Nieuwe regionale economische vooruitzichten 2014-2019 (09/07/2014)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Op 9 juli 2014 stellen het Federaal Planbureau (FPB), het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse (BISA), de Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) en het Institut wallon de l’Evaluation, de la Prospective et de la Statistique (IWEPS) de resultaten van nieuwe regionale economische vooruitzichten voor de periode 2014-2019 voor.

De regionale vooruitzichten zijn gebaseerd op de nationale ‘Economische vooruitzichten 2014-2019’ die in juni van dit jaar verschenen, met als uitgangspunt een internationaal scenario dat gekenmerkt wordt door een geleidelijke herneming van de economische activiteit in de eurozone.

In deze meer gunstige omgeving, zou de groei van de Belgische economie, die niet hoger was dan 0,2% in 2013, versnellen tot 1,4% in 2014 en 1,8% in 2015. Vervolgens zou het Belgische bbp toenemen aan een ritme van gemiddeld 1,6% per jaar.

De resultaten van de regionale economische vooruitzichten zijn samengevat de volgende:

Economische groei

In 2013 was de economische groei in Vlaanderen en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (+0,3%), volgens onze ramingen, niet significant sterker dan het nationaal gemiddelde (0,2%), terwijl ze heel licht negatief was in Wallonië.

In 2014 herstelt de binnenlandse vraag in België. Dit stimuleert de economische groei in elke regio omwille van de economische verwevenheid tussen de Belgische gewesten. Zo zou de groei van de regionale bbp’s aantrekken en uitkomen op 1,1% in Brussel, 1,3% in Wallonië en 1,5% in Vlaanderen. In 2015 zou de economische groei verder stijgen in de drie gewesten en dit het sterkst in Vlaanderen. Het herstel van de investeringen zou ook zeer duidelijk zijn.

Op middellange termijn (2016-2019) zou Vlaanderen 0,1 ppt gemiddeld per jaar meer groei bewaren t.o.v. het Belgische gemiddelde (+1,6%). De groei in Wallonië zou dicht bij het Belgische gemiddelde aanleunen terwijl het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met een licht ongunstig groeiverschil kampt van 0,2 ppt.

Arbeidsmarkt

In 2014, neemt de binnenlandse werkgelegenheid gematigd toe in de drie gewesten. In Vlaanderen is het niveau van de binnenlandse werkgelegenheid vanaf 2014 hoger dan in 2012. In Brussel en in Wallonië zouden de jobverliezen van 2013 in de loop van 2015 volledig gecompenseerd worden.

Tussen 2016 en 2019, samen met het geleidelijk aantrekken van de economische groei, zou de jobcreatie in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelijk zijn aan het nationaal gemiddelde (0,7% per jaar), terwijl in Wallonië de netto jobcreatie slechts heel licht minder zou zijn (0,6% per jaar). Zo zou, in de periode 2016-2019, de jobcreatie 19 600 personen per jaar bedragen in Vlaanderen, 7 400 in Wallonië en 5 000 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Op middellange termijn zouden de bedrijfstakken ‘gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening’ en ‘overige marktdiensten’ (inclusief dienstenchequewerkgelegenheid) in elk gewest een drijvende kracht vormen achter de werkgelegenheidsgroei, zoals geobserveerd in het recente verleden.

Niettegenstaande de conjunctuur aan de beterhand is, stijgt de werkloosheidsgraad aanvankelijk nog in het Brusselse en Vlaamse Gewest in 2014. In het Waalse Gewest neemt hij licht af. Vanaf 2015 zou de werkloosheidsgraad afnemen in de drie gewesten maar meer uitgesproken in Brussel en Wallonië (2015 en 2016). Van 2017 tot 2019, met een steeds minder dynamisch arbeidsaanbod, zou de werkloosheid in de drie gewesten gestaag afnemen. Tegen 2019 zou de werkloosheidsgraad 7,0% bedragen in Vlaanderen, 15,3% in Wallonië en 18,4% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In de drie gewesten zou de werkloosheidsgraad op het einde van de projectieperiode lager zijn dan vóór het uitbreken van de financiële crisis van 2008

Productiviteit, lonen en inkomens

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zou de verwachte reële productiviteitsgroei in de marktbedrijfstakken (0,6% per jaar) het laagste zijn van alle Belgische gewesten zowel over de gehele projectieperiode als in de jaren 2016 tot 2019. Dit staat in contrast met wat vóór de crisis geobserveerd werd. In het bijzonder zou de productiviteit van de bedrijfstakken ‘krediet en verzekeringen’ en ‘vervoer en communicatie’ (samen 28% van de Brusselse toegevoegde waarde) toenemen tegen een ritme dat nog lager is dan vóór de crisis. Over de periode 2016-2019 zou in Vlaanderen en Wallonië de reële productiviteitsgroei 0,9% à 1% per jaar bedragen. In Wallonië, is dat deels verklaard door een inhaalbeweging van een minder gunstige evolutie geobserveerd vóór 2012.

In vergelijking met de productiviteit lijkt de verwachte loonevolutie per hoofd op middellange termijn, relatief homogeen en gematigd in de drie gewesten. Bijgevolg zouden in de drie gewesten de reële loonkosten per eenheid product licht dalen in de marktbedrijfstakken over de gehele periode 2013-2019.

Tijdens de periode 2013-2019, zou het beschikbaar inkomen van de huishoudens iets sneller toenemen in Brussel (2,8% gemiddeld per jaar, in nominale termen) dan in Vlaanderen (2,7%) en Wallonië (2,5%). Ondanks een relatief tragere groei van de totale sociale uitkeringen, zou het Brussels beschikbaar inkomen gemiddeld sneller toenemen, vooral door een hogere groei van de beloning van werknemers. De groei van het Vlaams en het Waals primair inkomen zou quasi identiek zijn; het inkomen van de zelfstandigen zou sneller stijgen in Vlaanderen dan in Wallonië, terwijl het omgekeerde geldt voor de bezoldigingen van de loontrekkenden. Het groeitempo van de totale sociale uitkeringen zou iets hoger zijn in Vlaanderen dan in Wallonië.

Gegeven de relatief sterkere groei van de Brusselse bevolking op middellange termijn, leiden de verwachte evoluties van de inkomsten tot een snellere groei van het beschikbaar inkomen per inwoner in Vlaanderen (2,2%) en in Wallonië (2,0%) dan in Brussel (1,8%).

Overheidsfinanciën

Bij ongewijzigd beleid, zou het saldo van de gezamenlijke rekening van de gemeenschappen en gewesten in 2015 en 2016 achteruitgaan ingevolge de lastenoverdracht (0,3% van het bbp in 2015 en 0,6% van het bbp in 2016) die georganiseerd werd in het kader van de zesde staatshervorming. Vooral het Vlaamse en Waalse Gewest zien hun rekening verslechteren. Vanaf 2017 zou het vorderingensaldo van de verschillende entiteiten echter opnieuw verbeteren.

De rekening van het Vlaamse Gewest, die een overschot vertoont in het begin van de projectieperiode, wordt deficitair in 2015 en blijft dit ook op middellange termijn. De rekening van de Franse Gemeenschap daarentegen heeft een tekort op korte termijn en zou in evenwicht zijn vanaf 2016. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou over de ganse periode een overschot hebben en het Waals Gewest een tekort.

Uitstoot van broeikasgassen

In de periode 2008-2012 zou Wallonië de streefnormen behaald hebben die hem zijn toegewezen in het kader van de Belgische interne verdeling van de doelstellingen van het Kyotoprotocol. Vlaanderen en Brussel zouden daar niet volledig in geslaagd zijn. Volgens de vooruitzichten zouden de broeikasgasemissies (BKG) tussen 2013 en 2019 zeer licht dalen voor de drie gewesten, als gevolg van een gematigde stijging van het finaal energieverbruik en structurele wijzigingen in dat verbruik ten gunste van minder vervuilende of hernieuwbare
energiebronnen.

Voor meer informatie

Delphine Bassilière, tel.: 02/507 74 58, e-mail: db@plan.be, Didier Baudewyns, tel.: 02/507 73 66, e-mail: dib@plan.be
Ingrid Bracke, tel.: 02/507 74 45, e-mail: ib@plan.be, Igor Lebrun, tel.: 02/507 73 49, e-mail: il@plan.be

Please do not visit, its a trap for bots