Het Federaal Planbureau actualiseert zijn “Economische Vooruitzichten” (11/05/1999)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Een herneming van de Europese groei


De Europese economische groei werd in 1998 aangetast door de economische en financiële crisis in Azië, in bepaalde Latijns-Amerikaanse landen en in Rusland. Deze groeivertraging zou een tijdelijk karakter hebben, gelet op de stabilisering van de toestand in de opkomende economieën, en voor zover het politieke en militaire conflict in de Balkan geen uitbreiding neemt.

De euro-zone zou de komende maanden opnieuw profiteren van de voltooiing van het convergentieproces: het herstel van de overheidsfinanciën en de zwakke inflatie zorgen voor blijvend lage reële rentevoeten, ook al zouden op middellange termijn een lichte stijging van de inflatie en een omgekeerde kapitaalbeweging een weerslag op de nominale rentevoeten hebben.

De groei van de werkgelegenheid in de euro-zone zal leiden tot een beperkte toename van de lonen, zonder evenwel de doelstelling inzake prijsstabiliteit in het gedrang te brengen. De inflatie zou niet boven 2 procent per jaar uitstijgen.

In deze gunstige monetaire en budgettaire context en met de doorgevoerde structurele hervormingen, zou de gemiddelde groei in de euro-zone hoger liggen dan de huidige trendgroei.

Een meer evenwichtige samenstelling van de Belgische groei


De Belgische economische groei zou in de loop van 1999 versnellen en aldus over de periode 1999-2004 oplopen tot jaarlijks gemiddeld 2,4 procent.

De sterke groei in 1998 werd gedragen door de privé-consumptie, terwijl de uitvoergroei terugliep. De uitvoer zou in de loop van 1999 opnieuw aantrekken. Vanaf 2000 zou de netto uitvoer een positieve bijdrage leveren tot de economische groei, dankzij de herneming van de wereldeconomie en de verbetering van de Belgische competitiviteit. Deze laatste wordt ondersteund door de in het nationale actieplan voor de werkgelegenheid voorziene vermindering van de werkgeversbijdragen.

De groei van de privé-consumptie zou als gevolg van een lichte toename van de spaarquote jaarlijks ongeveer 2 procent bedragen; de bruto kapitaalvorming van de ondernemingen (3,8 procent per jaar) zou profiteren van de dynamiek van de eindvraag en van een stijgende winstgevendheid.

Het hoge en nog groeiende Belgische handelsoverschot (tot 5,5 procent van het BBP in 2004) wijst op een verdere divergentie tussen het omvangrijke nationale spaarvolume - dat vooral toeneemt onder impuls van het overheidssparen - en de investeringen. Dit vertaalt zich in een accumulatie van Belgische schuldvorderingen op het buitenland.

Loonnorm en prijsstabiliteit


De duurzame beheersing van de loonkosten, gekoppeld aan de regelmatige uitbreiding van de productiecapaciteit, zou de toename van de binnenlandse inflatie beperken: de prijzen van de privé-consumptie zouden jaarlijks gemiddeld met 1,5 procent toenemen.

Zoals voorzien in de wet inzake de bevordering van de werkgelegenheid en de bescherming van de concurrentiekracht, zou de binnenlandse loonvorming verder bepaald worden door de ontwikkeling van de loonkosten in Frankrijk, Duitsland en Nederland. In het basisscenario van de "Economische Vooruitzichten 1999-2004" bepaalt de hieruit voortvloeiende loonnorm de maximale stijging van de brutolonen. Als gevolg van de voorziene vermindering van de werkgeversbijdragen zou de Belgische economie aldus aan concurrentiekracht winnen in de projectieperiode.

De aanhoudende groei van de werkgelegenheid (ongeveer 35.000 arbeidsplaatsen per jaar in het basisscenario) zou, net als in de periode 1995-1998, verenigbaar kunnen blijven met een gematigde ontwikkeling van de loonkosten. Een betere afstemming van het arbeidsaanbod op de vraag, zowel qua volume als op het vlak van vorming, zou de waarschijnlijkheid van dit scenario doen toenemen.

Een dergelijk werkgelegenheidsperspectief zou evenwel tot een ander scenario kunnen leiden, waarin de loonnorm de maximale stijging van de loonkost (met inbegrip van de werkgeversbijdragen) zou bepalen. De in het nationale actieplan voor de werkgelegenheid geplande verlaging van de werkgeversbijdragen zou dan worden gebruikt om de lonen te verhogen, in de plaats van de concurrentiepositie te verstevigen. In vergelijking met het basisscenario is dit scenario ongunstig voor de werkgelegenheid en de inflatie, maar voordelig voor de overheidsfinanciën.

De werkgelegenheid neemt toe, de structuur van de werkloosheid verandert


De toename van de werkgelegenheid wordt hoofdzakelijk, doch niet uitsluitend, gecreëerd door de dynamiek van de ondernemingen. De overheidstewerkstelling stijgt jaarlijks gemiddeld met 3.600 eenheden als gevolg van de arbeidsherverdeling (deeltijdse loopbaanonderbrekingen) en de diverse tewerkstellingsprogramma’s voor werklozen. De maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling van werklozen in de privé-sector en de vermindering van de werkgeversbijdragen, gekoppeld aan de aanwerving in de particuliere "non-profit" sector (sociale Maribel), leveren gemiddeld 5.400 bijkomende arbeidsplaatsen per jaar op. Iets meer dan 25 procent van de nieuwe banen zou het gevolg zijn van de vermelde specifieke maatregelen.

De beperkte stijging van de loonkosten en de ontwikkeling van de deeltijdse arbeid werken eveneens drempelverlagend voor de creatie van nieuwe banen; de productiviteitswinst per hoofd in de marktsector zou gemiddeld niet meer dan 1,5 procent per jaar bedragen.

De sectorale verdeling van de jobcreatie zou ongelijkmatig zijn. In de verwerkende nijverheid zou het verlies aan arbeidsplaatsen doorgaan (ongeveer 5.000 jobs per jaar), terwijl er voor het geheel van de verhandelbare diensten jaarlijks gemiddeld 36.000 arbeidsplaatsen zouden bijkomen.

Op middellange termijn zou de werkloosheid in belangrijke mate afnemen, maar de omvang verschilt naargelang men de oudere uitkeringsgerechtigde niet-werkzoekende werklozen al dan niet in aanmerking neemt. Het aantal werklozen in deze categorie zou spectaculair toenemen, vooral als gevolg van de demografische ontwikkeling en de verhoging van de pensioenleeftijd voor de vrouwen.

Bij ongewijzigd beleid stijgt het primair overschot


Het basisscenario gaat uit van de verdere handhaving van een strikt beheer van de overheidsuitgaven, evenwel zonder nieuwe besparingsmaatregelen: de lonen bij de overheid stijgen slechts ten belope van de wage drift (met name door de veroudering van de ambtenaren en de aanwerving van hoger geschoold personeel) en van de reeds vroeger goedgekeurde revalorisaties; de vervangingsinkomens, noch de daarop van toepassing zijnde plafonds en forfaits worden in reële termen verhoogd, met uitzondering van de weerslag van maatregelen genomen in het kader van de begroting 1999 en de in de pensioenhervorming voorziene bepalingen.

Zo ook worden de bepalingen op het vlak van de verplichte afhoudingen slechts aangepast in geval van duidelijk genomen beslissingen, zoals de in het nationale actieplan voor de werkgelegenheid voorziene vermindering van de werkgeversbijdragen en de herindexering van de belastingschalen.

Bij die hypothesen zou de reële groei van de primaire uitgaven gemiddeld 1,5 procent per jaar bedragen, tegenover 1,3 procent tijdens de vijf jongste jaren. Daar de ontvangsten jaarlijks gemiddeld met 2 procent zouden stijgen, zou het primair overschot met 1 procentpunt van het BBP toenemen, nl. van 6,1 procent in 1998 tot 7,1 procent in 2004. In het begin van de projectieperiode zou de verbetering trager verlopen.

Het overheidstekort verdwijnt, de budgettaire marges nemen toe


De financieringsbehoefte van de gezamenlijke overheid zou niet alleen dankzij het primaire overschot, maar vooral als gevolg van de lagere rentelasten worden teruggedrongen. In 2001 zou het tekort volledig verdwijnen. Nadien zou er bij de federale overheid een begrotingsoverschot ontstaan. Het is immers de federale overheid die van de lagere rentelasten geniet. Er moet bovendien op worden gewezen dat er zich, in begrotingstermen, bij de sociale zekerheid van de loontrekkenden een tekort zou ontwikkelen, als gevolg van de in het nationaal actieplan voor de werkgelegenheid geplande vermindering van de sociale bijdragen.

De uit de macro-economische context voortvloeiende begrotingsmarges werden geraamd uitgaande van de begrotingsdoelstellingen, gedefinieerd op basis van, enerzijds, het Belgische stabiliteitsprogramma en, anderzijds, het Europese Groei- en Stabiliteitspact.

Tegen 2002, d.i. de einddatum van het in december jongstleden door België ingediende stabiliteitsprogramma, zouden de gecumuleerde totale begrotingsmarges 0,6 procent van het BBP, ofwel 60 miljard frank bedragen. Zij zouden ongeveer gelijkmatig over de periode 2000-2002 verdeeld zijn (ongeveer 0,2 procent van het BBP aan bijkomende marges in 2000, 2001 en 2002). In 2003 en 2004 zouden de totale marges aanzienlijk kunnen worden, omdat de financieringscapaciteit bij gelijkblijvend beleid ruimschoots positief zou worden (1,7 procent van het BBP in 2004, d.i. nominaal 195 miljard). De nieuwe marges zouden in 2003 0,7 procent van het BBP bereiken en 0,5 procent van het BBP in 2004.

Dit resultaat veronderstelt dat de conjuncturele boni niet besteed worden aan de vermindering van de overheidsschuld. Mochten deze boni volledig voor de vermindering van de overheidsschuld worden aangewend, dan zouden de gecumuleerde nieuwe jaarlijkse marges in 2004 ongeveer 150 miljard frank bedragen.

De marges kunnen gebruikt worden om de uitgaven te verhogen, om de afhoudingen te verlagen of om de schuldafbouw te versnellen.

Een "neutraal" scenario, met een proportionele toekenning van de marges aan de voornaamste posten van de primaire uitgaven (die zouden toenemen) en van de verplichte afhoudingen (die zouden verminderen) werd bestudeerd. In dit scenario verbeteren de economische groei en de werkgelegenheid.

Deze aanwending van de marges vertraagt een weinig de schuldafbouw. Binnenkort zal een bijkomende analyse worden gemaakt over het verband tussen de aanwending van de marges en de houdbaarheid op lange termijn van de overheidsfinanciën, met het oog op de demografische schok vanaf 2010.

  Thema's

None

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots