Page Title

Nieuws

Deze rubriek toont alle actualiteit m.b.t. het FPB, gaande van de meest recente studies, persberichten, en artikels tot aankondigingen van toekomstige publicaties, workshops, colloquia…

Vooruitzichten voor de Belgische economie die worden gekenmerkt door een historisch lage werkloosheidsgraad en een toenemend overheidstekort (18/06/2019)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Met de Economische vooruitzichten van het Federaal Planbureau is het mogelijk een toekomst te schetsen van de Belgische economie voor de komende vijf jaar. Ze anticiperen niet op eventuele besparingsmaatregelen die de toekomstige regeringen kunnen nemen, wat resulteert in neerwaartse risico’s m.b.t. de overheidsbestedingen en hun impact op de economische groei.

De economische groei blijft vrij stabiel tot 2022 en vertraagt licht op middellange termijn

De Belgische bbp-groei zou met 1,3 % in 2019 en in 2020 iets lager uitkomen dan vorig jaar, toen de groei 1,4 % bedroeg. De minder gunstige internationale conjunctuur zet een rem op de uitvoergroei. De binnenlandse vraag zou in 2020 evenwel een lichte versnelling laten optekenen onder impuls van de particuliere consumptie. De bbp-groei zou in 2021 licht hernemen tot 1,4 %, geschraagd door een wat sterkere uitvoer, maar vervolgens licht vertragen van 1,3 % in 2022 tot 1,2 % vanaf 2023 door een beperktere bestedingsdynamiek van de gezinnen en de ondernemingen.

Het reëel beschikbaar inkomen van de particulieren zou dit jaar stijgen met 2,2 %, o.m. dankzij bijkomende verlagingen van de personenbelasting (in het kader van de laatste fase van de taxshift) en de sterke jobcreatie. De volumegroei van de consumptieve bestedingen zou niettemin beperkt blijven tot 0,8 %. In de loop van vorig jaar werd de Belgische consument immers pessimistischer over de economische situatie. De consumptiegroei zou in 2020 verstevigen tot 1,4 %, in lijn met de koopkrachtstijging. Zonder bijkomende maatregelen ter verlaging van de verplichte heffingen, zou de groei van het reëel beschikbaar inkomen geleidelijk vertragen tot 1,0 % in 2024. De consumptieve bestedingen zouden een gelijkaardig, maar iets minder uitgesproken profiel vertonen.

De volumegroei van de bedrijfsinvesteringen zou, net als in 2018 (2,7 %), bijzonder sterk zijn in 2019 (3,1 %), onder impuls van een nog vrij hoge rendabiliteit en een industriële capaciteitsbezettingsgraad die nog steeds boven zijn historisch gemiddelde ligt. Vervolgens zou die groei terugvallen tot 1,8 % in 2020 en – gemiddeld genomen – dat tempo aanhouden tijdens de periode 2021-2024. De volumegroei van de  investeringen in woongebouwen zou een piek kennen in 2019 (4,1 %), maar vervolgens vertragen tot gemiddeld 1,3 % in de jaren 2020-2021 en – mede door de geleidelijk aantrekkende langetermijnrente – terugvallen tot gemiddeld 1,0 % tijdens de periode 2022-2024.

De volumegroei van de overheidsinvesteringen zou in 2020 en in 2021 meer dan 5 % bedragen, hoofdzakelijk als gevolg van de belangrijke investeringen van de gewesten in 2020 (in het bijzonder het Oosterweelproject in Vlaanderen) en van investeringen in Defensie in 2021. De overheidsinvesteringen zouden vervolgens een volatiel verloop kennen, waarbij de investeringen in Defensie pieken in 2023, maar vervolgens terugvallen, terwijl de investeringsactiviteit van de lagere overheid intensiever wordt in de periode 2023-2024 in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen.

Ondanks de stijging van de arbeidskosten op middellange termijn, zou de inflatie onder de grens van 2 % blijven

In de veronderstelling dat de marge voor de toename van de bruto-uurlonen vóór indexering in 2019 en 2020, die werd vastgelegd in het meest recente interprofessioneel akkoord, volledig wordt benut, zouden de nominale arbeidskosten per uur in die jaren stijgen met resp. 2,2 % en 1,8 %. In de periode 2021-2024 zouden de arbeidskosten per uur gemiddeld met 2,8 % per jaar toenemen.

De inflatie, gemeten aan de hand van het nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen, bedroeg vorig jaar 2,1 %. De olieprijs in euro zou zich nagenoeg stabiliseren in 2019 en licht afnemen in 2020, wat de inflatie doet vertragen tot resp. 1,7 % en 1,5 %. Vanaf 2021 zou de inflatie geleidelijk versnellen tot 1,9 % in 2024 als gevolg van een licht aantrekkende onderliggende inflatie (door een sterkere groei van de loonkosten per eenheid product) en van een toename van de energieprijzen.

Geleidelijke vertraging van de werkgelegenheidsgroei in de marktbedrijfstakken

Ondanks de lichte groeivertraging van de activiteit, neemt de werkgelegenheid in de marktbedrijfstakken dit jaar vrijwel even sterk toe als in 2018 (1,4 % tegen 1,5 %). De productiviteit per hoofd zou voor het vierde opeenvolgende jaar een quasi nulgroei laten optekenen. De zwakke productiviteitsontwikkeling wordt in de hand gewerkt door de gematigde evolutie van de reële arbeidskosten. Volgend jaar zou de groei van de marktactiviteit zich stabiliseren, maar hernemen de productiviteitswinsten naarmate ook de groei van de reële arbeidskosten enigszins aantrekt. Dat leidt tot een afname van de groei van de marktwerkgelegenheid tot 0,9 %. Tijdens de daaropvolgende jaren zou de groei van de marktwerkgelegenheid verder verzwakken tot 0,5 % in 2024.

De werkgelegenheidscreatie blijft echter aanzienlijk 

In de periode 2019-2024 zou de totale werkgelegenheidscreatie in de marktbedrijfstakken aanzienlijk blijven (+191 000). In de verwerkende nijverheid zouden 19 000 arbeidsplaatsen verloren gaan, wat gecompenseerd zou worden door de jobcreatie in de bouwsector. De werkgelegenheid in de marktdiensten zou sterk blijven toenemen (+193 000 arbeidsplaatsen), terwijl de werkgelegenheid bij de overheid, bij ongewijzigd beleid, met 11 000 personen zou stijgen. In totaal zou de binnenlandse werkgelegenheid met 206 000 personen toenemen, of iets minder sterk dan tijdens de afgelopen zes jaar.

De werkloosheidsgraad daalt aanzienlijk, tot een niveau dat niet meer werd opgetekend sinds de tweede helft van de jaren 70.

Dit jaar daalt de werkloosheid minder sterk (met 27 000 personen) dan tijdens de afgelopen twee jaar, maar dat heeft gedeeltelijk te maken met statistische redenen. In de periode 2020-2022 zou de jaarlijkse afname van de werkloosheid verder verzwakken (tot -13 000 personen in 2022). In de periode 2023-2024 zou de daling van de werkloosheid opnieuw versnellen (tot -24 000 personen in 2024), aangezien de groei van de beroepsbevolking dan beduidend sterker terugvalt dan die van de werkgelegenheid. De werkloosheidsgraad zou nog 7,4 % bedragen in 2024 (tegenover 9,5 % in 2018), wat ongezien is sinds de tweede helft van de jaren 70. 

Zonder bijkomende besparingsmaatregelen zou het overheidssaldo in 2021 een structureel tekort van 2,3 % van het bbp vertonen (ongeveer 11 miljard euro) in plaats van het beoogde begrotingsevenwicht

Het Belgische overheidstekort wordt geraamd op 1,6 % van het bbp in 2019, wat een aanzienlijke verslechtering is t.o.v. 2018, toen het 0,7 % van het bbp bedroeg. Die achteruitgang is vooral aan de ontvangsten toe te schrijven, met name de uitvoering van het laatste luik van de taxshift op de personenbelasting en de daling van de ontvangsten uit de vennootschapsbelasting, na de spectaculaire stijging in 2017 en 2018 door hogere boetes voor onvoldoende voorafbetalingen.

Zonder bijkomende maatregelen bedraagt het overheidstekort 2,1 % van het bbp in 2020 en loopt het op tot 2,7 % van het bbp tegen 2024. De economische groei is immers onvoldoende om ervoor te zorgen dat de dynamiek van de ontvangsten die van de uitgaven compenseert, in het bijzonder van de pensioen- en gezondheidszorguitgaven. Bovendien dalen de rentelasten niet langer: ze zorgen niet meer voor bijkomende budgettaire ruimte, zoals voordien het geval was.

Het indicatieve stabiliteitsprogramma van België, dat is opgesteld in overeenstemming met de huidige vereisten van het Europees kader, kondigt een structureel begrotingsevenwicht aan in 2021. Het verschil tussen deze doelstelling en het structureel tekort uit deze vooruitzichten bedraagt 2,3 % van het bbp, of iets meer dan 11 miljard euro. Aan de Europese regels inzake schuldafbouw wordt evenmin voldaan: de overheidsschuld in procent van het bbp blijft vrijwel stabiel. 

Het tekort situeert zich vooral bij de federale overheid en de sociale zekerheid. De gemeenschappen en gewesten laten een beperkter tekort optekenen, terwijl de lagere overheid dicht bij het begrotingsevenwicht zou blijven.

Hoe moeten de cijfers uit de Economische vooruitzichten worden geïnterpreteerd?

Een van de opdrachten van het Federaal Planbureau (FPB) bestaat erin de beleidsmakers te helpen anticiperen op de toekomstige evolutie van de Belgische economie. Het FPB publiceert in juni de economische vooruitzichten voor de vijf volgende jaren. Die vooruitzichten worden voor België opgesteld binnen een internationaal kader dat voor de eerste twee jaren is gebaseerd op de lentevooruitzichten van de Europese Commissie en van Consensus Economics, en voor de daaropvolgende jaren op het door het IMF ontwikkelde internationale scenario. Bovendien worden die vooruitzichten opgesteld ‘bij ongewijzigd beleid’, wat betekent dat ze enkel rekening houden met maatregelen die formeel beslist zijn en waarvan de toepassingsmodaliteiten met voldoende precisie bekend zijn. Zo tonen ze de huidige trends en de omvang van de aanpassingen die vereist zijn om de economische beleidsdoelstellingen in verschillende domeinen te behalen.

Please do not visit, its a trap for bots