Regionale economische vooruitzichten 2018-2023 - Vertraging van de economische groei op middellange termijn en aanzienlijke daling van de werkloosheidsgraad in de drie gewesten (17/07/2018)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Deze vooruitzichten steunen op een scenario waarin de Belgische economische groei geleidelijk vertraagt vanaf 2021, binnen een context waarin de conjunctuurcyclus in de eurozone zijn hoogtepunt voorbij is en de Europese groei op middellange termijn wordt afgeremd door de vergrijzing van de bevolking.

Geleidelijke vertraging van de bbp-groei in de drie gewesten

Tijdens de periode 2018-2020 zou de Belgische bbp-groei elk jaar 1,6 % bedragen, wat nauwelijks minder is dan in 2017 (1,7 %). Die nationale groei zou zich op regionaal niveau vertalen in een gemiddelde jaarlijkse groei van 1,7 % in Vlaanderen (1,9 % in 2017), 1,5 % in Wallonië (1,7 % in 2017) en 1,3 % in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (1,2 % in 2017).

Vanaf 2021 zou de Belgische groei geleidelijk vertragen tot 1,2 % in 2023. Die vertraging zou in elk van de drie gewesten tot uiting komen: in Brussel zou de bbp-groei vertragen tot 0,9 % in 2023; in Vlaanderen tot 1,3 % en in Wallonië tot 1,1 %.

Over de volledige periode 2017-2023 zou de bedrijfstak ‘overige marktdiensten’ (die onder meer de diensten aan de ondernemingen omvat) in elk van de drie gewesten het meest bijdragen tot de economische groei (gemiddeld 0,7 procentpunt per jaar in Vlaanderen en 0,5 procentpunt in Wallonië en Brussel). Daarna volgen de takken ‘krediet en verzekeringen’ en ‘overheidsadministratie en onderwijs’ in Brussel (0,2 procentpunt elk) en de verwerkende nijverheid in Vlaanderen en Wallonië (telkens 0,2 procentpunt). De Vlaamse economische groei zou ook worden ondersteund door de ‘handel en horeca’ (0,2 procentpunt), terwijl de takken ‘gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening’ en ‘overheidsadministratie en onderwijs’ een relatief grote bijdrage zouden leveren tot de Waalse economische activiteit (0,2 procentpunt elk).

Continue daling van de werkloosheidsgraad in de drie gewesten

In lijn met de afgelopen jaren, zouden de werkloosheidsgraden  van de drie gewesten verder dalen tijdens de projectieperiode. In Brussel zou de werkloosheidsgraad dalen van 17,5 % in 2017 tot 12,4 % in 2023, in Vlaanderen van 7,2 % tot 4,4 % en in Wallonië van 14,1 % tot 10,6 %. Die daling wordt zowel verklaard door de werkgelegenheidsgroei (vooral in het begin van de periode) als door de minder snelle groei van het arbeidsaanbod (vooral aan het einde van de periode).

In 2017-2018 zou de nettojobcreatie, ondersteund door de groei van de toegevoegde waarde en de bijkomende arbeidskostenverlagende maatregelen, aanzienlijk blijven in de drie gewesten: gemiddeld +1,0 % per jaar in Brussel en +1,4 % per jaar in Vlaanderen en in Wallonië.

Tijdens de periode 2019-2020 zou de groei van de binnenlandse werkgelegenheid vertragen in de drie gewesten door sterkere productiviteitswinsten en een geringere groei van de marktsector. De jobcreatie zou toch nog gemiddeld 0,6 % per jaar bedragen in Brussel, 0,9 % in Wallonië en 1,1 % in Vlaanderen. De groei van de werkgelegenheid zwakt verder af in de periode 2021-2023, als gevolg van de verdere groeivertraging van de economische activiteit en – in beperktere mate – door toenemende productiviteitswinsten. De jobcreatie zou gemiddeld 0,5 % per jaar bedragen in Brussel, 0,6 % in Wallonië en 0,7 % in Vlaanderen. Gecumuleerd over de periode 2017-2023 zou de nettojobcreatie 200 000 eenheden bedragen in Vlaanderen, 81 000 eenheden in Wallonië en 32 000 eenheden in Brussel.

Ook al lijkt de groei van de Brusselse werkgelegenheid naar werkplaats vrij zwak, dat geldt niet voor de werkgelegenheid van de Brusselse ingezetenen. Slechts de helft van de banen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt ingenomen door Brusselaars; het is dan ook van belang om rekening te houden met de evolutie van de pendelstromen. Tijdens de afgelopen vijftien jaar is het aandeel van de Brusselse ingezetenen op de eigen arbeidsmarkt en op die van de twee andere gewesten voortdurend groter geworden. Die trend zou zich doorzetten in de projectieperiode. Over de periode 2017-2023 zou de groei van de werkgelegenheid van de Brusselse ingezetenen gemiddeld 1,4 % per jaar bedragen (of gecumuleerd 46 000 eenheden).

De daling van de regionale werkloosheidsgraden is ook het gevolg van een sterke groeivertraging van het arbeidsaanbod (de beroepsbevolking) in de drie gewesten, waardoor het arbeidsaanbod in 2023 een quasi-nulgroei laat optekenen in elk van de gewesten: +0,1 % voor Brussel, 0,0 % voor Vlaanderen en -0,1 % voor Wallonië. Gemiddeld genomen zou de Waalse beroepsbevolking in de periode 2017-2023 met 0,1 % per jaar toenemen, een cijfer dat lager ligt dan in Vlaanderen (0,4 %) – waar de beroepsbevolking wordt ondersteund door een sterkere toename van de activiteitsgraden – en Brussel (0,3 %) – waar de beroepsbevolking ondersteund blijft door demografische impulsen, zij het minder dan in het recente verleden.

De aanzienlijke en snelle daling van de werkloosheidsgraden kan risico’s met zich meebrengen, met name een (grotere) krapte in bepaalde segmenten van de arbeidsmarkt (beroepen, vaardigheden).

Versnelling van de productiviteitsgroei en van de loongroei in de drie gewesten in de loop van de projectieperiode

De arbeidsintensieve economische groei in het begin van de projectieperiode vertaalt zich in een verzwakte productiviteitsgroei. Meer bepaald tijdens de periode 2017-2018 zou de reële productiviteitsgroei per hoofd in de marktbedrijfstakken gemiddeld 0,3 % per jaar bedragen in Vlaanderen, 0,1 % in Wallonië en 0,0 % in Brussel. Die groei zou nadien evenwel hernemen en tijdens de periode 2021-2023 gemiddeld 0,8 % per jaar bedragen in Vlaanderen en 0,6 % in Wallonië en Brussel.

In de drie gewesten zouden de reële loonkosten per hoofd in de marktbedrijfstakken in lijn evolueren met de reële productiviteitsgroei per hoofd: een quasi-nulgroei in 2017-2018 (gemiddeld -0,2 % per jaar in Brussel, 0,0 % in Wallonië en +0,1 % in Vlaanderen), gevolgd door een herneming. De groei van de reële loonkosten per hoofd zou tijdens de periode 2021-2023 uitkomen op gemiddeld 1,0 % per jaar in Vlaanderen en in Brussel en op 0,9 % in Wallonië.

Het reëel beschikbaar inkomen van de gezinnen zou sterk toenemen tijdens de periode 2017-2019 (gemiddeld 1,6 % per jaar in Wallonië en 1,9 % per jaar in Brussel en Vlaanderen) en o.m. worden ondersteund door de aanzienlijke jobcreatie en door de bijkomende verlagingen van de personenbelasting die gepland zijn in het kader van de taxshift. In de periode 2020-2023 zou de groei van het reëel beschikbaar inkomen – zonder bijkomende maatregelen ter verlaging van de verplichte heffingen – vertragen tot gemiddeld 1,4 % in het Brussels Gewest, tot 1,3 % in het Vlaams Gewest en tot 1,1 % in het Waals Gewest, ondanks een groeiversnelling van de reële bruto-uurlonen.

Regionale overheidsfinanciën deficitair op middellange termijn

Bij ongewijzigd beleid en rekening houdend met de beschikbare informatie van begin juni 2018, zou de rekening van het geheel van de gemeenschappen en gewesten een tekort vertonen tijdens de periode 2018-2023, na een klein overschot in 2017. Het tekort schommelt vanaf 2020 rond 0,15 % van het nationale bbp. De Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zouden deficitair zijn over de periode 2018-2023. De Vlaamse Gemeenschap zou in 2019 een overschot boeken en vanaf 2020 een tekort laten optekenen, net als de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Wat zijn de regionale economische vooruitzichten?

De ‘Regionale economische vooruitzichten 2018-2023’ zijn het resultaat van een samenwerking tussen het Federaal Planbureau, het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse (BISA), het Institut wallon de l’évaluation, de la prospective et de la statistique (IWEPS) en Statistiek Vlaanderen.

De regionale vooruitzichten leveren een desaggregatie van de ‘Economische vooruitzichten 2018-2023’ voor de Belgische economie die het Federaal Planbureau in juni 2018 publiceerde. Die nationale vooruitzichten worden opgesteld ‘bij ongewijzigd beleid’, wat betekent dat ze enkel rekening houden met maatregelen die formeel beslist zijn en waarvan de toepassingsmodaliteiten met voldoende precisie bekend zijn.

De nationale projectie is gebaseerd op een internationaal scenario dat wordt gekenmerkt door een bijzonder dynamische groei in de eurozone in 2017-2018 (gemiddeld 2,4 % per jaar) die nadien geleidelijk vertraagt tot 1,4 % in 2023. Dit internationaal scenario gaat gepaard met diverse neerwaartse risico’s, zoals een verslechtering van de internationale handelsrelaties, een forse prijsstijging voor ruwe olie door geopolitieke spanningen en onzekerheid over het resultaat van de brexit-onderhandelingen.

De desaggregatie wordt meestal uitgevoerd aan de hand van endogene regionale verdeelsleutels, bepaald door een geheel van vergelijkingen die worden geschat op basis van statistische methodes. Er wordt dan gewerkt met een top-downbenadering. De overheidsrekening van de gemeenschappen en gewesten vormt hierop een uitzondering. Die rekening is reeds het resultaat van de aggregatie van de individuele rekeningen van de deelgebieden.

De regionale vooruitzichten laten toe om – bij ongewijzigd beleid – een toekomstbeeld te schetsen voor de drie gewesten voor de komende vijf jaar en om economische onevenwichten te identificeren die kunnen ontstaan, toenemen of aanhouden op middellange termijn.

 

Please do not visit, its a trap for bots