Regionale economische vooruitzichten 2015-2020 (10/07/2015)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Op 10 juli 2015 stellen het Federaal Planbureau (FPB), het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse (BISA), de Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) en het Institut wallon de  l’Evaluation, de la Prospective et de la Statistique (IWEPS) de resultaten van nieuwe regionale economische vooruitzichten voor de periode 2015-2020 voor.

De regionale vooruitzichten zijn gebaseerd op de nationale ‘Economische vooruitzichten 2015-2020’ die in mei van dit jaar verschenen, met als uitgangspunt een internationaal scenario dat gekenmerkt wordt door een groeiherstel in de eurozone.

Door die conjunctuurverbetering zou de groei van het Belgisch bbp aantrekken van 1,2 % in 2015, tot 1,6 % in 2016 en 1,7 % in 2017 en nadien enigszins vertragen (1,5 % in 2020).

De resultaten van de regionale economische vooruitzichten zijn samengevat de volgende:

Economische groei

In 2014 heeft de economische groei zich gedeeltelijk hersteld in het Vlaams en Waals Gewest (respectievelijk 1,2 en 1 %). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest was de groei bescheidener (0,6 %).

Het verdere herstel van de Belgische binnenlandse vraag zou, samen met een snellere groei van de export, de activiteit in elk gewest moeten stimuleren. Het bbp in volume zou in 2015 tussen 1,1 % en 1,3 % toenemen naargelang het gewest. In 2016 zou de economische groei verder aantrekken in het Vlaams (1,7 %) en het Waals Gewest (1,5 %), maar zich stabiliseren in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1,1 %).

Op middellange termijn (2017-2020) zou het Vlaams bbp een groei van 1,7 % per jaar optekenen (of 0,1 procentpunt - ppt - boven het Belgisch niveau). Het Brussels en Waals bbp zouden met 1,5 % per jaar groeien (of 0,1 ppt onder de nationale waarde).

Arbeidsmarkt

In 2015 en 2016 zou de netto-jobcreatie aantrekken in de drie gewesten en iets sterker in het Vlaams Gewest (achtereenvolgens 0,6 % en 0,9 %). Op middellange termijn (2017-2020) zou de netto-jobcreatie op dezelfde manier verlopen in het Vlaams en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (0,7 % à 0,8 % per jaar) en iets lager liggen in Wallonië (0,6 % per jaar). In absolute aantallen bedraagt de netto-jobcreatie gemiddeld 21 500 eenheden per jaar tijdens de periode 2015-2020 in het Vlaams Gewest (of bijna 129 000 gecumuleerd over de periode), 7 800 per jaar in het Waals Gewest (of 47 000 gecumuleerd) en bijna 4 300 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (of bijna 26 000 gecumuleerd).

Zoals ook in het recente verleden werd waargenomen, zouden de bedrijfstakken 'gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening' en 'overige marktdiensten' (inclusief dienstenchequewerkgelegenheid) op middellange termijn de drijvende kracht blijven achter de werkgelegenheidsgroei, en dit in elk gewest. Verder zou de industriële werkgelegenheid in het Waals en Vlaams Gewest licht afkalven door de grote productiviteitswinsten. Die zijn structureel noodzakelijk voor die meer aan internationale concurrentie blootgestelde activiteiten. Bovendien zouden de bezuinigingsmaatregelen een negatieve invloed hebben op de evolutie van de werkgelegenheid van de niet-verhandelbare diensten.

Door de verrekening van de pendeldynamiek, zowel intergewestelijke als grensoverschrijdende pendelarbeid, krijgt men een projectie van de werkgelegenheid naar regio van woonplaats van de werknemers (ook 'werkende beroepsbevolking' genoemd). Die nuancering is bijzonder belangrijk voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, omdat zijn ingezetenen slechts ongeveer de helft van de banen op het grondgebied innemen. Tijdens de afgelopen vijftien jaar is het aandeel van de Brusselse ingezetenen op de eigen arbeidsmarkt en op die van de andere gewesten steeds groter geworden. Die trend zet zich door ; over de periode 2014-2020 zou de groei van de werkende beroepsbevolking dynamischer zijn in Brussel (gemiddeld 1,0 % per jaar) dan in het Vlaams Gewest (0,7 %) en in Wallonië (0,6 %).

Het arbeidsaanbod op middellange termijn zou in Brussel veel minder ondersteund worden door de demografische impulsen dan in het recente verleden, omdat het externe migratiesaldo zou dalen. Het arbeidsaanbod zou jaarlijks toenemen met gemiddeld 0,4 % tijdens de periode 2014-2020. De relatief dynamische groei van de Brusselse werkende beroepsbevolking zou bijgevolg leiden tot een vrij sterke afname van de werkloosheidsgraad in het gewest (van 20,9 % in 2014 tot 18,0 % in 2020).

Het Vlaamse arbeidsaanbod dat gemiddeld met 0,5 % per jaar zou toenemen, gaat gebukt onder de demografische ontwikkelingen (o.a. gelinkt aan de vergrijzing), maar wordt verder geactiveerd door de recent genomen eindeloopbaanmaatregelen, waarvan de impact  duidelijk groter is in Vlaanderen dan in de andere gewesten. De Vlaamse werkloosheidsgraad zou dalen van 8,5 % in 2014 tot 7,5 % in 2020. De negatieve impact van de demografische ontwikkelingen zou geringer zijn in Wallonië dan in het Vlaams Gewest en de factoren die de laatste jaren verantwoordelijk waren voor de daling van de activiteitsgraad van de min-50-jarigen zouden dus minder sterk doorwegen. Het Waalse arbeidsaanbod zou bijgevolg gemiddeld met 0,3 % per jaar toenemen en de werkloosheidsgraad van het gewest zou dalen van 16,8 % in 2014 tot 15,5 % in 2020.

Productiviteit, lonen en inkomens

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou de verwachte reële productiviteitsgroei per hoofd in de marktbedrijfstakken het geringst zijn van de drie gewesten (0,7 % per jaar over de periode 2014-2020). Die evolutie zou in contrast staan met de groeivoeten van vóór het uitbreken van de crisis eind 2008, en in het bijzonder over de periode 2000-2006. Op middellange termijn (2017-2020) zouden het Vlaams en het Waals Gewest een reële productiviteitsgroei in de marktbedrijfstakken van jaarlijks gemiddeld 0,9 % per hoofd laten optekenen. In Wallonië treedt dus een inhaalbeweging op na een duidelijk minder gunstige evolutie vóór 2014 (gemiddeld -0,2 % voor de periode 2007-2013).

In vergelijking met de productiviteit, lijkt de verwachte loonevolutie per hoofd zeer gematigd en homogeen in de drie gewesten. Dat leidt tot een daling van de reële loonkosten per eenheid product in de marktbedrijfstakken van de drie gewesten over de gehele periode 2014-2020.

Tijdens de projectieperiode (net zoals tijdens de periode 2006-2013), zou het beschikbaar gezinsinkomen gemiddeld een vergelijkbare groei vertonen in de drie gewesten (in nominale termen 2,0 % per jaar in het Brussels Hoofdstedelijk en 2,1 % in het Vlaams en Waals Gewest). Maar er zijn verschillen in de deelcomponenten van het beschikbaar inkomen, vooral tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de twee andere gewesten. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou gekenmerkt worden door een groei die gemiddeld lager uitkomt voor de sociale uitkeringen en die, omgekeerd, hoger is voor de bezoldigingen van de ingezeten werknemers, wat aansluit bij de iets sterkere groei van de werkende beroepsbevolking in dat gewest.

Gekoppeld aan een snellere groei van de Brusselse bevolking (gemiddeld 0,6 % per jaar over de periode 2014-2020) dan in de twee andere gewesten (voor elk 0,4 %), leiden de verwachte evoluties van de inkomens tot een snellere groei van het beschikbaar inkomen per inwoner in het Vlaams Gewest (1,7 %) en in Wallonië (1,7 %) dan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1,4 %).

Overheidsfinanciën

Bij ongewijzigd beleid (gebaseerd op de beschikbare informatie van eind april 2015) zou de gezamenlijke rekening van de Gemeenschappen en Gewesten erop achteruitgaan in 2015, vooral als gevolg van de eenmalige impact van de verrekeningswijze van de regionale personenbelasting. Vanaf 2016 zou de rekening voortdurend verbeteren en op het einde van de periode opnieuw een evenwicht bereiken. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat in 2014 nog een overschot boekte, zou in 2015 een tekort vertonen dat aanhoudt op middellange termijn. Het Waals Gewest zou over de volledige periode een tekort vertonen. De Franse Gemeenschap en het Vlaams Gewest die eveneens een tekort laten optekenen in het begin van de periode, zouden opnieuw een evenwicht bereiken en op het einde van de periode (2020) zelfs een overschot boeken.

Uitstoot van broeikasgassen

De broeikasgasemissies zouden tussen 2014 en 2020 licht dalen in de drie gewesten. Die gunstige evolutie zou verklaard worden door een gematigde stijging van het finaal energieverbruik en structurele wijzigingen in dat verbruik ten gunste van minder vervuilende of hernieuwbare energiebronnen.

Voor meer informatie:
Delphine Bassilière, tel.: 02/507 74 58, e-mail: db@plan.be, Didier Baudewyns, tel.: 02/507 73 66, e-mail: dib@plan.be
Igor Lebrun, tel.: 02/507 73 49, e-mail: il@plan.be

Please do not visit, its a trap for bots