Leefpatronen en milieu: naar nieuwe indicatoren (07/07/2010)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Is het mogelijk om beter te leven en tegelijk de schade aan het milieu te verminderen? Om die vraag te beantwoorden, is een betere meting van de wisselwerkingen tussen onze leefpatronen en de toestand van het milieu vereist. Daarom onderzocht het Federaal Planbureau twee types van indicatoren die deze wisselwerkingen meten: enerzijds de indicatoren ecologische voetafdruk en biocapaciteit en anderzijds indicatoren op basis van de milieusatellietrekeningen. De twee Working Papers over die indicatoren gaan in op de berekeningsmethoden en de gebruikte gegevens en ze wijzen ook op de mogelijkheden en beperkingen van die indicatoren voor het beleid van duurzame ontwikkeling.

  • Over de druk van de leefpatronen op de verschillende componenten van het milieu ontbreken nog indicatoren die nuttig zijn voor het beleid
  • De indicatoren ecologische voetafdruk en biocapaciteit, die reeds sterk gemediatiseerd zijn, bieden geaggregeerde informatie over die druk maar bevinden zich nog in een testfase
  • Indicatoren over de verbanden tussen gezinskenmerken en milieudruk door gezinsconsumptie zijn in ontwikkeling en kunnen nuttig zijn om de invloed van de leefpatronen te begrijpen en om aangepaste beleidsmaatregelen vast te stellen

De invloeden van de leefpatronen op het milieu zijn talrijk en complex. Bijgevolg zijn ze moeilijk te meten met indicatoren. Toch heeft een samenleving meetinstrumenten nodig om die invloeden te beoordelen en haar beleid beter te sturen.

Over die meetinstrumenten of indicatoren is het debat momenteel volop aan de gang. De werkzaamheden van de Europese commissie over Het bbp en verder(GDP and beyond) getuigen daarvan. Het is in ieder geval duidelijk dat naast het bruto binnenlands product ook andere indicatoren noodzakelijk zijn om het beleid te ondersteunen. Goede beslissingen vereisen immers goede informatie, zowel over de economische als de sociale en de milieu-aspecten van de ontwikkeling.

In dat kader onderzocht de Task Force Duurzame Ontwikkeling van het Federaal Planbureau twee types van indicatoren: enerzijds de ecologische voetafdruk en de biocapaciteit en anderzijds indicatoren op basis van de milieusatellietrekeningen. Beide informeren over de druk die de consumptiepatronen uitoefenen op het milieu en beide steunen op een rekeningenstelsel.

De resultaten van het onderzoek werden gepubliceerd in twee Working Papers die een aanvulling vormen op het Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling 2009. Dat rapport maakte duidelijk en ondersteunde met voorbeelden dat een veelheid van indicatoren nodig is om de vooruitgang naar een duurzame ontwikkeling te meten. De Working Papers gaan dieper in op enkele van die indicatoren. Zowel de meetmethoden en de gegevens als de betekenis voor het beleid vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling komen daarbij aan bod.

Ecologische voetafdruk en biocapaciteit

De eerste Working Paper onderzoekt het nut van de indicatoren ecologische voetafdruk en biocapaciteit om het beleid van duurzame ontwikkeling te ondersteunen.
De ecologische voetafdruk meet bepaalde aspecten van de druk die een bevolking uitoefent op het milieu door hernieuwbare hulpbronnen en fossiele energie te verbruiken en door infrastructuur te bouwen. De biocapaciteit meet het vermogen van de grond en het water in een gebied om die hernieuwbare hulpbronnen voort te brengen. Die twee indicatoren worden uitgedrukt in een overeengekomen eenheid, de globale hectare. De vergelijking van ecologische voetafdruk en biocapaciteit toont of een bevolking in een bepaald gebied een ecologisch tekort of overschot heeft.

De ecologische voetafdruk en de biocapaciteit worden berekend door de niet-gouvernementele organisatie Global Footprint Network. Haar rekeningenstelsel werd in het midden van de jaren 1990 ontwikkeld en is opgebouwd rond die twee nieuwe indicatoren. Dat stelsel staat los van de nationale rekeningen die al meer dan vijftig jaar door officiële statistische diensten worden opgesteld. In vergelijking met de indicatoren uit de nationale rekeningen bevinden de ecologische voetafdruk en de biocapaciteit zich nog in een testfase.

De Working Paper beschrijft de berekeningsmethode van de ecologische voetafdruk en de biocapaciteit. Hij analyseert ook de gegevens die daarbij gebruikt worden. Ten slotte gaat hij in op de sterktes en zwaktes van die indicatoren als instrumenten om het beleid van duurzame ontwikkeling te ondersteunen. De voornaamste sterkte is op geaggregeerde wijze informeren over verbanden tussen de leefpatronen en de toestand van een deel van het milieu en die informatie in een mondiaal perspectief plaatsen. Zwaktes zijn de onduidelijkheid van de begrippen, de betwistbare normatieve dimensie van de biocapaciteit, het gebrek aan een band met de nationale rekeningen en de status en kwaliteit van hun eigen rekeningenstelsel.

Milieudruk door consumptie van gezinnen

De tweede Working Paper onderzoekt op basis van gegevens voor België voor 2002 de verbanden tussen de milieudruk door de consumptie van gezinnen en de sociaaleconomische kenmerken van die gezinnen. In het kader van dat onderzoek werden die gegevens, rekening houdend met een reeks hypothesen, voor het eerst samengebracht in een databestand. Dat bestand koppelt gegevens over de consumptie van de gezinnen uit de huishoudbudgetenquête aan gegevens over verschillende soorten van druk op het milieu. Die druk met betrekking tot vier vormen van energie en vier types van luchtvervuiling wordt berekend op basis van de milieusatellietrekeningen die met de nationale rekeningen verbonden zijn.

De variaties in de druk die verschillende categorieën van gezinnen op het milieu uitoefenen, zijn zowel door structurele factoren als door gedragingen te verklaren. Zo oefenen gezinnen op het platteland een grotere milieudruk uit dan gezinnen in de stad omdat ze meer petroleumproducten verbruiken. Ze kunnen niet kiezen voor aardgas om hun woning te verwarmen als er geen aardgasnetwerk aanwezig is. En voor hun vervoer gebruiken ze meer de auto. Ook welgestelde gezinnen, met een hogere opleiding en een hoger inkomen, hebben een grotere milieudruk.

De Working Paper wijst erop dat informatie over die verbanden belangrijk is voor het beleid. Kleine veranderingen in het gedrag van bepaalde gezinstypes kunnen immers de totale milieudruk van een land sterk beïnvloeden. De Working Paper is een eerste verkenning van die verbanden. Verder onderzoek is nodig om indicatoren te kunnen construeren die niet alleen nuttig zijn voor de bewustwording van de invloeden van onze leefpatronen op het milieu, maar ook om een beter geïntegreerd beleid van duurzame ontwikkeling te helpen formuleren.

  Thema's

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots