Het verlies aan concurrentievermogen van België: een analyse vanuit twee invalshoeken (11/06/2009)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Tijdens de afgelopen jaren veranderde het Belgische overschot op de lopende rekening in een tekort. Die materie wordt vanuit twee verschillende invalshoeken behandeld.

Marktaandelen, concurrentievermogen en de lopende rekening

De Belgische lopende rekening evolueerde van een groot overschot van gemiddeld 5% van het bbp in de periode 1994-2002 naar een tekort van 1,3% in 2008. Die achteruitgang is voor meer dan de helft te wijten aan de verslechtering van de ruilvoet (invoerprijzen die sneller groeien dan uitvoerprijzen), die zelf op zijn beurt een gevolg is van de sterk gestegen olie- en andere grondstoffenprijzen. Het achterblijven van de volumegroei van de uitvoer op de volumegroei van de invoer is een andere belangrijke verantwoordelijke. De daling van het saldo van de arbeids- en kapitaalsinkomsten met de rest van de wereld is een andere belangrijke verantwoordelijke, zoals geïllustreerd wordt in de tabel hieronder.

De relatieve zwakte van de Belgische uitvoergroei is van bijzonder belang en is ook zichtbaar in de evolutie van het Belgische uitvoermarktaandeel. Sinds 2002 loopt het verlies aan marktaandeel (gedefinieerd als het verschil tussen de Belgische uitvoergroei en de groei van de uitvoermarkten of de wereldhandel) gestaag op en was vooral in 2006 uitzonderlijk groot. Dat is deels een gevolg van de verslechtering van het concurrentievermogen. Bij de opsplitsing van het  concurrentievermogen blijkt vooral de appreciatie van de euro verantwoordelijk te zijn daar de loonkosten in nationale munt gecorrigeerd voor productiviteitswinsten t.o.v. onze belangrijkste handelspartners over de periode onder controle blijven. Die stabilisatie over de periode 2000-2007 verhult echter een aanzienlijke toename in de jaren 2005 tot 2007, die vooral te wijten is aan de zeer sterke loonmatiging in Duitsland. Die ontwikkeling zal vermoedelijk aanhouden in 2008 en 2009.

Bijdragen tot de verandering van het saldo van de lopende rekening (2002-2008)
  In % van het bbp In % van de totale verslechtering van de lopende rekening
Saldo van lopende verrichtingen -6,3 100,0
 Handelsbalans -5,5 86,9
  - Volume-effect -2,1 33,2
  - Ruilvoeteffect -3,4 53,7
 Saldo factorinkomens -0,7 11,6
 Saldo overdrachten -0,1 1,3
Bron:INR, FPB

Evoluties in het concurrentievermogen alleen zijn echter ontoereikend om het dalende marktaandeel te verklaren. Andere structurele factoren, zoals de productsamenstelling van de uitvoer, speelden gaandeweg een grotere rol in het afkalvende marktaandeel. Andere structurele factoren, zoals de minder grote dynamiek van de vraag naar bepaalde goederen of de vraag in bepaalde markten en de productsamenstelling van de uitvoer, speelden ook een rol in de verklaring van het afkalvende marktaandeel.

De concurrentiepositie van de Belgische economie in Europa

Het concurrentievermogen van de Belgische economie kan ook worden onderzocht op basis van de evolutie van het aandeel van de Belgische bedrijfstakken in de toegevoegde waarde, die jaarlijks door lidstaten van de EU (de EU-15) wordt gecreëerd. Die aanpak belicht de materie vanuit een andere invalshoek dan de vorige benadering, maar vormt er tegelijk een aanvulling op. De uitvoer verhogen komt inderdaad niet ten goede aan het land indien de inhoud aan binnenlandse toegevoegde waarde van die uitvoer daalt, d.w.z. indien die uitvoer meer gebruik maakt van buitenlandse onderaannemers.

Tussen 2000 en 2005 was er een lichte daling van het aandeel van de Belgische verwerkende nijverheid in de Europese toegevoegde waarde. Een groot aantal Belgische bedrijfstakken van de verwerkende nijverheid lieten inderdaad een geringere groei van hun toegevoegde waarde optekenen dan hun Europese tegenhangers. Die relatieve zwakte ging gepaard met een snellere toename van de prijzen van de toegevoegde waarde van die bedrijfstakken in België dan het gemiddelde in de EU-15.

Waarom stijgen de prijzen van de toegevoegde waarde? Onder gelijkblijvende omstandigheden stijgen de prijzen wanneer de kostprijs per geproduceerde eenheid arbeid of kapitaal toeneemt. De kosten per eenheid product van de productiefactoren stijgen wanneer het uurloon sneller stijgt dan de groei van de arbeidsproductiviteit of wanneer de verloning van een eenheid kapitaal sneller stijgt dan de groei van de kapitaalproductiviteit.

De relatief snellere prijsstijging die tussen 2000 en 2005 in de Belgische verwerkende nijverheid werd waargenomen, wordt voor bijna twee derde verklaard door de relatief snellere stijging van de kapitaalkosten per eenheid product en voor iets meer dan één derde door de snellere stijging van de arbeidskosten per eenheid product. De relatieve kosten per eenheid product van de productiefactoren van de verwerkende nijverheid zijn vooral gestegen omdat de productiviteit van die factoren niet zo snel is toegenomen als het gemiddelde in de EU-15.

Waarom stijgt de productiviteit ? De opsplitsing van de groei leert ons dat er drie elementen aan de basis kunnen liggen van die stijging : het kapitaal per werknemer dat toeneemt en een hogere kapitaalintensiteit van de productieprocessen weerspiegelt, de samenstelling van de arbeidskrachten die wijzigt ten gunste van de meest productieve werknemers en al de overige elementen die de efficiëntie van de gezamenlijke inzet van de productiefactoren arbeid en kapitaal beïnvloeden en die vervat zijn in het concept totale factorproductiviteit, afgekort als TFP. De TFP omvat dus de impact op de productiviteit van het innovatievermogen, dat zich uit in nieuwe producten, in producten met een betere kwaliteit of in meer performante productieprocessen.

Tussen 2000 en 2005 is de productiviteit van de arbeid en het kapitaal van de Belgische verwerkende nijverheid minder snel toegenomen dan in de EU-15, vooral omdat de bijdrage van de TFP in België minder groot was dan het Europees gemiddelde. Aangezien de Belgische verwerkende nijverheid geconfronteerd werd met een verslechtering van haar relatieve positie, was ze minder dan haar Europese concurrenten in staat de technologische vooruitgang aan te wenden om haar productieve efficiëntie te verbeteren of om nieuwe producten te ontwikkelen en dus nieuwe markten te veroveren. Dat was het geval voor de chemische nijverheid, de metaalnijverheid, de niet-metaalhoudende producten, de machinebouw, de ICT-sector en de diverse verwerkende bedrijfstakken.

Hetzelfde reflectiekader wordt aangewend om de relatieve positie van de Belgische marktdiensten in de EU-15 te bestuderen. Tussen 2000 en 2005 is die relatieve positie lichtjes verbeterd ondanks een snellere stijging van de prijzen van de Belgische marktdiensten dan bij hun Europese tegenhangers. Dat gunstige resultaat is enkel toe te schrijven aan een relatief snellere productiviteitsgroei van de Belgische marktdiensten aangezien alle Belgische marktdiensten hun kapitaalintensiteit meer hebben verhoogd dan hun Europese concurrenten. Dat is vooral het geval voor de groothandel, de financiële activiteiten, het transport, de informaticadiensten, O&O en de dienstverlening aan ondernemingen.

  Thema's

None

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots