De vooruitzichten voor de wereldeconomie 2007-2013: een relatief stabiele bbp-groei wereldwijd maar beduidend negatieve effecten op de groei en de inflatie in Europa en Japan als gevolg van de vergrijzing (10/09/2007)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Het Federaal Planbureau stelt een internationale macro-economische projectie voor de periode 2007-2013 voor in zijn publicatie ‘The Nime Outlook for the World Economy’ van augustus 2007.

Voor de periode 2007-2013 zou de outputgroei wereldwijd relatief stabiel blijven en zou de inflatie in het algemeen onder controle gehouden worden. De outputgroei wordt in de eerste plaats geschraagd door de productiviteitsgroei en de binnenlandse vraag. Toch zou de groei van het bruto binnenlands product (bbp) in Japan dalen tijdens de volledige projectieperiode. In de eurozone zou de groei van het bbp vanaf 2010 afnemen. De demografische druk in Japan en in de eurozone maakt arbeid steeds schaarser, waardoor de inflatie wordt aangewakkerd door de reële loondruk en de beperkingen van de productiecapaciteit. De monetaire overheden dienen in te grijpen om de toename van de inflatoire spanningen te bedwingen waardoor de interestvoeten tijdens de projectieperiode de hoogte worden ingedreven. In de Verenigde Staten zou de groei over het algemeen robuust blijven. Zowel de begroting als de tekorten op de lopende rekening zouden in procent van het bbp afnemen. Deze vooruitzichten lijken momenteel onderworpen te zijn aan een belangrijk risico op korte termijn en twee risico’s op middellange termijn, opwaarts en neerwaarts. Op korte termijn ligt het neerwaartse risico in de mogelijke bijwerking van de huidige beroering op de financiële markten die de groei in 2007 en 2008 zou kunnen aantasten. Op middellange termijn kan er een neerwaarts risico gezien worden in de aanhoudend scherpe stijging van de olieprijzen die de groeivooruitzichten kunnen vertragen. Een opwaarts risico op middellange termijn kan ontstaan naar aanleiding van recente inspanningen om de trendmatige productiviteitsgroei in Europa en Japan te doen toenemen. Dat zou kunnen leiden tot groeivoeten die op middellange termijn hoger uitvallen dan verwacht.

Op middellange termijn zou de bbp-groeitrend van de eurozone verzwakken omdat de bevolking op arbeidsleeftijd afneemt. De inflatie zou onder controle moeten blijven door de stijgende rentevoeten en het fiscale deficit van de eurozone zou plaats moeten ruimen voor een netto-overschot vanaf 2010.

Na een jaar waarin de bbp-groei van de eurozone boven de groeitrend uitkwam in 2006, zou die groei in 2007 op een iets matigere 2,5 % uitkomen. Tegelijk zou de deflator van de particuliere consumptie stijgen met 1,9 %. De groei van de eurozone steunt op een sterke stijging in werkgelegenheid, in reële loonstijgingen en op een positieve bijdrage uit de netto-uitvoer. Over de volledige projectieperiode zou de reële bbp-groei van de eurozone een gemiddelde groeivoet van 1,9 % per jaar behalen. De groei zou hoofdzakelijk geschraagd worden door een robuuste binnenlandse vraag, maar zou in het kielzog van een dalende bevolking op arbeidsleeftijd afnemen. De inflatie zou stabiel blijven omdat de monetaire overheden de rentevoeten optrekken om de stijgende inflatiedruk tegen te gaan die voortkomt uit de krappere arbeidsmarkt. De nominale effectieve wisselkoers van de eurozone zou in 2007 depreciëren. Over de volledige periode 2007-2013 zou de nominale effectieve wisselkoers echter beduidend appreciëren als gevolg van een combinatie van een hogere gemiddelde inflatie in de rest van de wereld en stijgende rentevoeten in de eurozone. In de periode 2007-2013 zou de begrotingsconsolidatie sterk vooruitgang boeken zoals aangetoond wordt door de betere fiscale positie van de eurozone die evolueert van een deficit van 1 % van het bbp in 2007 naar een overschot van 0,8 % van het bbp in 2013.

De middellangetermijngroei in de VS zou relatief veerkrachtig zijn, hoewel belangrijke fiscale voorzieningen ten einde lopen en nadelig inwerken op de binnenlandse vraag. Grote macro-economische onevenwichten zouden geleidelijk afnemen omdat zowel het Amerikaanse begrotingsdeficit als het deficit
van de lopende rekening daalt in procent van het bbp tijdens de projectieperiode.

In de Verenigde Staten zou de reële bbp-groei terugvallen op 1,9 % in 2007. Over de volledige periode 2007-2013 zou het reële bbp groeien met een jaarlijks gemiddelde van 2,8 %. De binnenlandse uitgaven en de totale bbp-groei zouden echter in de jaren 2011 tot 2013 negatief beïnvloed worden doordat grote belastingverlagingen ten einde lopen. De particuliere consumptieprijzen zouden vrij stabiel blijven in de periode 2007-2013 omdat de olieprijzen zich stabiliseren en omdat de sterke productiviteitsgroei tot algemeen dalende arbeidskosten per eenheid product leiden. Na een forse depreciatie met 7,9 % in 2007, zou de nominale effectieve wisselkoers van de dollar appreciëren tijdens de projectieperiode. Dat is in hoofdzaak het gevolg van de hogere gemiddelde inflatie in de rest van de wereld. Het Amerikaanse begrotingsdeficit zou geleidelijk verbeteren van 2,6 % van het bbp in 2007 tot slechts 0,3 % van het bbp in 2013. Het tekort op de lopende rekeningen in de Verenigde Staten zou ook dalen van 5,7 % van het bbp in 2007 naar 4,6 % van het bbp in 2013 dankzij een algemeen gunstige ruilvoetontwikkeling en een sterke stijging van de exportvolumes.

De economische groei in Japan zou tijdens de projectieperiode verzwakken onder invloed van de toenemende vergrijzing en een schaarser
arbeidsaanbod. Vanaf 2009 zou de inflatie op jaarbasis opnieuw opflakkeren. De huidige strikte begrotingsconsolidatie zou op korte termijn leiden tot een daling van het overheidstekort, maar biedt geen garantie op een duurzaam begrotingsevenwicht.

De reële groei van het Japanse bbp zou met 2,4 % per jaar stijgen in 2007 en gedurende de periode 2007-2013 gemiddeld met 1,3 %. De groei is aanzienlijk tijdens de eerste jaren van de projectieperiode, maar zou daarna sterk afzwakken door de gestage inkrimping van het arbeidsaanbod als gevolg van de vergrijzing van de bevolking. De inflatie zou op jaarbasis 0 % benaderen in 2007 en 2008, maar zou daarna stijgen en een jaarlijks gemiddelde van 1 % bereiken tijdens de periode 2007-2013. Bijgevolg stijgt de nominale korte rente aanzienlijk tijdens de projectieperiode. De verdere uitvoering van het fiscale pakket dat ernaar streeft tegen het begrotingsjaar 2011 een primair begrotingsevenwicht te bereiken, zou het Japanse deficit van de overheidsfinanciën doen dalen van 3,8 % van het bbp in 2007 naar 3 % van het bbp in 2009. Vanaf 2010 zou echter een verdere verstrakking van het begrotingsbeleid nodig zijn aangezien het begrotingsdeficit opnieuw zou vergroten tijdens de laatste jaren van de projectieperiode.

Vooruitzichten op middellange termijn voor de overige zones en belangrijkste onzekerheden

De groei van het bbp van de westerse landen van de Europese Unie die niet tot de eurozone behoren (Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) zou, stevig ondersteund door een robuuste binnenlandse vraag, gemiddeld 3,1 % per jaar bedragen in de periode 2007-2013. De stijging van de particuliere consumptieprijzen zou gemiddeld 2,3 % per jaar bedragen over de periode 2007-2013. Demografische factoren zouden de voornaamste reden zijn voor de ommekeer van een anders gezonde, binnenlands gedreven economische expansie, waarbij de begroting een overschot zou laten optekenen en het huidige tekort op de lopende rekening zich zou stabiliseren.

De groei van het reële bbp van de nieuwe lidstaten van de Europese Unie zou gemiddeld 5,8 % per jaar bedragen tijdens de periode 2007-2013. De deflator van de particuliere consumptie zou jaarlijks gemiddeld met 4,1 % stijgen. Groei en inflatie zouden ondersteund worden door een sterke stijging van de consumptie en de investeringen aangezien die zone streeft naar een snelle convergentie met de rest van de Europese Unie.

De toename van de bruto-output in de rest van de wereld, zou per jaar gemiddeld 6,7 % over de periode 2007-2013 bedragen, terwijl de inflatie gemiddeld met 4,9 % per jaar zou stijgen. De economische groei zou dus sterk blijven en zelfs iets hoger liggen dan de gemiddelde jaarlijkse stijging van 6,2 % uit de periode 2000-2006.

  Thema's

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots