Budgettaire kosten en impact van de recente maatregelen in de pensioenregeling voor zelfstandigen op het gemiddelde pensioen (11/03/2008)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

De voorbije 5 jaar werden een aantal belangrijke maatregelen genomen in verband met de pensioenregeling voor zelfstandigen. Die maatregelen waren er enerzijds op gericht de levensstandaard van de gepensioneerden op peil te houden en anderzijds de activiteitsgraden tussen 60 en 65 jaar op te trekken. De voorliggende studie van het Federaal Planbureau handelt over de budgettaire kosten van die hervormingen op korte, middellange en lange termijn en hun impact op het gemiddelde pensioen van de verschillende categorieën van gepensioneerden in de zelfstandigenregeling.

Het gehanteerde model (MoSES - Model of the Self-Employed Scheme) is een gedetailleerd werkinstrument dat een onderscheid maakt tussen de verschillende pensioencategorieën volgens geslacht, de vroegere beroepsactiviteit, het type loopbaan (‘zuiver’ of ‘gemengd’), de loopbaanduur, het soort pensioen (rust- of overlevingspensioen), het pensioenbedrag (gezin of alleenstaande), de pensioenleeftijd en het feit of het minimumpensioen al dan niet werd toegekend. Dankzij die benadering was het onder meer mogelijk rekening te houden met de impact van twee essentiële kenmerken van de regeling, namelijk het overwicht van het minimumpensioen en het feit dat de meeste gerechtigden een gemengd pensioen genieten, d.w.z. een pensioen in de zelfstandigenregeling en een pensioen in de werknemersregeling.

Tussen 2004 en 2007 zijn de pensioenen ingegaan tussen 1996 en 2001 met 2% gestegen in het kader van welvaartsaanpassingen voor oudere gepensioneerden. Gedurende dezelfde periode is het minimumpensioen tot vier keer toe verhoogd, telkens met ongeveer 4%. In januari 2007 werd de malus voor vervroegde uittreding gewijzigd en is de pensioenbonus van toepassing geworden. Die pensioenbonus heeft tot doel de werkelijke pensioenleeftijd op te trekken. Voor de jaren 2007 en 2008, ten slotte, werd een welvaartsbonus ingevoerd. In totaal hebben die maatregelen geleid tot budgettaire meerkosten die geraamd worden op 393 miljoen in 2012 en die zullen oplopen tot 759 miljoen euro in 2050 (in constante euro 2004). Er dient te worden opgemerkt dat de voorliggende studie zich beperkt tot de zelfstandigenregeling en geen rekening houdt met de impact van de maatregelen op de uitgaven m.b.t. de inkomensgarantie voor ouderen.

De welvaartsaanpassingen van 2004 tot 2007 zijn gericht op specifieke generaties van gepensioneerden: de aanpassing van 2004, bijvoorbeeld, heeft slechts betrekking op 2,7% van de gepensioneerde bevolking. Die aanpassingen komen bovendien niet ten goede aan de gerechtigden op het minimumpensioen die toch de meerderheid vormen in die regeling, maar wel aan de gepensioneerden die een pensioen genieten dat lager is dan het gemiddelde (wegens beperkte of gemengde loopbanen). De budgettaire kosten van de welvaartsaanpassingen zijn relatief laag: 3 miljoen euro in 2008, waarna ze dalen. In 2030 bedraagt de kost van die maatregel nog slechts 0,31 miljoen euro.

In tegenstelling tot de gerichte welvaartsaanpassingen, heeft de verhoging van het minimumpensioen betrekking op een zeer groot aantal gepensioneerden in de zelfstandigenregeling: de stijging van de minima in 2004, bijvoorbeeld, zorgde voor een pensioenverhoging bij 54% van de gepensioneerde bevolking. De budgettaire kosten van een verhoging van het minimumpensioen zijn dan ook veel groter. In 2008 bedragen de budgettaire kosten van de vier bovenvermelde verhogingen 249 miljoen euro. Die meeruitgaven hebben bovendien een structureel karakter en evolueren naargelang van het aantal gerechtigden: in 2030 bedragen de meerkosten als gevolg van de maatregel 299 miljoen euro en in 2050, 277 miljoen euro.

De wijziging van de malus voor vervroegde uittreding heeft slechts een geringe impact op het gemiddelde pensioen en brengt weinig budgettaire kosten mee. De pensioenbonus van 2 euro per gepresteerde werkdag na de leeftijd van 62 jaar (tot 65 jaar inclusief) daarentegen is van een heel andere grootteorde, ook al zijn er bepaalde restricties die de impact ervan beperken. Gedurende een overgangsperiode (van 2007 tot 2010) genieten de opeenvolgende generaties van nieuwgepensioneerden een aanzienlijke verhoging van het aantal werkdagen dat verrekend wordt bij het bepalen van de bonus. In totaal en rekening houdend met een daaropvolgende beperkte verhoging van de werkelijke pensioenleeftijd, zouden de jaarlijkse budgettaire kosten van de maatregel oplopen tot 12 miljoen euro in 2008, 66 miljoen euro in 2011, 380 miljoen euro in 2030 en 450 miljoen euro in 2050.

De welvaartsbonus is een complexe maatregel die selectieve welvaartsaanpassingen en een stijging van het minimumpensioen combineert met een forfaitaire bonus. In totaal leidt het mechanisme van de forfaitaire bonus tot meerkosten: in 2007 zouden de verhoging van het minimumpensioen en de welvaartsaanpassingen zonder forfaitaire bonus 11 miljoen euro hebben gekost, terwijl met toekenning van de bonus de kosten 16 miljoen bedragen. In 2008 is dit respectievelijk 34 en 39 miljoen euro. Op lange termijn en bij gebrek aan structurele maatregelen die de toekenning van de forfaitaire bonus verlengen voor de gepensioneerden die geen minimumpensioen genieten, zorgt alleen al de verhoging van dat minimumpensioen voor budgettaire
kosten ten bedrage van 35 miljoen euro in 2010 en 45 miljoen euro per jaar in de periode 2030-2050.

Zonder maatregelen zouden de pensioenuitgaven in de zelfstandigenregeling, uitgedrukt in % van het bbp, dalen van 0,7% in 2004 tot 0,5% in 2030 en 0,4% in 2050. Het geheel van de in dit document onderzochte maatregelen houden de uitgaven in % bbp ongeveer stabiel op 0,7% tot 2030 om daarna te dalen tot 0,6% in 2050.

  Thema's

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots