Veertig jaar arbeidsduurontwikkeling in België (22/12/1997)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Sedert zijn oprichting heeft het Federaal Planbureau, met de hulp van verscheidene overheidsinstellingen en ministeries, statistieken omtrent de arbeidsduur in België verzameld, statistieken die vooral gebruikt werden bij het opstellen van de steeds weerkerende middellangetermijnprojecties.

Het Federaal Planbureau stelt met deze Planning Paper een historisch en gedetailleerd statistisch instrument ter beschikking, dat jaarlijks geactualiseerd zal worden .

De Paper bevat twee gedeelten. Het eerste gedeelte behandelt de methodologische aspecten, die een rol speelden bij het opstellen van de statistische reeksen, en geeft een beschrijvende analyse van deze reek-sen. Het tweede gedeelte vormt het eigenlijke statistische dossier, dat de periode 1955-1995 bestrijkt.

De ramingen van de jaarlijkse arbeidsduur van de loonen weddetrekkenden werden opgebouwd rond drie concepten:

  • de conventionele jaarlijkse arbeidsduur per bedrijfstak voor respectievelijk de arbeiders, de bedienden en alle loonen weddetrekkenden in de ondernemingen. Dit concept, dat gebaseerd is op infor-matie uit de collectieve arbeidsovereenkomsten, maakt het mogelijk de tussen de sociale partners overeengekomen "norm" inzake arbeidsduur op te volgen; 
     
  • de werkelijke jaarlijkse arbeidsduur. Voor de arbeiders uit de be- en verwerkende nijverheid konden dank zij de gegevens van het NIS voor dit concept langetermijnramingen opgesteld worden met een-zelfde sectorale uitsplitsing als voor de conventionele arbeidsduur. Voor alle loonen weddetrekkenden samen beschikt men echter enkel over de EUROSTAT-gegevens op basis van de enquêtes omtrent de arbeidskrachten, die een recentere periode (1983-1994) bestrijken en waarvoor de secto-rale uitsplitsing eerder beperkt is; 
     
  • de deeltijdse arbeid, waarvan de raming, per bedrijfstak, vooral gebeurde op basis van de enquêtes omtrent de arbeidskrachten. Twee aspecten van deeltijdarbeid worden belicht: het aandeel deeltijds werkenden in de totale werkgelegenheid en de relatieve arbeidsduur van deeltijdse arbeid t.o.v. de arbeidsduur van voltijdse arbeid.

De analyse van de gegevens toont aan dat de trendmatige daling van de arbeidsduur op lange termijn voortgezet werd; de voltijdse loontrekkende van 1995 werkt nog slechts 3/4 van wat zijn equivalent in 1955 werkte. Er is sprake van twee grote subperiodes:

  • Vóór 1974-1975 daalt de jaarlijkse arbeidsduur zeer snel, bijna uitsluitend als gevolg van de vermindering van de conventionele arbeidsduur (deze slaat per definitie op een "voltijdse" betrekking). Deze gold voor alle bedrijfstakken en zowel voor arbeiders als voor bedienden. Zij volgde een sociale logica van verdeling van de vruchten van de groei ten gevolge van een 'deugdzame macro-economische kringloop' : sterke en regelmatige groei van de activiteit en van het levenspeil, gekenmerkt door belangrijke productiviteitswinsten, een aanhoudende loonstijging en een daling van de werkloosheid. 
     
  • Na 1975, jaar waarin de laatste interprofessionele overeenkomst inzake arbeidsduurvermindering werd afgesloten, beïnvloedt de trage economische groei ondermeer de groei van de werkgelegenheid. Het ontstaan en de hardnekkigheid van massale werkloosheid brengt er de sociale partners toe te onderhandelen over een verdeling van beduidend minder hoge productiviteitswinsten dan voor-heen over loonstijging, arbeidsduurvermindering en creatie of minder afbouw van werkgelegen-heid. Dit gebeurt nu binnen een logica van arbeidsverdeling, waarbij de overheid een steeds grotere rol gaat spelen. Nadat in het begin van de tachtiger jaren de conventionele arbeidsduur nog verminderde - zij het minder sterk dan voorheen - is zij sindsdien quasi onveranderd gebleven. Alleen de uitbreiding van de deeltijdse arbeid zorgt nog voor een lichte vermindering van de gemiddelde ar-beidsduur, en dan vooral in de marktdiensten en bijna uitsluitend bij de vrouwen.

De analyse gaat anderzijds ook in op het verschil tussen de conventionele en de werkelijke arbeidsduur van de arbeiders in de be- en verwerkende nijverheid. Dit verschil vergroot bruusk in 1975 zonder nadien volledig terug te keren naar het uitgangsniveau. De econometrische raming legt een duidelijk verband tussen dit verschijnsel en de bezettingsgraad van de productiecapaciteit, die in datzelfde jaar eveneens fors daalt en nadien onder het niveau van vóór 1975 blijft.

 

  Thema's

None

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots