Economische begroting 2010-2011 (begrotingscontrole) (12/02/2010)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Overeenkomstig de wet van 21 december 1994 heeft het Instituut voor de Nationale Rekeningen de cijfers van de economische begroting meegedeeld aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen.

De economische groei in de tweede helft van 2009 is aanzienlijk hoger gebleken dan verwacht werd in de economische begroting van september 2009. Dat brengt niet alleen een minder negatieve jaargroei in 2009 (-3 %) met zich mee, maar ook een opwaartse herziening van de groei in 2010 (van 0,4 % tot 1,4 %). De bbp-groeiraming voor 2011 bedraagt 1,7 %.

Terwijl de binnenlandse werkgelegenheid vorig jaar met 23 200 arbeidsplaatsen afnam, zou het nettoverlies in 2010 oplopen tot gemiddeld 46 100 arbeidsplaatsen. In 2011 wordt die neerwaartse beweging een halt toegeroepen en komen er 8 600 arbeidsplaatsen bij. Het aantal werklozen (met inbegrip van de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigden) zou dit jaar toenemen met 52 900 eenheden en in 2011 met 28 900 eenheden. De geharmoniseerde Eurostat-werkloosheidsgraad zou daardoor stijgen van 7 % in 2008 tot 8,8 % in 2011.

De inflatie, gemeten aan de hand van het nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen, zou door de aantrekkende olieprijzen oplopen tot 1,6 % in 2010 en tot 1,7 % in 2011. De toename van de gezondheidsindex zou resp. 1,2 % en 1,6 % bedragen. De huidige spilindex (112,72) zou overschreden worden in januari 2011. De volgende spilindex (114,97) wordt niet bereikt in 2011.

Een langzaam economisch herstel in de eurozone ...

Na een krimp gedurende vijf kwartalen, hernam de economische activiteit in de eurozone als geheel in de tweede helft van 2009. De Verenigde Staten en Japan lieten eveneens de recessie achter zich. Het soepel monetair beleid, het expansief begrotingsbeleid en de heropbouw van de voorraden lagen aan de basis van die herneming. Ook de veerkracht van de opkomende economieën zoals China leverde een belangrijke impuls tot het mondiaal herstel.

De economische activiteit in de eurozone als geheel zou in de loop van 2010 en 2011 positieve, maar bescheiden kwartaalgroeicijfers laten optekenen, waardoor het bbp in volume tegen eind 2011 het tijdens de crisis opgelopen verlies nog niet volledig gerecupereerd zal hebben. De remonte van de particuliere consumptie wordt immers bemoeilijkt door de stijging van de werkloosheid, terwijl de investeringsgroei afgeremd wordt door de aanzienlijke onderbenutting van de productiecapaciteit en door de nog steeds strenge kredietvoorwaarden. Bovendien geven de monetaire en budgettaire steunmaatregelen en de kentering in de voorraadcyclus slechts een tijdelijke impuls aan de economische groei. Daardoor zou de kwartaalgroei in de loop van 2010 enigszins verzwakken, om in de loop van 2011 opnieuw aan te trekken. Op jaarbasis zou de bbp-groei in de eurozone uitkomen op 1,3 % in 2010 en op 1,6 % in 2011, na een krimp van bijna 4 % vorig jaar.

De wisselkoers- en olieprijshypothesen zijn gebaseerd op de termijnmarktnoteringen van eind januari. Een euro zou gemiddeld 1,40 dollar waard zijn in 2010 en 2011. De Brentolieprijs zou oplopen van gemiddeld 61 dollar in 2009 tot 80 dollar in 2011. Daardoor zou de totale inflatie in de eurozone enigszins aantrekken, terwijl de onderliggende inflatie beperkt blijft als gevolg van de matige economische groei en de zwakke toename van de loonkosten.

... dat zich weerspiegelt in een matig groeitempo van de Belgische economie ...

Door de herneming van de uitvoer en de vertraagde voorraadafbouw, knoopte ook de Belgische economie in de tweede helft van 2009 aan met positieve kwartaalgroeicijfers (gemiddeld 0,6 %). In navolging van de internationale conjunctuur vertraagt de uitvoergroei tijdelijk in de loop van 2010. Bovendien blijft de groei van de binnenlandse vraag beperkt, waardoor de kwartaalgroei van het bbp in 2010 gemiddeld slechts 0,3 % zou bedragen. In de loop van 2011 trekt de uitvoergroei opnieuw aan en wint de binnenlandse vraag aan kracht, wat resulteert in een gemiddelde bbp-groei van 0,6 % per kwartaal. Op jaarbasis zou de bbp-groei uitkomen op 1,4 % in 2010 en op 1,7 % in 2011.

De Belgische uitvoer viel tijdens de internationale recessie fors terug, maar herstelde zich in zekere mate in de tweede helft van 2009. Op jaarbasis resulteerde dat niettemin in een forse krimp van bijna 11 % in 2009. De kwartaalgroei van de uitvoer zou dit jaar enigszins verzwakken, maar in de loop van 2011 opnieuw aan kracht winnen in het zog van de buitenlandse afzetmarkten. Geholpen door een gunstig startpunt, is de jaargroei van de uitvoer niettemin hoger in 2010 (4,7 %) dan in 2011 (3,9 %). De Belgische uitvoer zou trager blijven groeien dan de buitenlandse afzetmarkten, waardoor het verlies aan marktaandelen wordt bestendigd.

Door de inzinking van zowel de binnenlandse vraag als van de uitvoer viel het invoervolume vorig jaar terug met ruim 11 %. In 2010 en 2011 stijgen de invoerbehoeften geleidelijk door de herneming van de economische activiteit. De netto-uitvoer zou dit jaar een positieve bijdrage van 0,6 procentpunt leveren tot de economische groei. Samen met de verwachte ruilvoetontwikkeling doet dat het overschot van de lopende verrichtingen met het buitenland, dat in 2009 amper 0,3 % van het bbp bedroeg, in 2010 en 2011 uitkomen op resp. 1,4 % en 1,1 % van het bbp.

In 2009 overtrof de indexering van de lonen en de sociale uitkeringen ruimschoots het inflatiepeil. Samen met een tijdelijke daling van de directe belastingen (door een aantal belastingverminderingen en door de snellere verwerking van de aangiftes) resulteerde dat in een stijging van het reëel beschikbaar inkomen van 2,8 %, ondanks de daling van de werkgelegenheid en verlies op de overige inkomenscomponenten. In 2010 daalt het reëel beschikbaar inkomen met 0,3 % door de verdere verslechtering van de situatie op de arbeidsmarkt en door de inflatieversnelling. In 2011 zou de koopkracht, ondersteund door de toename van de werkgelegenheid en van het inkomen uit vermogen, uitkomen op 1,5 %.

Het uitbreken van de bankencrisis en de daling van het gezinsvermogen ondermijnden het consumentenvertrouwen vanaf het vierde kwartaal van 2008. De particuliere consumptie werd daardoor fors teruggeschroefd. In de tweede helft van 2009 verbeterde de vertrouwensindicator en vertoonden de consumptieve bestedingen een zeer bescheiden herstel, maar gemiddeld bedroeg de volumedaling vorig jaar 1,6 %. Daardoor bereikte de particuliere spaarquote met 20,2 % zijn hoogste niveau sinds de eerste helft van de jaren 90. In 2010 en 2011 zouden de gezinnen een iets kleiner deel van hun inkomen sparen, waardoor de particuliere consumptie toeneemt met resp. 0,7 % en 1,5 %. Niettemin blijft de spaarquote met ruim 19 % boven zijn niveau van voor de recessie, doordat de hoge werkloosheid het verder herstel van het consumentenvertrouwen afremt.

Sedert 2007 brokkelen de investeringen in woongebouwen af. Ondanks een tijdelijke btw-verlaging werd een daling van 2,8 % opgetekend in 2009 en zet die beweging zich door in 2010 (-1,9 %) als gevolg van de beperkte toename van het beschikbaar gezinsinkomen en de ongunstige werkgelegenheidsevolutie. Pas in de loop van 2011 zouden de investeringen in woningen aantrekken, maar op jaarbasis blijft hun groei beperkt tot 0,1 % door het lage startpunt begin 2011.
Sinds midden 2008 hebben de ondernemingen hun investeringen fors teruggeschroefd. Gemiddeld daalden de bedrijfsinvesteringen in 2009 met 6 %. De industriële capaciteitsbezettingsgraad bereikte in het eerste kwartaal van dat jaar een historisch dieptepunt (70 %). Door de aantrekkende economische activiteit is de capaciteitsbenutting ondertussen ietwat gestegen, maar ze blijft erg laag. Ook de verminderde rendabiliteit en de strenge kredietvoorwaarden remmen de herneming van de investeringen af. De bescheiden toename in de tweede helft van dit jaar compenseert onvoldoende de forse terugval van 2009, waardoor de bedrijfsinvesteringen jaargemiddeld opnieuw een negatieve groei laten optekenen (-1,2 %). Pas in 2011 zou de jaargroei opnieuw positief worden (2,4 %).

De overheidsconsumptie en de overheidsinvesteringen compenseerden in 2009 enigszins de teruggeschroefde bestedingen van de gezinnen en de ondernemingen. Terwijl de groei van de overheidsconsumptie dit jaar en volgend jaar lager zou liggen dan in 2009, zou de groeiversnelling van de overheidsinvesteringen (tot resp. 6,6 % en 13,6 % in 2010 en 2011) de economische groei blijven ondersteunen. Die dynamiek is grotendeels toe te schrijven aan de investeringen van de lokale besturen in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2012.

... waardoor de werkloosheidsgraad verder oploopt ...

De binnenlandse werkgelegenheid reageert steeds met enige vertraging op de evolutie van de conjunctuur en is daardoor pas in het eerste kwartaal van 2009 beginnen afnemen. Veel werkgevers opteren bij een conjunctuurverslechtering in eerste instantie voor een daling van het aantal gewerkte uren, o.m. via het systeem van tijdelijke werkloosheid. Door de geringe dynamiek van de economische heropleving en het geleidelijk herstel van de gemiddelde arbeidsduur vanaf midden 2009, zou de werkgelegenheid pas vanaf begin 2011 opnieuw toenemen. Terwijl in 2009 netto gemiddeld 23 200 arbeidsplaatsen verloren gingen, zou het verlies dit jaar oplopen tot 46 100 arbeidsplaatsen. In 2011 wordt die neerwaartse beweging een halt toegeroepen en komen er 8 600 arbeidsplaatsen bij.

De werkgelegenheidsgraad zou dalen van 63,5 % in 2009 tot 62,3 % in 2011. Gegeven de evolutie van de beroepsbevolking, neemt het aantal werklozen (met inbegrip van de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigden), na een stijging van 45 000 eenheden in 2009, dit jaar verder toe met 52 900 en in 2011 met bijna 29 000 eenheden. De geharmoniseerde Eurostat-werkloosheidsgraad zou daardoor stijgen van 7 % in 2008 tot 8,8 % in 2011.

... bij een beperkte inflatie

De Belgische inflatie, gemeten aan de hand van het nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen (NICP), was negatief van mei tot november 2009. Dat was grotendeels toe te schrijven aan de reactie van de energieprijzen op de forse terugval van de aardolienoteringen in de tweede helft van 2008. Daarenboven koelt de onderliggende inflatie af als reactie op de conjunctuurvertraging, maar ze blijft beduidend positief. Daardoor kwam de totale inflatie vorig jaar gemiddeld net onder nul uit. Eind 2009 was het negatieve basiseffect van de energieprijzen uitgewerkt. Samen met de aantrekkende aardolieprijzen zou de inflatie daardoor in 2010 uitkomen op 1,6 % en in 2011 op 1,7 %. De gezondheidsindex wordt niet beïnvloed door het prijsverloop van benzine en diesel en heeft daardoor een minder uitgesproken profiel dan het NICP. De toename van de gezondheidsindex zou in 2010 en 2011 resp. 1,2 % en 1,6 % bedragen. De huidige spilindex (112,72) zou overschreden worden in januari 2011. De volgende spilindex (114,97) wordt niet bereikt in 2011.

Please do not visit, its a trap for bots