Page Title

Nieuws

Deze rubriek toont alle actualiteit m.b.t. het FPB, gaande van de meest recente studies, persberichten, en artikels tot aankondigingen van toekomstige publicaties, workshops, colloquia…

Gematigd herstel van de Belgische economische activiteit in een context van lage inflatie (25/06/2014)

!

Bovenstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in PDF-formaat hieronder of in het kader 'PDF & downloads' rechtsbovenaan.

Volgens de ‘Economische vooruitzichten 2014-2019’ zou het mondiaal en Europees herstel ervoor zorgen dat de Belgische economie opnieuw aanknoopt met een gematigde groei in een context van lage inflatie.

  • Na een recessie die anderhalf jaar aansleepte, knoopte de eurozone in de loop van 2013 opnieuw aan met een positieve kwartaalgroei. Op jaarbasis zou het bbp in 2013 echter nog zijn gedaald met 0,4%. De herneming zou zich vertalen in een groei van 1,1% dit jaar, die verder aantrekt vanaf 2015 (gemiddeld 1,5% tot 2019). De Belgische bbp-groei zou iets hoger blijven dan gemiddeld in de eurozone: 1,4% in 2014, 1,8% in 2015 en gemiddeld 1,6% over de periode 2016-2019.
  • Tijdens de periode 2014-2019 zou de groei van de verwerkende nijverheid nauw aansluiten bij de bbp-groei (gemiddeld 1,6% per jaar). De toegevoegde waarde van de bouwsector en de verhandelbare diensten zou iets sneller groeien (1,8% per jaar). Het aandeel van de verwerkende nijverheid in de totale Belgische toegevoegde waarde zou dus vrijwel stabiel blijven; het aandeel van de marktdiensten zou stijgen maar merkbaar trager dan in het vorige decennium.
  • De binnenlandse werkgelegenheid zou dit jaar een zeer bescheiden stijging inzetten (0,3%). De werkgelegenheid in de verhandelbare diensten ligt daaraan ten grondslag met een toename van 28 000 eenheden, terwijl de werkgelegenheid zou blijven krimpen in de andere bedrijfstakken en in het bijzonder in de verwerkende nijverheid (-10 000 eenheden). Vanaf volgend jaar zou de netto jobcreatie verder aantrekken tot gemiddeld 32 000 banen per jaar. In de verhandelbare diensten zou de werkgelegenheid met 192 000 eenheden toenemen over de periode 2015-2019 en in de verwerkende nijverheid zou de daling beperkt blijven tot 30 000 eenheden.
  • De zwakke jobcreatie in 2014 zou niet volstaan om de stijging van de beroepsbevolking op te vangen, waardoor het aantal werklozen (inclusief de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen) verder toeneemt (+9 000 eenheden). Vanaf volgend jaar zou het aantal werklozen echter wel beginnen dalen. Tijdens de periode 2015-2019 zou het aantal werklozen met 81 000 eenheden afnemen, zodat de werkloosheidsgraad (volgens het geharmoniseerde Eurostat-concept) zou krimpen van 8,5% in 2014 tot 7,3% in 2019.
  • De Belgische inflatie, die gemeten wordt aan de hand van het nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen (NICP), zou dit jaar verder afkoelen (0,7%, tegenover 1,1% in 2013 en 2,8% in 2012). Ze zou relatief zwak blijven in 2015 (1,1%), aangezien de energieprijzen blijven dalen. Op middellange termijn zou de groei van het NICP aantrekken, maar niet meer dan 1,6% bedragen.
  • Het tekort van de gezamenlijke overheid daalde in 2013 aanzienlijk tot 2,6% van het bbp. Dat gebeurde in economisch ongunstige omstandigheden en kan worden toegeschreven aan zowel structurele als eenmalige budgettaire maatregelen. In 2014 en 2015 heeft het wegvallen van die eenmalige maatregelen een impact op de evolutie van het overheidstekort, dat, zonder nieuwe maatregelen, licht zou toenemen (tot 2,7% in 2014 en 2,8% in 2015). Daarna zou het langzaam krimpen van 2,5% van het bbp in 2016 tot 2,2% in 2019.
  • Het verschil tussen de doelstelling van het Stabiliteitsprogramma voor 2017 (nominaal overschot van 0,6% van het bbp) en het geraamde tekort zonder nieuwe maatregelen (-2,4%) bedraagt 3,0% van het bbp. Om die kloof te overbruggen, zijn aanzienlijke budgettaire maatregelen nodig.
  • Deze Vooruitzichten houden rekening met de zesde staatshervorming. Zonder informatie over de beleidsmaatregelen die de gefedereerde entiteiten zullen nemen in het kader van hun nieuw verkregen bevoegdheden, wordt verondersteld dat de entiteiten de huidige bepalingen handhaven. In dat geval leidt de hervorming tot een herverdeling van de tekorten tussen de verschillende beleidsniveaus via een lastenoverdracht naar de gefedereerde entiteiten ten belope van 0,3% van het bbp in 2015 en 0,6% vanaf 2016. Deze Vooruitzichten houden geen rekening met maatregelen die de gefedereerde entiteiten vermoedelijk zullen nemen om die lastenoverdracht te compenseren. Bij ongewijzigd beleid zou het tekort van entiteit I (federaal niveau, met inbegrip van de sociale zekerheid) aldus afnemen van 2,7% van het bbp in 2014 tot 1,9% in 2016, terwijl het tekort van entiteit II (gefedereerde entiteiten en lagere overheid) zou toenemen van 0,1% van het bbp in 2014 tot 0,6% in 2016.

De eurozone zou opnieuw aanknopen met een positieve groei tijdens de periode 2014-2019

Na een recessie die anderhalf jaar aansleepte, knoopte de eurozone in de loop van 2013 opnieuw aan met een positieve kwartaalgroei. Op jaarbasis zou het bbp echter nog zijn gedaald met 0,4%. Dankzij het aanzienlijke vertrouwensherstel, een minder restrictief begrotingsbeleid en een sterkere uitvoer zou het bbp van de eurozone in 2014 groeien met 1,1%. De Europese Unie zou het in haar geheel genomen beter doen met een bbp-groei van 1,5%. De herneming zou zich bestendigen in 2015, waardoor de groei zou uitkomen op 1,5% voor de eurozone en 1,8% voor de EU als geheel. Over de periode 2016-2019 zou de gemiddelde groei respectievelijk 1,5% en 1,9% bedragen.

Onder invloed van de aanhoudende daling van de grondstoffenprijzen en een nog steeds gematigde onderliggende inflatie zou de inflatie in de eurozone in 2014 verder afkoelen tot 0,8%, wat ruimschoots lager is dan de middellangetermijndoelstelling van de Europese Centrale Bank. De inflatie zou pas vanaf 2015 geleidelijk aantrekken en aan het einde van de projectieperiode uitkomen op 1,6%.

Het Belgisch bbp zou iets sneller groeien dan dat van de eurozone

Na verschillende kwartalen van negatieve groei zette de Belgische economie in het tweede kwartaal van 2013 een herstelbeweging in (+0,2% ten opzichte van het eerste kwartaal) dankzij een herneming van de uitvoer. De bbp-groei trok in de tweede jaarhelft verder aan met 0,3% per kwartaal onder invloed van het internationaal conjunctuurherstel. Door een ongunstig startpunt bleef de jaargroei van het Belgisch bbp evenwel beperkt tot 0,2%. In 2014 zou de uitvoergroei verder aantrekken (+2,3%) en zou de binnenlandse vraag hernemen (+1,2%), wat resulteert in een bbp-groei van 1,4% op jaarbasis. Dat herstel zou aan kracht winnen in 2015 (1,8%). Daarna zou de Belgisch bbp-groei gemiddeld 1,6% per jaar bedragen.

In de periode 2014-2019 zou de groei van de verwerkende nijverheid nauw aansluiten bij de bbp-groei (gemiddeld 1,6% per jaar). De dynamiek van de woningbouw zorgt voor een groei van de toegevoegde waarde in de bouwnijverheid van 1,8% per jaar. De verhandelbare diensten zouden een gelijkaardige groei kennen (1,8% per jaar), terwijl de landbouw (1,1%), energie (0,8%) en de niet-verhandelbare diensten (0,8%) achterblijven. Het aandeel van de verwerkende nijverheid in de totale Belgische toegevoegde waarde zou zich vrijwel stabiliseren (12,4% in 2013 en 12,3% in 2019 in nominale termen); het aandeel van de marktdiensten zou stijgen maar merkbaar trager dan tijdens het vorig decennium (57,9% in 2000, 62,5% in 2013 en 63,6% in 2019).

De stijging van de prijzen en de lonen zou beperkt blijven

De verdere afkoeling van de inflatie die wordt verwacht voor 2014 (0,7% voor zowel het NICP als de gezondheidsindex) is opnieuw het gevolg van het prijsverloop van de energieproducten, maar ook van de niet-bewerkte levensmiddelen. De inflatie zou relatief laag blijven in 2015 (1,1%), aangezien de energieprijzen blijven dalen. Op middellange termijn zou de groei van het NICP aantrekken, maar beperkt blijven tot gemiddeld 1,6 % per jaar. Dat is aanzienlijk lager dan de inflatie tijdens de periode 2008-2013 (2,3%).

In 2014 zouden de nominale bruto-uurlonen in de ondernemingen toenemen met 0,9%, onder invloed van de indexering en het verdwijnen van de carenzdag voor arbeiders. De nominale arbeidskosten per uur zouden iets trager groeien (0,8%), gelet op nieuwe werkgeversbijdrageverminderingen en een versterking van de loonsubsidies. Over de periode 2015-2019 zou de groei van de arbeidskosten gemiddeld 2,2% per jaar bedragen. De nieuwe werkgeversbijdrageverminderingen en de loonsubsidies remmen de stijging van de arbeidskosten af, maar komen ook de werknemers ten goede in de vorm van een stijging van de brutolonen. Voor de nominale bruto-uurlonen betekent dat een gemiddelde jaargroei van 2,3%, zodat, bij een indexering van ongeveer 1,4% per jaar, de groei van de bruto-uurlonen vóór indexering 0,9% per jaar zou bedragen.

Zwakke werkgelegenheidsgroei in 2014, gevolgd door een sterkere herneming

In 2014 zou de jobcreatie een zeer bescheiden herstel inzetten (0,3%). De werkgelegenheid in de verhandelbare diensten ligt daaraan ten grondslag met een toename van 28 000 eenheden, terwijl de werkgelegenheid zou blijven krimpen in de andere bedrijfstakken en in het bijzonder in de verwerkende nijverheid (-10 000 eenheden). Pas vanaf volgend jaar zou de netto jobcreatie aantrekken tot gemiddeld 32 000 banen per jaar over de periode 2015-2019. In de verhandelbare diensten zou de werkgelegenheid tijdens die periode met 192 000 eenheden toenemen en in de verwerkende nijverheid zou de terugval beperkt blijven tot 30 000 eenheden.

De zwakke jobcreatie in 2014 zou niet volstaan om de stijging van de beroepsbevolking op te vangen, waardoor het aantal werklozen (inclusief de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen) verder toeneemt (+9 000 eenheden). Vanaf volgend jaar zou het aantal werklozen echter wel beginnen dalen. Tijdens de periode 2015-2019 zou hun aantal afnemen met 81 000 eenheden, zodat de werkloosheidsgraad zou krimpen van 12,5% in 2014 tot 10,8% in 2019 en dus opnieuw het niveau van het begin van de jaren negentig zou bereiken. Berekend volgens het geharmoniseerde Eurostat-concept (op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten), zou de werkloosheidsgraad op 7,3% uitkomen in 2019, tegenover 8,5% in 2014.

Stabilisering van de broeikasgasemissies

De broeikasgasemissies zouden zich stabiliseren in de loop van de projectieperiode. In 2019 zouden ze uitkomen op 112 miljoen ton (Mt) CO2-equivalenten, of ruim 20% minder dan in het referentiejaar (1990; 1995 voor de gefluoreerde gassen). Die evolutie wordt o.m. verklaard door de jaarlijkse vermindering van de energiegebonden CO2-emissies als gevolg van de structurele trend om meer gebruik te maken van minder vervuilende of hernieuwbare energiebronnen. Ook de emissiereducties van CH4 en gefluoreerde gassen dragen bij tot dat resultaat. De niet-energiegebonden CO2-emissies en de N2O-emissies zouden daarentegen elk jaar blijven toenemen in de projectie.

Het overheidstekort zou onder de grens van 3% van het bbp blijven

Het tekort van de gezamenlijke overheid daalde aanzienlijk in 2013, tot 2,6% van het bbp, en dook daarmee voor het eerst sinds 2009 onder de grens van 3% van het bbp. De Ecofin-Raad van de Europese Unie besliste op 20 juni jongstleden overigens om de procedure bij buitensporige tekorten, die in 2009 voor België werd opgestart, te beëindigen. Dat resultaat werd behaald in economisch ongunstige omstandigheden en kan worden toegeschreven aan zowel structurele als eenmalige budgettaire maatregelen. De weerslag van de eenmalige maatregelen in 2013 en 2014 zou echter doorwegen op de evolutie van het overheidstekort in 2014 en 2015. Zonder bijkomende maatregelen en ondanks de aantrekkende economische groei en de verwachte daling van de rentelasten, zou het tekort licht toenemen (tot 2,7% in 2014 en 2,8% in 2015). Daarna zou het langzaam krimpen van 2,5% van het bbp in 2016 tot 2,2% in 2019.

Het Belgische Stabiliteitsprogramma beoogt een structureel begrotingsoverschot van 0,75% van het bbp tegen 2017 en vertaalt die doelstelling in een traject van effectieve begrotingssaldi: -2,1% van het bbp in 2014, -1,4% in 2015, -0,4% in 2016 en 0,6% in 2017. Dat traject zou beantwoorden aan de aanbevelingen geformuleerd door de Europese autoriteiten om de budgettaire houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te verzekeren. Het verschil tussen de doelstelling van het Stabiliteitsprogramma voor 2017 en het geraamde tekort zonder nieuwe maatregelen (-2,4%) bedraagt 3,0% van het bbp. Om die kloof te overbruggen, zijn aanzienlijke budgettaire maatregelen nodig.

Deze Vooruitzichten houden rekening met de zesde staatshervorming. Zonder informatie over de beleidsmaatregelen die de gefedereerde entiteiten zullen nemen in het kader van hun nieuw verkregen bevoegdheden, wordt verondersteld dat de entiteiten de huidige bepalingen handhaven. Er wordt momenteel dus verondersteld dat de hervorming geen impact heeft op het vorderingensaldo van de gezamenlijke overheid. Ze leidt evenwel tot een lastenoverdracht naar de gefedereerde entiteiten ten belope van 0,3% van het bbp in 2015 en 0,6% vanaf 2016. Deze Vooruitzichten houden geen rekening met maatregelen die de gefedereerde entiteiten vermoedelijk zullen nemen om die lastenoverdracht te compenseren. Hierdoor zou Entiteit II (gefedereerde entiteiten en lagere overheid) in 2015 een tekort van 0,3% van het bbp laten optekenen, tegenover 2,4% van het bbp voor Entiteit I (federaal niveau, met inbegrip van de sociale zekerheid). De vermindering van het tekort op middellange termijn zou zich situeren in Entiteit I, waar het tekort zou afnemen tot 1,9% van het bbp op het einde van de projectieperiode. Het tekort van Entiteit II zou aanhouden (0,3% van het bbp in 2019) en in 2016 zelfs oplopen tot 0,6%.

De overheidsschuld bereikte 101% van het bbp in 2013 en zou nog ietwat toenemen in 2014. Daarna zou de schuld zeer geleidelijk dalen en tegen 2017 opnieuw onder de grens van 100% uitkomen. De Europese wetgeving vereist evenwel dat België, na een overgangsperiode van 3 jaren volgend op het verlaten van de procedure bij buitensporige tekorten, zijn schuld jaarlijks terugschroeft met ongeveer 2% van het bbp. Die doelstelling zou niet gehaald worden in deze vooruitzichten bij ongewijzigd beleid.

Voor meer informatie:
Francis Bossier, 02/507.74.43, fb@plan.be
Igor Lebrun, 02/507.73.49, il@plan.be

  Beschikbare gegevens

None
Please do not visit, its a trap for bots