Fragiliteit van de financiële structuur van de niet-financiële ondernemingen in de marktsector in België in 2007 en 2010 (02/08/2012)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Daar waar 2007 in België nog een topjaar was met veel startende ondernemingen en een stijgende werkgelegenheid, brak eind 2008 de wereldwijde financiële crisis uit die leidde tot een economische recessie in 2009. In deze studie wordt, op basis van informatie uit gepubliceerde jaarrekeningen, de financiële situatie van Belgische niet-financiële ondernemingen in 2007, het jaar vóór de financiële crisis, vergeleken met de situatie in 2010, het meest recente jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn en tevens een jaar waarin er een licht herstel werd vastgesteld. Er werd ook nagegaan of een zwakke score voor een aantal financiële ratio’s in 2007, voor een deel kan verklaren waarom sommige ondernemingen in de periode 2008-2010 in de problemen kwamen (bijvoorbeeld een faillissement).

De fragiliteit van de niet-financiële ondernemingen in België

Het onderzoek naar de financiële gezondheid van niet-financiële ondernemingen in de marktsector gebeurt gewoonlijk op basis van individuele bedrijfsgegevens. In België is de databank van jaarrekeningen van ondernemingen hiervoor uitstekend geschikt. Voor het boekjaar 2010 werden voor de studie 312 485 jaarrekeningen gebruikt. Traditioneel worden drie financiële kernvariabelen berekend, die uitgaan van de rubrieken uit de jaarrekeningen: de liquiditeitsratio, de solvabiliteitsratio en de rendabiliteitsratio. In de studie werden deze ratio’s gebruikt en eventueel aangevuld met complementaire indicatoren. De resultaten tonen een aantal markante evoluties.
  • 87% van alle ondernemingen die in 2007 actief waren, bestonden nog steeds in 2010 en hebben dus de financiële crisis van 2009 overleefd. Voor vergelijkbare periodes van drie jaar lag die verhouding in de voorgaande jaren hoger en schommelde tussen 89 % en 90 %.
  • Fragiele ondernemingen worden gedefinieerd als ondernemingen die tegelijkertijd slecht scoren op basis van de drie criteria. Het aantal werknemers dat in 2007 in fragiele ondernemingen werkzaam was, bedroeg 54 697 voltijdse equivalenten. Tussen 2007 en 2010 groeide het aantal fragiele ondernemingen en steeg ook het aantal voltijdse equivalenten in fragiele ondernemingen met 2 513 tot 57 210 voltijdse equivalenten. Het aandeel van de werknemers in fragiele ondernemingen in de totale werkgelegenheid steeg van 3,0 % in 2007 tot 3,3 % in 2010. De industrie werd opmerkelijk minder getroffen, met een daling van het aandeel en aantal werknemers in fragiele ondernemingen (van 2,0 % in 2007 tot 1,8 % in 2010). In de dienstensector steeg zowel het aantal fragiele ondernemingen, als het aantal werknemers in die ondernemingen (van 3,8 % in 2007 tot 4,1 % in 2010).
  • In de groep van ondernemingen die in 2007 en niet in 2010 een jaarrekening neerlegden waren er meer ondernemingen, dan voor de ondernemingen die in zowel 2007 als 2010 een jaarrekening hebben neergelegd, met een fragiele financiële structuur. Er werden 21,1 % van die ondernemingen geklasseerd als financieel ongezond waarbij 10,2 % van het personeelsbestand was betrokken.
  • De gemiddelde liquiditeit van ondernemingen bleef stabiel en voldeed aan het criterium waarbij de helft van vlottende passiva wordt gedekt door de vlottende activa zonder voorraden. De solvabiliteit, gemeten als de verhouding van het eigen vermogen ten opzichte van de schulden op meer dan één jaar, bleef eveneens stabiel met een gemiddelde score op ondernemingsniveau van 60 %, beduidend boven de kritische drempel van 50 %. De enige ratio waarvoor er een achteruitgang merkbaar is, is de nettorendabiliteit, (verhouding van het nettoresultaat vóór belastingen en vóór aftrek van financiële kosten van het vreemd vermogen tot het totaal van de activa) die gemiddeld daalde met 0,6 procentpunt van 6,2 % in 2007 tot 5,6 % in 2010.
  • Indien de 25 bestudeerde bedrijfstakken worden gerangschikt volgens hun financiële gezondheid, dan is zowel in 2007 als in 2010 de bedrijfstak “vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen” best gerangschikt met het laagste aandeel van fragiele ondernemingen en staat de bedrijfstak “verschaffen van accommodatie en maaltijden” op de laatste plaats met het hoogste aandeel fragiele ondernemingen.
  • In de rangschikking volgens aantal werknemers in fragiele ondernemingen blijft de bedrijfstak “verschaffen van accommodatie en maaltijden” op de laatste plaats. In 2007 stond de raffinage als best geklasseerd. In 2010 had de chemische industrie, relatief gezien, het minste aantal werknemers werkzaam in fragiele ondernemingen.
  • De bouwnijverheid en de vastgoedsector werden in de periode 2007-2010 minder sterk getroffen door de financiële crisis. Enkel de bouwpromotoren zagen hun bedrijfsactiviteiten verminderen maar de kleinere bouwondernemingen in de loodgieterij, de elektriciteit of de installatie van verwarming kenden zelfs een groei.

Factoren die een rol spelen bij de faling van ondernemingen

Het aantal ondernemingen waarvoor een faillissementsprocedure werd geopend, verdrievoudigde in 2009 t.o.v. 2008 en nam in 2010 nog licht toe. Ook andere problemen, zoals de vervroegde ontbinding of de sluiting van een vereffening, stegen redelijk snel in 2009 en 2010. Er was verder nog een opmerkelijk sterke stijging van de sluiting van faillissementen waarbij onregelmatigheden werden vastgesteld (zogenaamd faillissement met niet-verschoonbaarheid) in 2009 en vooral in 2010. In verhouding tot het aantal startende ondernemingen bleef het aantal faillissementen echter vrij laag.
De kans dat ondernemingen failliet gaan of worden vereffend, hangt af van de financiële ratio’s, de bedrijfstak van de onderneming, maar ook van de macro-economische situatie en van bedrijfsspecifieke kenmerken die moeilijk te kwantificeren zijn.
De waarde voor de drie beschouwde financiële ratio’s van de ondernemingen in 2007 blijkt voor een deel te kunnen verklaren dat ondernemingen in de problemen zijn gekomen in de periode 2008-2010. Hoe lager de liquiditeit, de solvabiliteit of de rendabiliteit van een onderneming in 2007, hoe groter de kans dat een faillissementsprocedure werd opgestart in 2008, 2009 of 2010. Een hoge productiviteit in 2007 of het feit dat een onderneming een Belgisch of een buitenlands bedrijf als aandeelhouder had verkleinde aanzienlijk de waarschijnlijkheid dat die onderneming in de periode 2008-2010 in de problemen kwam. Een specifiek bedrijfstakeffect wijst op een hoger risico op problemen, dat niet verklaard kan worden door het feit dat ondernemingen in die bedrijfstak gemiddeld slecht scoren op de financiële ratio’s of de andere variabelen. Voor de meeste bedrijfstakken was dit risico overigens hoger in 2009 en 2010 dan in 2008, wat verklaard kan worden door de verslechterde macro-economische situatie. Dit was voor 2009 vooral het geval voor telecommunicatie, beveiligings- en opsporingsdiensten en vervaardiging van informaticaproducten en elektronische en optische producten en voor 2010 voor de bedrijfstak posterijen en koeriers. Het feit dat een onderneming in 2007 slecht presteerde op de drie financiële ratio’s, verhoogde de kans dat die onderneming in 2010 een faillissementsprocedure afsloot in geval van niet-verschoonbaarheid.

  Thema's

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots