F 2 Gezinsgrootte
De evolutie van de gezinsgrootte en van het aantal gezinnen heeft economische, sociale en milieugevolgen. De economische en milieugevolgen hebben vooral te maken met de consumptiepatronen van de gezinnen, namelijk de wijze waarop ze in hun behoeften voorzien. Elk gezin wil immers over een eigen onroerend goed en verschillende roerende goederen beschikken: koelkasten, wasmachines, tv's, computers, wagens... Een toename van het aantal gezinnen leidt dus tot een stijging van de vraag naar die roerende en onroerende goederen. Die grotere vraag draagt bij tot de economische groei. De groei van de productie en de consumptie van die goederen oefenen echter druk uit op het milieu via de energieconsumptie, de vervuiling, de afvalproductie...
De stijging van het aantal gezinnen kan gepaard gaan met een daling van de gezinsgrootte. De roerende en onroerende goederen die elk gezin aankoopt, zijn dan bestemd voor een kleiner aantal personen. Dat verklaart waarom kleinere gezinnen per persoon meer verbruiken dan grotere gezinnen. Door de kleinere gezinsgrootte wordt de druk op het milieu per inwoner groter. Die daling van de gezinsgrootte heeft trouwens ook sociale gevolgen. Het armoederisico ligt namelijk hoger in gezinnen die bestaan uit slechts een volwassene (met of zonder kinderen). De kleinere gezinsgrootte is dus een factor van sociale uitsluiting. In een vergrijzende samenleving moet daarmee rekening worden gehouden, aangezien veel ouderen alleen wonen.
Het gezin "bestaat uit een persoon die gewoonlijk alleen leeft, ofwel uit twee of meer personen die, al dan niet door familiebanden verbonden, gewoonlijk eenzelfde woning betrekken en er samenleven" (FOD Economie - ADSEI, 2004).
Het gemiddelde aantal personen per gezin wordt berekend door de totale bevolking te delen door het aantal gezinnen (afgezien van de collectieve gezinnen: kloostergemeenschappen, bejaardentehuizen...).
België - Omdat er sinds 1970 jaarlijks een daling van het gemiddelde aantal personen per gezin opgetekend wordt, en de bevolking traag toeneemt, stijgt het aantal gezinnen (zie figuur 2). In 2005 bestond een gezin in België uit gemiddeld 2,35 personen tegenover 2,98 personen in 1970. De Belgische bevolking groeit sinds 1970 in een gemiddeld tempo van 0,3 % per jaar. Zo is ze met 10 % gestegen tussen 1970 en 2007 en met 6,4 % tussen 1990 en 2007. Het aantal gezinnen stijgt sinds 1970 in een sneller tempo dan de bevolking. Er was een toename van 37,3 % tussen 1970 en 2005 en van 12,1 % tussen 1990 en 2005.
|
Figuur 2 Gemiddelde aantal personen per gezin in België, 1970-2007
|
|---|
|
| Bron INS, 1975, 1987, 1997, 1999; FOD Economie - ADSEI, 2004, 2008. |
Het aandeel van de eenpersoonsgezinnen in het totale aantal gezinnen is aanzienlijk gestegen. Dat aandeel is bijna verdubbeld tussen 1970 en 2005: van 18,78 tot 33,00 %. In 2005 bestond een gezin op drie uit 1 persoon (zie figuur 3).
|
Figuur 3 Aandeel van de eenpersoonsgezinnen in België, 1970-1981-1990-2005
|
|---|
|
| Bron FOD Economie - ADSEI, 2008. |
Europese Unie - In de EU wordt dezelfde trend waargenomen: het gemiddelde aantal personen per gezin daalt, het aantal gezinnen stijgt en het aantal eenpersoonsgezinnen stijgt. In 2003 bedroeg in de EU-27 het gemiddelde aantal personen per gezin 2,40 personen, tegenover 2,58 in 1995 en 2,86 in 1980 (Eurostat, 2008).
Wereld - Hoofdstuk 5 van Agenda 21 (1992) gaat over demografische ontwikkelingen en duurzaamheid. In 1994 nam de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling een actieprogramma voor de volgende twintig jaar aan dat de gezinsplanning en de gezinssamenstelling behandelt (UNFPA, 1995).
Europese Unie - De Vernieuwde EU-Strategie inzake duurzame ontwikkeling (2006) omvat verschillende sociale thema's die de Europese Raad van Lissabon op de politieke agenda heeft gezet, maar de gezinsgrootte komt er niet in aan bod.
België - Dit vraagstuk komt evenmin aan bod in de eerste twee Federale plannen inzake duurzame ontwikkeling.
Eurostat (2008). Sustainable development - Sustainable consumption and production - Number of households. http://ec.europa.eu/eurostat (geraadpleegd op 06/05/2008).
FOD Economie - ADSEI (2004). Bevolking en huishoudens. Huishoudens en familiekernen. Brussel: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie.
FOD Economie - ADSEI (2008). Statistieken - Bevolking - Huishoudens. http://www.statbel.fgov.be/
INS (1975). Recensement de la population au 31 décembre 1970. Tome 6. Ménages et noyaux familiaux. A. Royaume, provinces, arrondissements et régions linguistiques. Bruxelles: Institut national de statistique.
INS (1987). Recensement de la population et des logements au 1° mars 1970. Tome 6. Ménages et noyaux familiaux. A. Royaume, régions, provinces et arrondissements. Bruxelles: Institut national de statistique.
INS (1997). Statistiques démographiques. N°3. Nombre et taille des ménages en Belgique. Evolution annuelle du 1.1.1990 au 1.1.1997. Bruxelles: Institut national de statistique.
INS (1999). Statistiques démographiques. N°1. Ménages et noyaux familiaux au 1.1.1998. Bruxelles: Institut national de statistique.
UNFPA (1995). Master Plans for Development. Summary of the ICPD Programme of Action.http://www.unfpa.org/icpd/summary.cfm (geraadpleegd op 15/09/2008).
Agenda 21: Verenigde Naties (1992). http://www.plan.be/websites/ferado/pdf/a21_n.pdf (geraadpleegd op 17/08/2009).
FPDO 2000-2004: Belgische federale regering (2000). Federaal plan inzake duurzame ontwikkeling 2000-2004.
FPDO 2004-2008: Belgische federale regering (2004). Federaal plan inzake duurzame ontwikkeling 2004-2008.
Vernieuwde strategie inzake duurzame ontwikkeling: Europese Raad (2006). Vernieuwde EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling. Aangenomen door de Europese Raad van 15 en 16 juni 2006. Document 10917/06.
















