rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid
Het gemiddeld pensioenbedrag van een gepensioneerde wegens lichamelijke ongeschiktheid
Het aantal gepensioneerden van categorie II wordt enkel per geslacht berekend. Het gemiddeld pensioenbedrag van een nieuwgepensioneerde wegens lichamelijke ongeschiktheid, per geslacht, evolueert in functie van het gemiddeld bedrag van de nieuwgepensioneerden van categorie I.
De berekening van de totale rustpensioenmassa na in - en uitstroom
De pensioenmassa van de gepensioneerden van categorie I wordt als volgt verkregen:
waarin i = leeftijd, van 60 jaar tot 99+
ii = leeftijd, van 60 tot 65 jaar
Het element perequatie is de stijging van het pensioen als gevolg van een loonstijging in de vorm van een algemene baremaherziening of sociale programmatie (zie supra).
Uit bovenstaande gegevens kan ook een globaal gemiddelde van alle rustpensioenen berekend worden.
Overlevingspensioenen
Dit gedeelte van het model public is nog in ontwikkeling. In deze oefening wordt uitgegaan van een eenvoudige hypothese waarbij het overlevingspensioen een constante verhouding heeft tot het gemiddeld rustpensioen. De koppeling van het overlevingspensioen aan het rustpensioen kan verantwoord worden door het feit dat het overlevingspensioen een functie is van o.a. de refertewedde van de overleden echtgenoot.
ii. Het gemiddeld overheidspensioen in het onderwijs, defensie en de overheidsbedrijven
Momenteel is er nog geen model ontwikkeld dat het gemiddeld pensioen van de gepensioneerden uit het onderwijs, defensie en de overheidsbedrijven kan berekenen op basis van parameters die kenmerkend zijn voor die categorieŽn (o.a. voor wat de tantiŤmes betreft). De evolutie van het gemiddeld pensioen voor de gepensioneerden van de regeling van het openbaar ambt, buiten de gepensioneerden uit de functie administratie, wordt dus binnen het centrale model van maltese gemodelleerd, in functie van de evolutie van het gemiddeld loon in de overheidssector, volgens het perequatieprincipe.49
met MPRg = gemiddeld pensioen in Rg = onderwijs, defensie of overheidsbedrijven
MEG = gemiddelde bezoldiging in de overheidssector
d. Gemiddeld pensioen in de algemene regeling voor zelfstandigen50
Momenteel bestaat er nog geen model dat, op een gedetailleerde wijze, het gemiddeld pensioen in de regeling voor zelfstandigen kan berekenen op basis van in- en uitstromen en de evolutie van de leeftijdsstructuur van deze gepensioneerden. De modellering van de evolutie van dit gemiddeld pensioen komt globaal tot stand binnen het centrale model van maltese, op basis van het sociaal-beleidsscenario - voor wat de koppeling van het forfaitaire pensioenbedrag aan de welvaart betreft -, de evolutie van het gemiddeld bedrijfsinkomen van de zelfstandigen en de wijzigingen in de wetgeving. Het pensioen van de zelfstandigen wordt immers berekend op basis van het forfaitair pensioen voor de loopbaanjaren tot 1983 en op basis van de aangiften van de bedrijfsinkomsten voor de loopbaanjaren vanaf 1984. Verder heeft de pensioenhervorming van 1996 een invloed op de berekening van het gemiddeld pensioen van de zelfstandigen (meer details hierover in hoofdstuk III onder punt D.2 op p. 92).
waarin MPI = gemiddeld pensioen in de regeling voor zelfstandigen
MEI = gemiddelde bedrijfsinkomsten van de zelfstandigen
TAS = coŽfficiŽnt voor de welvaartsaanpassing van het forfaitaire gedeelte van het pensioen
a, b = wegingscoŽfficiŽnten; a is gelijk aan 0/45 tot en met 1983, 1/45 in 1984 en 45/45 vanaf 2028; b is gelijk aan 45/45 tot en met 1983, 44/45 in 1984 en 0/45 vanaf 2028.
d bevat de invloed van de nieuwe correctiecoŽfficiŽnt (ten gevolge van de pensioenwet van 1996) bij de berekening van het proportioneel pensioen voor de loopbaanjaren vanaf 1997.
PENRE bevat de invloed van de verhoging van de pensioenbreuk voor vrouwen en de loopbaanvoorwaarde op het gemiddeld pensioenbedrag (ten gevolge van de pensioenwet van 1996).
e. Overige gemiddelde vervangingsinkomens
Factoren die de evolutie van de overige vervangingsinkomens bepalen.
Naast het eventuele verband met het referteloon, voorziet de wetgeving voor de andere gemiddelde vervangingsinkomens een prijsindexering en welvaartsaanpassingen.
De meeste gemiddelde vervangingsinkomens worden berekend in het centrale model van maltese op basis van hetzelfde algemene principe: hun verloop houdt rekening met de loonevolutie, met het sociaal-beleidsscenario (loongrenzen, forfaitaire bedragen en welvaartsaanpassing)51 en met de evolutie van het aantal rechthebbenden aan of boven de loongrens52 (dat afhangt van de relatieve variatie van de loongrens ten opzichte van het loon in de privť-sector).
waarin Mg = gemiddeld bedrag van de uitkering van de betreffende groep
MEF = gemiddeld loon
TMAS = coŽfficiŽnt van de welvaartsaanpassing van de uitkeringen
TPLAF = groeivoet van de loongrenzen
PPg = aandeel rechthebbenden die aan de loongrens zitten
PPPg = aandeel rechthebbenden die niet aan de loongrens zitten
gg, lg = coŽfficiŽnten die op lange termijn verschillend zijn ten opzichte van de middellange termijn voor de welvaartsaanpassing en de groeivoet van de loongrens - zie de overgangsperiode gekoppeld aan de gemiddelde verblijfsduur van de rechthebbenden in de betreffende groep uitkeringsgerechtigden
FIGUUR 10 - Macro-economische projectie en projectie van de sociale uitgaven
i. Uitgaven voor werkloosheid en uitgaven voor loopbaanonderbreking
Gemiddelde werkloosheidsuitkering: per geslacht en per leeftijdsklasse...
De gemiddelde bedragen voor werkloosheidsuitkeringen worden berekend per geslacht. Voor elk geslacht wordt er een onderscheid gemaakt volgens de leeftijdsklasse van de werklozen: jonger dan 50 jaar of 50 jaar en ouder. De laatste groep bestaat vooral uit oudere werkloze. Voor elk van de vier groepen die op basis van de kruising van de twee criteria `geslacht' en `leeftijd' geÔdentificeerd zijn, worden twee gemiddelde bedragen voor werkloosheidsuitkeringen berekend:
... rekening houdend met de evolutie van het forfait...
waarin MU1 = gemiddeld bedrag van de werkloosheidsuitkeringen tegen het forfait
s = geslacht (mannen of vrouwen)
I = leeftijdsklasse (`jonger dan 50 jaar' of `50 jaar en ouder')
TAS = coŽfficiŽnt van de welvaartskoppeling (gedefinieerd per hypothese naargelang de loonstijging)
... en de evolutie van de uitkeringen aan werklozen die `niet aan het forfait' zitten.
- een gemiddelde werkloosheidsuitkering - voor de overige werklozen (i.e. niet aan het forfait) - die op basis van de algemene formule voor de berekening van de vervangingsinkomens geraamd wordt (zie hiervoor).
Uitkeringen voor loopbaanonderbreking
Ook de rva-uitkeringen voor voltijdse of deeltijdse loopbaanonderbrekingen worden berekend op basis van het aantal en de gemiddelde uitkering per hoofd. Het aantal loopbaanonderbrekingen evolueert op lange termijn zoals de vrouwelijke werkgelegenheid (privť- en overheidssector). De gemiddelde uitkering ontwikkelt zich volgens het sociaal-beleidsscenario inzake welvaartskoppeling van de forfaits (hoofdstuk III, kader p. 67).
ii. Uitgaven voor brugpensioen
Gemiddeld brugpensioen: per geslacht
De gemiddelde bedragen voor brugpensioen worden berekend per geslacht volgens de algemene formule voor de berekening van de vervangingsinkomens (zie hiervoor).
iii. Uitgaven voor arbeidsongeschiktheid
Gemiddelde vergoeding voor arbeidsongeschiktheid voor loontrekkenden
De gemiddelde bedragen voor invaliditeitsvergoedingen in de werknemersregeling worden berekend op basis van de algemene formule, per leeftijdsklasse van de invaliden: jonger dan 60 jaar of 60 jaar en ouder. Voor de personen jonger dan 60 jaar wordt een onderscheid gemaakt per geslacht.
Gemiddelde vergoeding voor arbeidsongeschiktheid voor de zelfstandigen
Ook in de regeling voor zelfstandigen wordt de vergoeding voor arbeidsongeschiktheid berekend per geslacht. Zoals voor het forfait van de werkloosheidsuitkering, evolueert de invaliditeitsvergoeding in functie van het sociaal-beleidsscenario inzake welvaartskoppeling.
waarin MIZ = gemiddeld bedrag van de vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid in de regeling der zelfstandigen
Andere gemiddelde vergoedingen: voor primaire arbeidsongeschiktheid, moederschap, zeelieden, mijnwerkers
Ook vergoedingen, uitbetaald door de ziv, voor primaire arbeidsongeschiktheid, moederschap en voor arbeidsongeschiktheid van zeelieden en mijnwerkers berusten op een eenvoudige berekening. De vergoedingen voor primaire arbeidsongeschiktheid volgen de evolutie van de vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid in de werknemersregeling. De moederschapsuitkeringen hangen af van het aantal geboortes (van de demografische projectie) en van het gemiddeld bedrag, in functie van de vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid in de werknemersregeling voor invalide vrouwen jonger dan 60 jaar. De uitkering voor arbeidsongeschiktheid aan zeelieden en mijnwerkers volgt het verloop van hun aantallen, die mettertijd bijna verdwijnen.
f. Kraamgeld en kinderbijslag
De alocfa-module berekent de evolutie van het volume kraamgeld en kinderbijslag...
De alocfa-module berekent de evolutie van het volume kraamgeld en kinderbijslag, rekening houdend met de evolutie van het aantal rechtgevende kinderen in de verschillende regelingen (werknemers, zelfstandigen en de openbare sector) die per leeftijdsklassen zijn verdeeld (0 - 5 jaar, 6 - 11 jaar, 16 - 25 jaar, ouder dan 25). Bij die berekening worden volgende parameters verondersteld constant te blijven:
FIGUUR 11 - De alocfa-module en het centraal model van maltese:
berekening van de uitgaven voor kraamgeld en kinderbijslag

De alocfa-module is van toepassing op de volgende elementen:

Op die manier wordt voor elk demografisch scenario de evolutie verkregen van het volume kraamgeld en kinderbijslag, tegen constante prijzen en voor alle regelingen door elkaar.

... die vervolgens berekend en verdeeld worden per regeling
In het centrale model van maltese worden de uitgaven voor kraamgeld en kinderbijslag berekend aan de hand van de evolutie van het volume kraamgeld en kinderbijslag en aan de hand van de parameters uit het sociaal-beleidsscenario inzake welvaartskoppeling van de forfaitaire bedragen. Vervolgens wordt de bekomen massa uitgaven opgedeeld per regeling, naargelang de evolutie van de verdeling van de beroepsbevolking per beroepsstatuut.
De gewaarborgde kinderbijslag die ook deel uitmaakt van de sociale zekerheid, volgt de evolutie van de kinderbijslag van de werknemersregeling en de regeling voor zelfstandigen.
g. Uitgaven voor gezondheidszorg
Uitgaven voor gezondheidszorg

De uitgaven voor gezondheidszorg vormen een andere belangrijke tak binnen de sociale prestaties. De projectie van die uitgaven (module sante) vloeit voort uit de demografische evolutie. Hierbij wordt rekening gehouden met een welbepaald profiel van de kosten voor gezondheidszorg per leeftijd en geslacht en met een extrapolatie van hun trendmatige groei in relatie tot het bbp.

De toekomstige langetermijnevolutie van de uitgaven voor gezondheidszorg is moeilijk te voorspellen. Men kan zich verwachten aan een belangrijke impact van de vergrijzing van de bevolking op die uitgaven omdat de kosten voor gezondheidszorg relatief veel hoger zijn bij oudere personen. De analyse van de historische evolutie van de uitgaven voor gezondheidszorg wijst nochtans op een overwegende invloed van twee ander determinanten: de medisch-technische vooruitgang en de relatieve voorrang van de gezondheidszorg in de inkomensbesteding55. Een econometrische schatting blijkt bijgevolg de meest geschikte methode om zowel demografische als niet-demografische determinanten te bepalen.

Effect van de vergrijzing
De impact van de vergrijzing op de uitgaven voor gezondheidszorg wordt geraamd op basis van steekproefgegevens over de kosten voor gezondheidszorg per leeftijd (i) en geslacht (s). De profielen die uit die representatieve steekproef voortvloeien voor een jaar t0, worden gestandaardiseerd opdat ze toegepast zouden kunnen worden op de volledige bevolking:
waarin css,i = uitgaven voor gezondheidszorg per leeftijd en geslacht in de steekproef
ns,i = bevolking van de steekproef per leeftijd en geslacht
csrs,i = standaardprofiel: relatieve kost per leeftijd en geslacht (de som van die relatieve kost over alle leeftijden, geslachten en soorten zorgen is gelijk aan ťťn)
Op basis van de standaardprofielen wordt voor elk projectiejaar een indicator (S) berekend, zodanig dat de evolutie van `S' overeenkomt met de toename van de uitgaven voor gezondheidszorg die enkel en alleen toe te schrijven is aan de veranderingen in de demografische structuur; dit in de veronderstelling dat de profielen van de kosten per leeftijd en geslacht constant blijven in de tijd56:
waarin St = index voor de impact van de vergrijzing op de uitgaven voor gezondheidszorg
Nt = totale bevolking
FIGURE 12 - Profielen per geslacht en leeftijdsklasse van de uitgaven voor gezondheidszorg in 1997
gestandaardiseerde profielen (in verhouding tot een gemiddelde uitgave van 1, alle leeftijden en geslachten door elkaar)57 
Historische trendmatige evolutie van de uitgaven voor gezondheidszorg
De historische trendmatige evolutie bevat het deel van de toename van de uitgaven voor gezondheidszorg - in relatie met het bbp - dat niet voortvloeit uit de demografische factor die hierboven is beschreven. Die trendmatige evolutie komt voort uit een dynamiek die de factoren aanbod58, vraag en beleidsdoelstellingen inzake gezondheidszorg combineert. Ze bestaat uit zowel volume-effecten als prijseffecten: in de nationale rekeningen wordt aangetoond dat de consumptieprijs van gezondheidszorg sterker toeneemt dan de prijsstijging van het bbp.
Na verscheidene econometrische testen is gekozen voor een eenvoudige en globale functie. De te verklaren variabele is de uitgaven voor de gezondheidszorg per hoofd, gedefleerd met de prijs van het bbp (om rekening te houden met het verschil tussen de prijsevolutie van de gezondheidszorg en die van het bbp59) en met de index voor de impact van de vergrijzing die hierboven is omschreven (om zo de consumptie van gezondheidszorg te verkrijgen overeenkomstig een "ongewijzigde leeftijdsstructuur"). Die te verklaren variabele hangt af van het reŽel inkomen per hoofd en van een autoregressieve term60. De langetermijnelasticiteit is groter dan 1 (1,2 in het begin van de projectieperiode).
waarin CSt = uitgaven voor gezondheidszorg
Pt = prijsindex van het bbp

De aldus bekomen uitgaven voor gezondheidszorg, worden vervolgens verdeeld over de werknemersregeling en de regeling voor zelfstandigen ŗ rato van de verdeling van de gerechtigden per regeling (beroepsbevolking en inactieven die een sociale uitkering trekken).

De overheidsuitgaven voor gezondheidszorg bevatten de uitgaven van de sociale zekerheid met betrekking tot de geneeskundige verzorging (regeling van werknemers en zelfstandigen, dosz en andere regelingen), bepaalde uitgaven van de federale overheid (vooral de tussenkomst in de ligdagprijzen in de ziekenhuizen), van de gewesten (sociale voorzieningen aan gehandicapten) en van de lokale overheden (medische prestaties van ocmw's aan behoeftigen inclusief verblijfskosten in bejaardentehuizen).

De overheidsuitgaven voor gezondheidszorg die niet ten laste zijn van de sociale zekerheid (volksgezondheid, tegemoetkoming voor gehandicapten, ocmw, ...) volgen in het algemeen de evolutie van het bbp.

FIGUUR 13 - De module sante en het centraal model van maltese: berekening van de uitgaven voor gezondheidszorg

4. Projectie van de overheidsrekeningen en budgettaire strategie

Uitgaven voor onderwijs
Naast de uitgaven voor sociale uitkeringen, zijn de uitgaven voor onderwijs ook gekoppeld aan de demografische evolutie van de bevolking, zowel wat volume als leeftijdsstructuur betreft. In tegenstelling tot de andere categorieŽn van de werkgelegenheid, is de evolutie van de werkgelegenheid in het onderwijs rechtstreeks gekoppeld aan de evolutie van de schoolbevolking (resultaat van de demografische en sociaal-economische projecties, zie supra). De bezoldigingen in het onderwijs volgen de algemene loonstijging. Er werd dus geen specifieke hypothese opgesteld voor de langetermijnevolutie van die bezoldigingen. De overige overheidsuitgaven voor onderwijs (aankoop van goederen en diensten, investeringen) zijn niet geÔsoleerd, maar maken deel uit van de overige uitgaven van de overheid. De geÔdentificeerde uitgaven voor onderwijs in de langetermijnprojecties van het systeem maltese hebben aldus enkel betrekking op de uitgaven voor de bezoldigingen van het onderwijspersoneel.
Budgettaire kost van de vergrijzing...
De budgettaire kost van de vergrijzing wordt vaak beschouwd als de impact van de demografische factor alleen, op de sociale uitgaven en het onderwijs. De aanpak van het fpb is algemener. Het houdt immers rekening met de impact van belangrijke extra-demografische factoren, zoals de trendmatige groei van de uitgaven voor gezondheidszorg voor een bepaalde leeftijdsklasse en geslacht. Voor de eenvoud noemen we `de toename van de sociale uitgaven en van het onderwijs in procent van het bbp over de beschouwde periode' de `budgettaire kost van de vergrijzing'.
Andere analyse-indicatoren worden bovendien uitgewerkt op basis van de sociaal-economische projecties en de sociale uitgaven: afhankelijkheidscoŽfficiŽnten en `macro-economische' vervangingsratio's (i.e. gemiddelde uitkeringen ten opzichte van de gemiddelde arbeidsinkomens).
... en overheidsrekening
Om de impact van de budgettaire kost van de vergrijzing op de budgettaire marges te kunnen bestuderen, bevat het maltese-model een blok dat het verloop van de ontvangsten en de uitgaven raamt die niet gekoppeld zijn aan de sociale bescherming en het onderwijs.
TABEL 4 - Overheidsrekening
Componenten van de overheidsrekening
Langetermijnprojectie: determinanten
 
ONTVANGSTEN
 
Effectieve bijdragen aan de sociale zekerheid: werknemers
bijdragevoet x loonmassa (= [werknemers x loon] + [niet-statutaire werkgelegenheid bij de overheid x bezoldiging per hoofd])
Effectieve bijdragen aan de sociale zekerheid: zelfstandigen
bijdragevoet x inkomens (= zelfstandigen x bedrijfsinkomen per hoofd)
Effectieve vrijwillige bijdragen aan de sociale zekerheid (dosz)
bijdragevoet x inkomens
Effectieve bijdragen aan de sociale zekerheid:
(1) bruggepensioneerden + werklozen + invaliden (2) gepensioneerden
bijdragevoet x overeenkomstige uitkeringen
Effectieve bijdragen aan de federale en lokale overheden
bijdragevoet x loonmassa (= statutaire werkgelegenheid bij de overheid x
bezoldiging per hoofd)
Fictieve bijdragen
rechtstreekse uitkeringen van de overheidssector
Belastingen
op de inkomsten uit arbeid: loonstijging (werknemers, zelfstandigen, overheidssector)
op de inkomsten uit kapitaal: groei van het bbp
Inkomen uit vermogen
sociale zekerheid: optellen van eventuele overschotten en rentevoet
andere overheden: loonstijging bij de overheid
Consumptieve bestedingen van de overheid: bezoldigingen
administratie, defensie, onderwijs: werkgelegenheid x gemiddelde bezoldiging
Consumptieve bestedingen van de overheid: aankopen en aflossingen
hypothese (groei van het bbp)
Consumptieve bestedingen van de overheid: sociale overdrachten in natura
(1) gezondheidszorg (sociale zekerheid): zie supra
(2) volksgezondheid, oorlogsinvaliden, ocmw (gezondheid en ouderen):
hypothese (groei van het bbp)
(3) tegemoetkomingen voor gehandicapten en kinderdagverblijf:
hypothese (groei van het bbp)
Subsidies en inkomensoverdrachten aan vennootschappen
 
subsidies aan bedrijven niet gekoppeld aan de pensioenena
hypothese (groei van het bbp)
subsidies aan bedrijven gekoppeld aan de pensioenen1 + pensioenen van de nmbs en De Post (voor 1997)
toename van de pensioenen van de overheidsbedrijven
Sociale overdrachten aan de gezinnen in geld: uitkeringen van de sociale zekerheid
(1) sociale uitkeringen voor pensioenen, brugpensioenen, werkloosheid, loopbaan-onderbreking, kinderbijslag, arbeidsongeschiktheid: zie supra
(2) bestaanszekerheid, beroepsziekten en arbeidsongevallen: loongroei van werknemers en niet-statutaire werkgelegenheid bij de overheid
(3) betalingen aan socialezekerheidsinstellingen van het buitenland: hypothese (groei van het bbp)
Sociale overdrachten aan de gezinnen in geld: uitkeringen van de overige overheden
(1) rechtstreekse uitkeringen van de overheidssector voor pensioenen en kinderbijslag: zie supra
(2) sociale uitkeringen in geld voor gehandicapten en pensioenen van de Tweede Wereldoorlog: toename van de pensioenen van de Inkomensgarantie voor Ouderen (igo) en van de gewezen kaders in Afrika
(3) rechtstreekse uitkeringen van de overheidssector voor arbeidsongevallen en invaliditeit van de militairen + sociale uitkeringen in geld voor bestaansminimum en overlevingspensioenen van de gemeenschappen en gewesten: hypothese (groei van het bbp)
Andere uitgaven (schadeverzekeringspremies, lopende overdrachten en overdrachten in kapitaal, netto-investeringen in vaste activa, veranderingen in voorraden, nettoaankoop van de niet-financiŽle activa)
hypothese (groei van het bbp)
RENTELASTEN VAN DE OVERHEIDSSCHULD
accumulatie van de overheidssaldi en rentevoet

1Raming.

De ontvangsten worden berekend op basis van een constante fiscale en parafiscale druk op lange termijn na eventuele wijzigingen meegerekend te hebben die al in de wetgeving zijn opgenomen. De ontvangsten zijn dus gekoppeld aan de evolutie van de meest pertinente macro-economische grondslag (loonmassa, winst of bbp).
De uitgaven die gekoppeld zijn aan de werkgelegenheid bij de overheid volgen uit de projectie van de werkgelegenheid en de lonen. De andere primaire uitgaven - sociale uitgaven niet meegerekend - zijn over het algemeen gekoppeld aan de evolutie van het bbp. De rentelasten hangen af van de langetermijnrentevoet (zie macro-economisch scenario) en van de schuldprojectie die voortvloeit uit de accumulatie van de overheidssaldi.
Modellering van de budgettaire marges
In het algemeen houdt het centraal model van maltese rekening met de begrotingsstrategie van de Belgische overheid. In het kader van de internationale oefeningen61 (oeso en Europese Unie) werd echter overeengekomen om de evolutie van de globale overheidsfinanciŽn en de schuldafbouw te simuleren aan de hand van een constante beleidshypothese, zonder rekening te houden met de nationale begrotingsstrategie. Die methodologie leidt tot weinig realistische projecties van de overheidsschuld, maar heeft het voordeel een internationale vergelijking mogelijk te maken.
In de nationale oefeningen62 daarentegen, wordt wel rekening gehouden met de Belgische begrotingsstrategie. In de langetermijnverkenningen van 199763, was de begrotingsstrategie gebaseerd op het Europese Stabiliteits- en Groeipact, gericht op het respecteren van het begrotingsevenwicht. De doelstellingen van het Belgische stabiliteitsprogramma liggen hoger en zijn gericht op toenemende begrotingssurplussen voor zover de demografische veroudering nog niet zijn volledige budgettaire effect bereikt.
Die strategie probeert te vermijden dat het geheel van de vrijgemaakte budgettaire middelen in het begin van de periode gebruikt zou worden voor een stijging van de uitgaven of een daling van de ontvangsten. Hierdoor wordt het risico beperkt om het budgettaire beleid opnieuw te moeten inbinden op het moment dat de budgettaire kost van de vergrijzing sterk toeneemt. De beschikbare budgettaire marges vloeien bijgevolg voort uit het verschil tussen het budgettaire saldo bij constant beleid en het begrotingspad dat door de regering vooropgesteld wordt.

1Er moesten aan de geobserveerde gegevens bepaalde aanpassingen worden aangebracht opdat de som van de potentiŽle beroepsbevolking en de inactieve bevolking gelijk zou zijn aan de totale bevolking (demografisch concept).

2M.a.w. de werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, de verplicht ingeschreven niet-werkende werkzoekenden, de vrij ingeschreven niet-werkende werkzoekenden, volgens de definitie van het Federale Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid. Zie woordenlijst.

3M.a.w. de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen. Zie woordenlijst.

4De pensioneringsgraad, volgens het zuiver boekhoudkundig concept voor de leeftijdsgroepen jonger dan 60 jaar, wordt eveneens met horblok berekend.

5Bijvoorbeeld, indien het beroepsgedrag van de 30-34-jarigen vandaag anders is dan dat van de 30-34-jarigen 5 jaar geleden, dan zal het beroepsgedrag van de 50-54-jarigen binnen 20 jaar anders zijn dan dat van de 50-54-jarigen binnen 15 jaar.

6De ontwikkeling van dit beginsel ligt aan de basis van het horblok-model waarmee de pensioneringsgraad volgens een `zuiver' boekhoudkundig concept wordt berekend (zie infra).

7Het horblok-model is een nieuwe component van het maltese-systeem; samen met de hormini-module vervangt het een gedeelte van het vroegere maltdemo-model, de modulen hor2040 en horbis die een top-down aanpak hadden (gebruikt in de vroegere versies van het maltese-systeem), en ook een gedeelte van de vroegere ramingen die binnen de modellen pension en public werden uitgevoerd. Zie kader p. 12.

8De instroom naar het overlevingspensioen is verminderd met de uitstroom te wijten aan andere redenen dan overlijden (hertrouwen of beginnen met een beroepsbezigheid). De instroom in het overlevingspensioen kan dus op bepaalde leeftijden negatief zijn of negatief worden.

8 nb. Die formule geldt niet voor de toetredingen tot het overlevingspensioen in de algemene regeling na de wettelijke pensioenleeftijd. In dat geval gaat het om gehuwde vrouwen ten laste van een gepensioneerd gezinshoofd, dus impliciet zijn die vrouwen reeds verrekend in het systeem via het `gezinsbedrag', vandaar dat hun intrede in het overlevingspensioen gebeurt met een stroom tussen de categorieŽn onderling (zie infra).

9Het schaarse aantal mannen met een overlevingspensioen wordt niet apart berekend in horblok.

10Bij hypothese wordt het gedrag inzake het al of niet gehuwd zijn van de gepensioneerden constant gehouden.

11Zie opgetekend demografisch gemiddelde. Er is geen rekening gehouden met de verdeling per leeftijd van dit leeftijdsverschil. Daar de berekening per jaar gebeurt, is de fout die door deze vereenvoudiging ontstaat zeer klein.

12En voor de vrouwen, vůůr de leeftijd van 65 jaar, tijdens de overgangsperiode van de pensioenhervorming in de algemene regeling voor werknemers en zelfstandigen (zie geleidelijke invoering van de hervorming - zie infra: kader p. 35).

12 Een klein aantal gepensioneerden gaat met pensioen na de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar: tot 70 jaar in de regeling van de werknemers en in de regeling van het openbaar ambt en de overheidsbedrijven, tot 80 jaar in de regeling der zelfstandigen. Alle pensioneringen op 65 jaar en ouder worden in ťťn keer berekend; dit totaal wordt dan over de verschillende leeftijden van de betrokken generatie verdeeld, rekening houdend met hun overlevingscoŽfficiŽnten.

13Verwijzend naar de toetredingskans op pensioen, die van toepassing is op elk van die groepen.

14Zie woordenlijst.

15horblok raamt het aantal gepensioneerden volgens het `zuiver' boekhoudkundig concept (zie woordenlijst).

16Zie woordenlijst.

17Van de overige inactieven kunnen alleen diegenen met pensioen gaan die tijdens hun leven gedurende een zekere periode een beroepsbezigheid uitgeoefend hebben. Bovendien komen onvolledige loopbanen vooral bij vrouwen voor en zijn er slechts heel weinig inactieve mannen zonder sociale uitkering. Men mag dus besluiten dat alleen vrouwen een pensioen kunnen aanvragen indien zij tot de "overige inactieven" behoren.

18De toetredingskans op pensionering van de overige inactieven (op de jongst mogelijke pensioneringsleeftijd) evolueert naargelang het verschil tussen de activiteitsgraad - van de betreffende generatie - op 30 - 34 jaar (of op 40 - 44 jaar voor de vrijwillige deeltijdse werkgelegenheid) en op 55 - 59 jaar.

19In alle in dit document besproken simulaties, wordt de globale gecumuleerde toetredingskans op pensionering op de waarde gehouden, die op het startpunt is geobserveerd: 1,32 voor de mannen en 1,16 voor de vrouwen. Andere hypothesen inzake de evolutie van de gecumuleerde toetredingskans kunnen alleen maar worden gesimuleerd na een aanpassing van de berekeningsmethode van het gemiddeld pensioenbedrag, in zoverre een verandering van de gecumuleerde toetredingskans een wijziging in de intensiteit van gemengde loopbanen inhoudt.

20Er bestaat geen invalidenstatuut in de regeling voor het openbaar ambt.

21Bij hypothese wordt het gedrag inzake het al of niet gehuwd zijn van de gepensioneerden constant gehouden.

22In de praktijk is de ontwikkeling van het aantal vrouwen dat met pensioen gaat in de categorie van de gehuwden met het bedrag voor alleenstaande, gekoppeld aan de ontwikkeling van de activiteitsgraad van de betrokken generatie op 30 - 34 jaar (of op 40 - 44 jaar in het geval van vrijwillige deeltijdse arbeid). Die berekeningen zijn per leeftijd uitgevoerd.

23Bij de berekening wordt rekening gehouden met een leeftijdsverschil van 3 jaar tussen de partners (i.e. geobserveerd demografisch gemiddelde). De man en zijn echtgenote behoren niet noodzakelijk tot dezelfde pensioenregeling.
Het percentage verrekende vrouwen op 65 jaar (i.e. hetzij ten laste van het gepensioneerde gezinshoofd of zelf gepensioneerd, hetzij beroepsactief of genietend van een ander vervangingsinkomen) wordt op het laatst waargenomen niveau behouden.

24Analoog aan die van de hor2040- en de horbis-modules, die vroeger in het maltese-systeem werden gebruikt.

25De mediaanjaren van de loopbaan van elk van de drie functies binnen de overheid, worden op het startpunt geraamd op basis van een gemiddelde loopbaanduur en de gemiddelde leeftijd van de gepensioneerden in elke functie.

26In dit stadium zijn enkel de macro-economische resultaten in volume van belang. De overige elementen van de macro-economische projectie (hoofdzakelijk de lonen) worden tegelijk behandeld met de berekening van de gemiddelde sociale uitkeringen (in punt II.C.3).

27Zie fenomeen van de cohorten.

28Zie woordenlijst.

29Zie woordenlijst.

30Voor de vrouwelijke werkgelegenheid in defensie wordt er rekening gehouden met een toename van de vrouwelijke vertegenwoordiging in deze overheidsfunctie. Die toename gebeurt ten nadele van de vrouwelijke vertegenwoordiging in de administratie. In totaal wordt de vrouwelijke vertegenwoordiging binnen de werkgelegenheid in de overheidssector niet beÔnvloed.

31Zie woordenlijst.

32Zie woordenlijst.

33Het algemeen gemiddeld pensioen bevat ook het vakantiegeld en de renten uit het vroegere kapitalisatiestelsel, overeenkomstig de pensioenmassa zoals die in de esr is omschreven. Elk van die uitkeringen wordt geraamd met een specifieke methodologie volgens de geldende berekeningsregels.

34Zie berekeningen van het horblok-model, punt II.C.2.b, p. 23.

35Omdat de gemiddelde pensioenbedragen nog niet zijn opgesplitst per leeftijd, wordt impliciet de hypothese gemaakt dat de uitstromen uit een categorie van gepensioneerden - andere dan die wegens overlijden van de gepensioneerde of zijn partner - de inkomensverdeling binnen de categorie niet veranderen (zie supra: coŽfficiŽnt die rekening houdt met het opschuiven van de opeenvolgende generaties).

36Op basis van een fictieve volledige loopbaan indien de echtgenoot nog niet gepensioneerd was.

37Op basis van een fictieve volledige loopbaan van de overleden echtgenoot of de overleden echtgenote.

38D.w.z. zonder het ingaan van het overlevingspensioen (zelfs eventueel gecumuleerd met een rustpensioen) vermits de betreffende weduwen voorheen verrekend werden als `vrouw ten laste' - zie supra.

39De recente pensioenhervorming verlengt geleidelijk de duur van een volledige loopbaan van de vrouw: van 40 jaar eind juni 1997 tot 45 jaar vanaf 2009 (zie kader pagina 35).

40Maximum 45 jaar (vanaf 2009 voor de vrouwen - zie lopende pensioenhervorming).

41Het bedrag van het minimumrecht komt overeen met het minimumloon op de leeftijd van 21 jaar.

42Basisgegevens uit steekproeven, uitgevoerd door de rvp in 1988 en 1992 (1000 dossiers inzake het pensioneringsgedrag: 200 vrouwen van 60 jaar, 200 mannen van 60 jaar, telkens 100 mannen van 61, 62, 63, 64 jaar en 200 mannen van 65 jaar). In de projectie is er rekening gehouden met de toenemende scholing en beroepsdeelname van de opeenvolgende leeftijdsgeneraties vrouwen.

43De berekening van bedoelde coŽfficiŽnt is gebaseerd op de verdeling van de inkomensklassen in 1958, 1965, 1974, 1986, 1997 (bron: riziv). Er wordt rekening gehouden met de voorwaarden: minimum 15 loopbaanjaren in een uurrooster van tenminste ťťn derde van een fulltime job.

44D.w.z. periodes met een recht op een brugpensioen, een werkloosheidsuitkering, een ziekte- of uitkering voor arbeidsongeschiktheid in de werknemersregeling.

45Ambtenaren van niveau 4 zijn het minst gekwalificeerd, ambtenaren van niveau 1 zijn het meest gekwalificeerd.

46Administratie der Pensioenen en eigen berekeningen.

47Een man uit niveau 1, zo blijkt, gaat gemiddeld op 62 jaar op pensioen. Aan de nieuwgepensioneerde mannen van 62 jaar uit niveau 1 wordt bijgevolg een loopbaan van 38 jaar gekoppeld. De 61-jarige mannen uit niveau 1 worden dan verondersteld slechts een loopbaan van 37 jaar te hebben doorlopen, een 63-jarige ťťn van 39 jaar enz. Zo bekomt men een gemiddeld pensioenbedrag voor de nieuwgepensioneerden per geslacht, per leeftijd (60 tot en met 65 jaar) en per niveau.

48Hierop bestaan, binnen de administratie, een aantal uitzonderingen, o.a. voor de magistratuur, maar hun aandeel in de totale administratie is dusdanig klein, dat er in het model geen rekening mee wordt gehouden.

49Voor een andere bijzondere regeling van overheidsgepensioneerden, nl. de gewezen kaders in Afrika (die door hun overlijden geleidelijk verdwijnen), werd eveneens een gemiddeld pensioen berekend, dat op een analoge wijze geraamd werd zoals voor de gepensioneerden in de regeling van het openbaar ambt buiten de functie administratie.

50Een gemiddeld pensioen wordt ook berekend voor de rechthebbenden van de Inkomensgarantie voor Ouderen (igo) - waarvan het aantal parallel evolueert met het totale aantal gepensioneerden - volgens een methodologie die analoog is met de methodologie om het pensioen van de zelfstandigen te berekenen. Het verloop hangt af van het sociaal-beleidsscenario voor wat de welvaartsaanpassingen van de forfaitaire bedragen betreft en van de loongrens - in negatieve zin - voor wat de Inkomensgarantie voor Ouderen betreft ter aanvulling van het pensioen (bij korte loopbanen).

51Alternatieve scenario's inzake sociaal beleid kunnen dus getest worden.

52Zie woordenlijst.

53Namelijk minstens 15 maanden werkloos, eventueel langer.

54Ter herinnering: die maatregelen bevatten onder andere de leeftijdstoeslag die opgetrokken wordt van 16 naar 18 jaar, een vermindering met 50 % van de leeftijdstoeslag van het eerste kind, het blokkeren van de indexering van de leeftijdstoeslag.

55S. Jacobzone [2001].

56Die hypothese van constante profielen in de tijd (omdat de historische gegevens terzake ontbreken) moet met de nodige voorzichtigheid benaderd worden. Die profielen kunnen bijvoorbeeld veranderen omwille van technisch-medische ontwikkelingen die in het bijzonder gericht zijn op welbepaalde leeftijdsklassen. Bovendien kunnen ze gevoelig zijn voor de hogere levensverwachting, voor zover bepaalde uitgaven enkel zouden samengaan met het overlijden of zich enkel voordoen tijdens de jaren die aan het overlijden voorafgaan.

57Berekeningen fpb op basis van steekproefgegevens.

58Namelijk de vooruitgang in de medische technologie die zich vertaalt in nieuwe hypergespecialiseerde apparatuur, een hoger technisch karakter van de verstrekkingen, vakkundigere zorgverstrekkers, een uitgebreider gamma aan therapieŽn,...

59De moeilijkheid voor de nationale boekhouding om zowel volume- als prijseffecten apart af te lijnen, in een sector waar de technologische ontwikkelingen snel gaan en waarvan de output in goederen en diensten dus weinig homogeen is in de tijd, rechtvaardigt een aggregatie van beide effecten.

60Andere verklarende variabelen zoals de productiviteit of het gemiddeld terugbetalingstarief door de ziekteverzekering bleken weinig significant te zijn.

61Waarvan de resultaten in hoofdstuk IV aan bod komen.

62Waarvan de resultaten in hoofdstuk III aan bod komen.

63N. Fasquelle, S. Weemaes [1997].

 
 Verkenning van de financiŽle evolutie van de sociale zekerheid 2000 - 2050