Non-take-up van werkgeversbijdrageverminderingen ‘eerste aanwervingen': wat is de omvang van het fenomeen? (02/05/2018)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Een aanzienlijk deel van de werkgevers die aan de toekenningsvoorwaarden voor de maatregel van de werkgeversbijdrageverminderingen ‘eerste aanwervingen’ voldoen, maakt er geen gebruik van. Dat is zelfs het geval wanneer ze een vrijstelling van de patronale basisbijdragen genieten, zoals voorzien in het kader van de taxshift. Dat fenomeen van non-take-up zou de verwachte impact van de maatregel op het gebied van jobcreatie kunnen vertekenen.

Een versterkte maatregel in het kader van de taxshift

De doelgroepvermindering ‘eerste aanwervingen’ voorziet onder bepaalde voorwaarden in een vermindering van de werkgeversbijdragen voor nieuwe en kleine werkgevers bij aanwervingen. In het geval van de aanwerving van een eerste werknemer vóór 1 januari 2016 hadden de werkgevers recht op een forfaitaire bijdragevermindering voor 13 kwartalen die naar keuze kon worden opgenomen in de 20 kwartalen die volgen op het kwartaal van aanwerving. Vanaf 2016 genieten de werkgevers in het kader van de taxshiftmaatregelen een vrijstelling van onbeperkte duur van de patronale basisbijdragen voor de aanwerving van een eerste werknemer.

De non-take-up is afhankelijk van de aantrekkelijkheid van de maatregel

Van de rechthebbende werkgevers die een eerste werknemer hebben aangeworven tussen 2007 en 2015 heeft 45 % geen beroep gedaan op de vermindering ‘eerste aanwervingen’ tijdens het kwartaal van aanwerving of het daaropvolgende kwartaal; dat percentage valt terug tot 28 % voor de aanwervingen tussen het eerste en het derde kwartaal van 2016. Er wordt een belangrijke seizoensgebondenheid van dat percentage non-take-up waargenomen: de non-take-up is systematisch hoger tijdens het eerste kwartaal van elk jaar. Als die seizoensgebondenheid buiten beschouwing wordt gelaten, worden verschillende subperiodes in de evolutie van dat percentage waargenomen. Na een periode van stagnering tussen 2007 en 2008 stijgt het percentage non-take-up van de maatregel tussen 2009 en het midden van 2010. Die twee jaren vallen samen met het verschijnen van specifieke crisismaatregelen die voor de werkgever mogelijk interessanter zijn dan de maatregel ‘eerste aanwervingen’. Daarbovenop komt dat de doelgroepverminderingen niet onderling cumuleerbaar zijn. Na een stabilisering tot het begin van 2012 daalt het percentage non-take-up van de maatregel tot het einde van 2013. Die periode stemt overeen met de versterking van de maatregel in het kader van het relanceplan. Het percentage non-take-up stabiliseert zich tussen 2014 en 2015 en vermindert nadien aanzienlijk met de uitbreiding van de maatregel in 2016 in het kader van de taxshift. Het gebruik van de maatregel ‘eerste aanwervingen’ lijkt dus af te hangen van de aantrekkelijkheid van de toegekende verminderingsbedragen en van de overige maatregelen.

De non-take-up daalt wanneer andere maatregelen in aanmerking worden genomen, maar blijft evenwel hoog

Voor de eerste aanwervingen tijdens de eerste drie kwartalen van 2016 laat de verrekening van andere doelgroepverminderingen het percentage non-take-up met 10 procentpunt dalen tijdens het kwartaal van aanwerving of het daaropvolgende kwartaal. Er blijft evenwel een deel van de nieuwe werkgevers (18 %) die van geen enkele doelgroepvermindering gebruikmaken tijdens het kwartaal van aanwerving of het daaropvolgende kwartaal.

Voor de eerste aanwervingen tussen 2007 en 2011 heeft 14 % van de rechthebbende werkgevers van geen enkele doelgroepvermindering gebruikgemaakt tijdens de 20 kwartalen waarin het recht op de vermindering 'eerste aanwervingen’ werd geopend en heeft 21 % gebruikgemaakt van verminderingen die minder voordelig waren dan waarop ze recht hadden met de bestudeerde maatregel.

Non-take-up die verschilt naargelang van de kenmerken van de werkgever en de werknemer

Voor de eerste aanwervingen tussen 2007 en 2011 neemt de non-take-up van doelgroepverminderingen toe wanneer de loonkosten lager liggen, met name in de sectoren waar de arbeidskrachten lager geschoold zijn, wanneer de eerste aangeworven werknemer wordt verloond op een niveau dat dicht aanleunt bij het minimumloon of in het geval van deeltijdse contracten. Dat zou kunnen worden verklaard doordat de bijdrageverminderingen begrensd zijn op het totale bedrag van de patronale basisbijdragen. Na aftrek van de structurele vermindering zou het verschuldigde bedrag te laag worden ten opzichte van de administratieve inspanningen. Door de aanwezigheid van een sociaal secretariaat daalt de non-take-up, maar de impact ervan blijft relatief beperkt.

Tot besluit kon met deze studie – die is uitgevoerd op basis van administratieve gegevens van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) – de omvang van het fenomeen van de non-take-up van de maatregel ‘eerste aanwervingen’ worden gemeten en konden bepaalde factoren worden geïdentificeerd die de frequentie ervan vergroten. De maatregel ‘eerste aanwervingen’ is erop gericht de werkgelegenheidscreatie in de nieuwe en kleine ondernemingen te ondersteunen; de non-take- up van die maatregel zou dus een negatieve impact kunnen hebben op de werkgelegenheid en zelfs op de overlevingskansen van de betrokken ondernemingen. De gegevens blijven echter ontoereikend om werkelijk het non-take-upgedrag volledig te kunnen verklaren. Een volgende studie zal het mogelijk maken de achterliggende redenen voor de non-take-up beter te begrijpen aan de hand van enquêtes en interviews.

 

Voor meer informatie:

Elise Boucq, 02/507.73.68, elb@plan.be Maritza López Novella , 02/507.73.46, mln@plan.be

  Thema's

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots