Vooruitzichten 2017-2070: toename van de sociale uitgaven met piek in 2040 en verdere daling van het armoederisico van gepensioneerden (09/07/2018)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Volgens de recente vooruitzichten van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) stijgt het geheel van de sociale uitgaven met 1,9 procentpunt van het bbp tussen 2017 en 2070, met een piek tegen 2040. Het armoederisico van de gepensioneerden daalt tot 2050.

Gematigde toename van de sociale uitgaven op lange termijn, waarachter tegengestelde evoluties schuilgaan.

Uit de nieuwe SCvV-vooruitzichten blijkt dat de sociale uitgaven stijgen van 25,1 % van het bbp in 2017 tot 27,0 % van het bbp in 2070. De toename van de sociale uitgaven – of de budgettaire kosten van de vergrijzing – bedraagt dus 1,9 procentpunt van het bbp tussen 2017 en 2070. Achter die globale toename gaan tegengestelde evoluties schuil.

Ten eerste nemen niet alle sociale uitgaven toe: terwijl de pensioen- en gezondheidszorg­uitgaven samen stijgen met 3,6 procentpunt van het bbp tussen 2017-2070, dalen de overige sociale uitgaven – vooral de uitgaven voor werkloosheid en kinderbijslag – met 1,7 procentpunt van het bbp. Merk op dat de totale budgettaire kosten, 1,9 procentpunt van het bbp, volledig gedragen worden door de federale overheid en de sociale zekerheid. Zij betalen immers het leeuwendeel van de stijgende pensioen- en gezondheidsuitgaven.

Ten tweede kennen de sociale uitgaven een verschillend verloop volgens subperiode. Tussen 2017 en 2040 stijgen de sociale uitgaven met 3,5 procentpunt van het bbp omwille van de snel toenemende afhankelijkheidsratio van de ouderen (verhouding tussen de bevolking van 67 jaar en ouder en de bevolking van 18 tot 66 jaar). Daarna (2040-2070) dalen de sociale uitgaven met 1,7 procentpunt van het bbp. Enerzijds stabiliseert de afhankelijkheidsratio van de ouderen nagenoeg tijdens die periode. Anderzijds worden de sociale uitkeringen geherwaardeerd conform de parameters van het Generatiepact die in die periode trager evolueren dan de loongroei en het bbp.

Impact van alternatieve scenario’s op de toename van de sociale uitgaven.

Om de impact van bepaalde hypothesen op de raming van de budgettaire kosten van de vergrijzing te toetsen, stelt de SCvV ook enkele alternatieve scenario’s voor. Een eerste alternatief scenario gaat uit van een gemiddelde jaarlijkse groei van de productiviteit die 0,3 procentpunt lager ligt tussen 2017 en 2070, wat, in 2070, een bbp impliceert dat 15 % lager ligt dan in het referentiescenario. Dit leidt tot budgettaire kosten van 4,4 procentpunt van het bbp tussen 2017 en 2070. Een tweede alternatief scenario voorziet een iets lagere werkloosheids­graad (6 % vanaf 2032 in plaats van 7 % vanaf 2024). In dat geval is het bbp 1 % hoger in 2070 dan in het referentiescenario en bedragen de budgettaire kosten 1,5 procentpunt van het bbp.

Het armoederisico van de gepensioneerden is kleiner dan dat van de totale bevolking in 2016.

In 2016 ligt het armoederisico van de gepensioneerden (13,7 %) lager dan dat van de totale bevolking (15,9 %). Een persoon loopt een armoederisico indien zijn beschikbaar inkomen lager ligt dan de armoededrempel. Op basis van de meest recente European Union Survey on Income and Living Conditions (EU-SILC) enquête van 2017 over het inkomen van 2016, bedraagt deze drempel 1 139 euro per maand.

In 2005 bedroeg het armoederisico van gepensioneerden nog 20 % waarna het sterk daalde tot 2014 en vervolgens relatief stabiel bleef. De stelsels van minimumuitkeringen voor ouderen spelen een belangrijke rol in het terugdringen van hun armoederisico. In 2005 lagen de meeste minimumuitkeringsbedragen voor ouderen nog onder de EU-SILC-drempel voor dat jaar. In 2016 bevinden zij zich boven de drempel of werd de kloof sterk gereduceerd.

Het armoederisico van gepensioneerden blijft dalen tot 2050.

Volgens de ScvV-vooruitzichten daalt het armoederisico van gepensioneerden gestaag tot het begin van de jaren 2050, waarna het vrijwel stabiel blijft. Verschillende factoren, die gelijktijdig van kracht kunnen zijn, maar met soms tegengestelde effecten, verklaren die evolutie. Een eerste factor is de verhoging van de minimumuitkeringsbedragen voor ouderen, conform de welvaartsparameters van het Generatiepact, waardoor ze tot midden 2030 sneller zullen stijgen dan de lonen en de armoededrempel. Dit draagt bij tot de daling van het armoederisico bij gepensioneerden in die periode. Een tweede factor is de toenemende activiteitsgraad van vrouwen waardoor enerzijds steeds meer vrouwen hun eigen rustpensioen opnemen en anderzijds het gemiddeld bedrag van hun rustpensioen toeneemt. Dit armoedereducerend effect van de toename van de activiteitsgraad wordt voor alleenstaande vrouwen echter beperkt door een daling van het aandeel weduwen (onder meer door de sterke afname van het aantal huwelijken). Een groter aandeel vrouwen ontvangt hierdoor een eigen rustpensioen in plaats van een hoger overlevingspensioen of een combinatie van een rust- en overlevings­pensioen.

Please do not visit, its a trap for bots