De wereldeconomie groeit minder sterk en wordt beïnvloed door de toenemende vergrijzing (14/02/2007)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Het Federaal Planbureau stelt zijn nieuwe mondiale macro-economische projectie 2007-2013 voor in de publicatie 'The NIME Outlook for the World Economy'.

Voor de periode 2007-2013 zou, volgens de projectie, de mondiale economische groei minder sterk zijn en zou de inflatie over het algemeen goed onder controle blijven. De groei wordt vooral geschraagd door een regelmatige productiviteitsstijging en een sterke groei van de binnenlandse vraag. De groei van het bruto binnenlands product (bbp) kent echter een terugval in Japan over de gehele periode en vanaf 2010 in de eurozone. In de eurozone en Japan wordt de groei neerwaarts beïnvloed door een daling van de bevolking op arbeidsleeftijd, waardoor de druk op de beroepsbevolking toeneemt. Door die demografische ontwikkelingen krimpt het arbeidsaanbod en wordt een opwaartse druk uitgeoefend op de reele lonen, en aldus op de inflatie. De grotere inflatoire spanningen zouden de monetaire overheden ertoe aanzetten in te grijpen om prijsstabiliteit te waarborgen. Daardoor stijgen de rentevoeten over de volledige periode 2007-2013, zowel in Japan als in de eurozone. De inflatie wordt echter ingedijkt door een gestage daling van de olieprijzen. De internationale groeivooruitzichten lijken momenteel onderhevig te zijn aan één grote onzekerheid: hoewel het begrotingstekort van de Verenigde Staten geleidelijk verdwijnt en op middellange termijn wordt omgevormd tot een overschot, blijft het aanzienlijke tekort op de lopende rekeningen een grote bedreiging vormen voor de externe waarde van de dollar.

De economische groei van de eurozone: gunstige fundamenten die echter in gevaar worden gebracht door een daling van de bevolking op arbeidsleeftijd

Na een jaar van sterke economische groei in 2006, wordt de groei van het bruto binnenlands product (bbp) voor de eurozone geschat op 2,1 % in 2007, terwijl de deflator van de particuliere consumptie met 1,8 % toeneemt. Die groeivoortzetting is in belangrijke mate te danken aan een sterkere werkgelegenheidsgroei en gunstige reële loonontwikkelingen, en dit ondanks een strakker monetair beleid.

Over de periode 2007-2013, wordt de gemiddelde bbp-groei voor de eurozone geschat op gemiddeld 1,8 % per jaar. Die groei wordt hoofdzakelijk ondersteund door een robuuste groei van de binnenlandse vraag. De stijging van de particuliere consumptieprijzen bedraagt gemiddeld 2 % over dezelfde periode, maar de inflatie versnelt en bereikt 2,3 % op het einde van de projectieperiode. De nominale korte rente stijgt geleidelijk van een gemiddelde van 4 % in 2007 naar 4,9 % in 2013, waardoor de toename van de inflatoire spanningen beperkt blijft. De nominale lange rente stijgt van 4,4 % in 2007 naar 5 % op middellange termijn. Na een depreciatie in de jaren 2005 en 2006 met respectievelijk 1,8 % en 0,1 %, zou de nominale effectieve wisselkoers van de eurozone appreciëren met 1,9 % in 2007. Vervolgens zou de nominale effectieve wisselkoers verder appreciëren met gemiddeld 2,7 % per jaar tijdens de volledige projectieperiode, hoofdzakelijk als gevolg van een combinatie van hogere rentevoeten in de eurozone en een hogere inflatie in de rest van de wereld. Ondanks de vergrijzing van de bevolking en de toename van de overdrachten aan de gezinnen, wordt er aanzienlijke vooruitgang geboekt op het vlak van de begrotingsconsolidatie; het begrotingstekort van de overheden in de eurozone zou dalen van 1,9 % van het bbp in 2007 naar 0,9 % van bbp in 2013. De economische fundamenten in de eurozone lijken over het algemeen gunstig en vertonen een evenwichtig groeiperspectief op middellange termijn, dat weliswaar bedreigd wordt door de impact van de vergrijzing van de bevolking op de economische groei.

Groei van de Amerikaanse economie verzwakt door de geplande uitdoving van diverse belastingverlagingen die het begrotingstekort zouden kunnen wegwerken

In de Verenigde Staten zou de bbp-groei sterk blijven en 2,6 % bedragen in 2007. Voor de periode van 2007 tot 2013 wordt een bbp-groei van gemiddeld 2,6 % per jaar verwacht. De groei van het bbp zou aanzienlijk verschillen tijdens de projectieperiode: na een verbetering, zou de groei aanzienlijk vertragen in 2011. In dat jaar zouden belangrijke belastingverlagingen uitdoven en verdwijnen volgens het huidige tijdsschema. Onder invloed van een reeks renteverhogingen tijdens de laatste jaren en de verwachte daling van de olieprijzen, zou de inflatie dalen van 3,1 % in 2006 tot slechts 2,3 % in 2007. Bovendien zou een sterke groei van de arbeidsproductiviteit over de gehele periode de stijging van de loonkosten per eenheid product helpen indijken en aldus de inflatiedruk afzwakken. De nominale korte rente zou dalen van een jaarlijks gemiddeld niveau van 4,9 % in 2007 naar 3,8 % in 2013. De inflatie zou over het algemeen onder controle blijven met een jaarlijks gemiddeld tempo van 2,1 % over de periode 2007-2013. De netto-uitvoer zou slechts in lichte mate positief bijdragen tot de groei van de Amerikaanse economie vanaf 2011. De nominale effectieve wisselkoers van de dollar apprecieert jaarlijks gemiddeld met 2,5 % door de hogere gemiddelde inflatie in de rest van de wereld (behalve de EU en Japan). Zolang de externe waarde van de dollar niet onderhevig is aan grote of onverwachte schokken, zou het tekort op de lopende rekeningen in de Verenigde Staten relatief stabiel blijven, maar aanhoudend op een hoog niveau blijven gedurende de gehele projectieperiode. Als gevolg van het uitdoven van belangrijke belastingverlagingen tegen 2013, zou het Amerikaanse begrotingsdeficit, bij ongewijzigd beleid, geleidelijk verdwijnen en plaats maken voor een begrotingsoverschot van 0,3 % van het bbp in 2013.

Economische groei in Japan verzwakt onder invloed van de toenemende vergrijzing

Het Japanse bbp zou met 2,9 % per jaar stijgen in 2007 en gedurende de periode 2007-2013 gemiddeld met 2,2 %. Die gemiddelde groei is relatief bevredigend, maar zal toch merkbaar verzwakken tijdens de projectieperiode omdat het arbeidsaanbod schaarser wordt als gevolg van de vergrijzing van de bevolking. In 2007 zou de deflator van de particuliere consumptie zich losmaken van de 8 opeenvolgende jaren van deflatie en opnieuw aanknopen met een positieve groeivoet van 0,2 % op jaarbasis. De inflatie zou gemiddeld 1,3 % bedragen tijdens de projectieperiode. Bijgevolg stijgt de nominale korte rente van een jaarlijks gemiddeld niveau van 0,8 % in 2007 naar 4,2 % in 2013. Bij ongewijzigd beleid, zou het Japanse deficit van de overheidsfinanciën 5,1 % van het bbp bedragen in 2007 en dalen tot 4,5 % van het bbp in 2011, alvorens terug op te klimmen tot 4,8 % van het bbp in 2013. Dat stijgende deficit vanaf 2012 benadrukt hoe moeilijk het is om op lange termijn een begrotingsconsolidatie na te streven, omdat een dergelijk herstel van het begrotingsevenwicht, dat gelijktijdig met een normalisatie van het monetair beleid wordt gevoerd, onvermijdelijk op de groeivooruitzichten op middellange termijn zou wegen.

Evolutie in de overige zones en belangrijkste onzekerheden

De groei van het bbp van de westerse lidstaten van de Europese Unie die niet tot de eurozone behoren (Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Zweden) zou, stevig ondersteund door een robuuste binnenlandse vraag, gemiddeld 3 % per jaar bedragen in de periode 2007-2013. De stijging van de particuliere consumptieprijzen zou gemiddeld 2,2 % per jaar bedragen over de periode 2007-2013. Demografische factoren zouden de belangrijkste reden zijn van de geleidelijke daling van de relatief robuuste groei van de binnenlandse vraag.

De groei van het bbp van de twaalf nieuwe lidstaten van de Europese Unie zou gemiddeld 4,5 % per jaar bedragen over de periode 2007-2013. De deflator van de particuliere consumptie zou jaarlijks gemiddeld met 2,1 % stijgen over dezelfde periode.

De economische groei in de zone waarin de rest van de wereld zit, zou per jaar gemiddeld een tempo van 5,5 % halen over de periode 2007-2013, terwijl de inflatie gemiddeld in een tempo van 4,7 % per jaar zou evolueren.

Tot slot, gelet op zijn potentieel om de groei en de stabiliteit van de wereldeconomie negatief te beïnvloeden, is een mogelijke sterke en plotse dollardepreciatie het grootste risico bij deze vooruitzichten.

  Thema's

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots