De economische groei zou 0,4 % bedragen in 2010 en 1,9 % in 2011, na een krimp van 3,1 % dit jaar (11/09/2009)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Overeenkomstig de wet van 21 december 1994 heeft het Instituut voor de Nationale Rekeningen de cijfers van de economische begroting meegedeeld aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen. Deze macro-economische vooruitzichten dienen als basis voor de opmaak van de federale ontvangsten- en uitgavenbegrotingen voor de jaren 2010 en 2011.

De recessie in de eurozone lijkt ten einde, maar een krachtig conjunctuurherstel op korte termijn is weinig waarschijnlijk ...

Nadat de financiële crisis in september 2008 escaleerde, belandde de geïndustrialiseerde wereld in een ernstige recessie. In de Verenigde Staten, Japan en de eurozone viel de economische activiteit fors terug in het vierde kwartaal van 2008 en in het eerste kwartaal van 2009. In het tweede kwartaal was de terugval van het bbp in de meeste eurolanden veel geringer. Mede dankzij de relanceplannen boekten de twee grootste lidstaten, Duitsland en Frankrijk, zelfs een licht herstel t.o.v. het eerste kwartaal. Sedert enkele maanden klimmen diverse vertrouwensindicatoren uit een diep dal, maar hun huidige niveaus duiden nog steeds op een bijzonder zwakke economische groei.

De economische activiteit in de eurozone als geheel zou vanaf de tweede helft van 2009 en in de loop van 2010 positieve, maar bescheiden kwartaalgroeicijfers laten optekenen. In 2010 zou de bbp-groei op jaarbasis 0,8 % bedragen, na -3,9 % in 2009. In 2011 zou de jaargroei in de eurozone verder aantrekken tot 1,8 %. De kracht van het herstel vormt de belangrijkste onzekerheid in deze vooruitzichten. De monetaire en budgettaire maatregelen hebben sneller dan verwacht de internationale economische activiteit gestabiliseerd, maar het blijft moeilijk in te schatten hoe goed het economisch herstel bestand is tegen het uitdoven van de effecten van de steunmaatregelen.

Meerdere elementen ondersteunen bovenstaand scenario van een voorzichtige herneming op korte termijn. Het financiële systeem blijft kwetsbaar, wat zich o.m. weerspiegelt in de kredietvoorwaarden aan de gezinnen en de ondernemingen. Een krachtige remonte van de particuliere consumptie en van de bedrijfsinvesteringen wordt ook bemoeilijkt door vertraagde negatieve effecten op de arbeidsmarkt en door de aanzienlijke onderbenutting van de productiecapaciteit. Bovendien bevindt de privésector van een aantal westerse economieën zich in een fase van schuldafbouw, na een periode van sterk kredietgedreven expansie. Ten slotte hebben de crisis en de massale, maar noodzakelijke stimuleringsprogramma’s de overheidstekorten sterk doen oplopen, wat de marge voor bijkomende steunmaatregelen beperkt.

De wisselkoers- en olieprijshypothesen zijn gebaseerd op de termijnmarktnoteringen van eind augustus. De euro zou geleidelijk appreciëren van gemiddeld 1,38 dollar in 2009 tot 1,43 dollar in 2011. De prijs van een vat ruwe olie zou toenemen van gemiddeld 61 dollar in 2009 tot 80 dollar in 2011. Daardoor zal de Europese inflatie enigszins aantrekken, maar de ruime mate van overcapaciteit zal nog een tijdlang de onderliggende inflatie neerwaarts beïnvloeden, ook bij een opleving van de economische activiteit.

... waardoor ook het Belgisch conjunctuurherstel geleidelijk zal verlopen ...

Ook in België kreeg de economische activiteit zware klappen in het vierde kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009 (telkens -1,7 %). In het tweede kwartaal bleef de terugval van het bbp beperkt tot -0,3 %. In de tweede helft van 2009 zou de economische groei, onder impuls van de uitvoer, licht positief worden. In de loop van 2010 zou de economische groei ook ondersteund worden door de binnenlandse vraag, in het bijzonder door de particuliere consumptie en de investeringen van de ondernemingen en de overheid.De kwartaalgroei trekt in de loop van 2011 aan tot 0,6 %. Dat resulteert in jaargroeicijfers voor het bbp van 0,4 % in 2010 en van 1,9 % in 2011, na een krimp van 3,1 % dit jaar.

In navolging van de buitenlandse afzetmarkten kende de Belgische uitvoer in het vierde kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2009 een forse inzinking. In de tweede jaarhelft zou het uitvoervolume zich licht herstellen. Op jaarbasis impliceert dat een nooit geziene krimp van ruim 15 % in 2009. Onder impuls van de herneming van de internationale economie, zou de uitvoer in 2010 en 2011 toenemen met resp. 1,5 % en 4,1 %, maar trager blijven groeien dan de buitenlandse afzetmarkten.

De inzinking van zowel de binnenlandse vraag als van de uitvoer, zou het invoervolume dit jaar met bijna 14 % drukken. In 2010 en 2011 trekt de invoervraag aan in navolging van de economische activiteit. Het tekort van de lopende verrichtingen met het buitenland loopt in 2010 en 2011 verder op.

Doordat ze nog gedeeltelijk de hoge inflatie van vorig jaar weerspiegelt, overtreft de loonindexering in 2009 ruimschoots het inflatiepeil. Samen met een aantal federale en regionale belastingverminderingen resulteert dat in een stijging van het reëel beschikbaar inkomen van 1,5 %, ondanks de daling van de werkgelegenheid en verlies op de overige inkomenscomponenten. In 2010 stijgt het reëel beschikbaar inkomen amper door de verdere verslechtering van de situatie op de arbeidsmarkt en door de inflatietoename. In 2011 zou de koopkracht, ondersteund door de toename van de werkgelegenheid, de stijging van de reële lonen voor indexering en een toename van het inkomen uit vermogen, uitkomen op 2,1 %.

De bankencrisis, de versombering van het economisch klimaat en negatieve vermogenseffecten maakten de gezinnen de voorbije kwartalen terughoudend in hun bestedingen. De particuliere consumptie zou zich in de tweede helft van 2009 stabiliseren, maar jaargemiddeld zou de volumedaling uitkomen op 0,9 %. De gezinnen consumeren dus een aanzienlijk kleiner deel van hun beschikbaar inkomen, wat de particuliere spaarquote doet toenemen van 13,2 % in 2008 tot 15,1 % in 2009. Met een toename van resp. 0,6 % en 1,9 %, evolueert de particuliere consumptie in 2010 en 2011 meer in lijn met het reëel beschikbaar inkomen, waardoor de spaarquote zich enigszins stabiliseert. Dat de gezinsspaarquote niet opnieuw daalt tot zijn niveau van voor de financiële crisis is vooral te wijten aan de hoge werkloosheid die zou blijven wegen op het consumentenvertrouwen.

De beperkte toename van het beschikbaar gezinsinkomen en de ongunstige werkgelegenheidsevolutie zouden de investeringen in woongebouwen afremmen tot het vierde kwartaal van 2010, ondanks de tijdelijke btw-verlaging voor woningbouw. Dat weerspiegelt zich in een negatieve jaargroei van 3,2 % in 2009 en van 4,6 % in 2010. In de loop van 2011 zouden de investeringen in woningen aantrekken, maar jaargemiddeld nagenoeg stabiel blijven door het lage startpunt begin 2011.

Sedert midden 2008 zijn de bedrijfsinvesteringen teruggeschroefd. Door de forse krimp van de economische activiteit die gepaard ging met een sterke daling van de industriële capaciteitsbezettingsgraad, hebben de ondernemingen momenteel weinig behoefte aan uitbreidingsinvesteringen. Ook de verminderde rendabiliteit en de strengere kredietvoorwaarden zorgen voor een weinig aantrekkelijk investeringsklimaat. Daardoor zou de investeringsactiviteit in de loop van 2009 verder terugvallen en pas vanaf midden 2010 hernemen in het licht van betere afzetperspectieven. Dat leidt tot een negatieve jaargroei in 2009 (-4,9 %) en in 2010 (-1,2 %). Pas in 2011 is er een stijging op jaarbasis (2,9 %).

De overheidsconsumptie en de overheidsinvesteringen compenseren dit jaar enigszins de teruggeschroefde bestedingen van de gezinnen en de ondernemingen. De volumegroei van de overheidsinvesteringen zou in 2010 en 2011 versnellen tot resp. 6,3 % en 13,5 % en de economische groei ondersteunen. De dynamiek is grotendeels toe te schrijven aan de investeringen van de lokale besturen in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2012.

...en de werkloosheidsgraad verder toeneemt...

De negatieve groei van de binnenlandse werkgelegenheid in 2009 (-0,8 %) is veel minder uitgesproken dan die van de economische activiteit. Veel werkgevers opteren bij een conjunctuurverslechtering in eerste instantie voor een daling van het aantal gewerkte uren, o.m. via het systeem van tijdelijke werkloosheid. De trendmatige daling van de gemiddelde arbeidsduur wordt aldus versterkt door de conjuncturele omstandigheden. Naarmate de conjuncturele inzinking aanhoudt, passen de ondernemingen hun personeelsbestand aan, wat gepaard kan gaan met ontslagen. Mede daardoor is de binnenlandse werkgelegenheid pas in het eerste kwartaal van 2009 beginnen afnemen.

Door de weinig dynamische economische heropleving en een bescheiden herstel van de gemiddelde arbeidsduur vanaf eind 2009, zou de werkgelegenheid pas vanaf begin 2011 opnieuw toenemen. Terwijl de totale netto-werkgelegenheidscreatie vorig jaar gemiddeld nog met 71 200 personen toenam, zouden er dit jaar netto gemiddeld 34 600 arbeidsplaatsen verloren gaan. In 2010 zou het verlies oplopen tot gemiddeld 58 900 arbeidsplaatsen. In 2011 wordt die neerwaartse beweging een halt toegeroepen en komen er gemiddeld 17 600 arbeidsplaatsen bij.

De werkgelegenheidsgraad zou dalen van 63,6 % in 2008 tot 61,5 % in 2010 en 2011. Gegeven de evolutie van de beroepsbevolking, neemt het aantal werklozen (met inbegrip van de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigden) dit jaar toe met 53 900 eenheden, volgend jaar met 98 400 en in 2011 met nog 23 300 eenheden. De geharmoniseerde Eurostat-werkloosheidsgraad zou daardoor stijgen van 7% in 2008 tot 9,6% in 2011.

... bij een beperkte inflatie

De prijs van ruwe olie daalde spectaculair tussen juli en december 2008, nl. van ruim 140 dollar tot iets minder dan 40 dollar per vat. Sindsdien nam de olieprijs gestaag toe tot meer dan 70 dollar per vat in augustus, maar in jaar-op-jaartermen zou de groei van de olieprijzen pas positief worden in de loop van het vierde kwartaal van 2009. De prijzen voor aardgas en elektriciteit volgen die evolutie met enige vertraging. Daardoor is de inflatie in België, gemeten aan de hand van het nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen (NICP), sedert mei negatief geworden en dat zou zo blijven tot en met oktober 2009. De daling van het indexcijfer in jaar-op-jaartermen is dus het gevolg van de prijsevolutie van een beperkt aantal producten en tijdelijk van aard. De onderliggende inflatie zou verder afkoelen als reactie op de conjunctuurvertraging en het geleidelijk doorsijpelen van de lagere energieprijzen in de prijzen van andere goederen en diensten, maar blijft beduidend positief. De inflatie zou dit jaar gemiddeld op nul uitkomen en door de aantrekkende olieprijzen oplopen tot 1,5 % in 2010 en tot 1,6 % in 2011. De gezondheidsindex wordt niet beïnvloed door het prijsverloop van benzine en diesel en heeft daardoor een minder uitgesproken profiel dan het NICP. De toename van de gezondheidsindex zou resp. 0,6 %, 1,2 % en 1,6 % bedragen. De huidige spilindex (112,72) zou overschreden worden in december 2010. De volgende spilindex (114,97) wordt niet overschreden in 2011.

Please do not visit, its a trap for bots