Page Title

Publicaties

Om de transparantie en informatieverstrekking te bevorderen, publiceert het FPB regelmatig de methoden en resultaten van zijn werkzaamheden. De publicaties verschijnen in verschillende reeksen, zoals de Vooruitzichten, de Working Papers en de Planning Papers. Sommige rapporten kunnen ook hier geraadpleegd worden, evenals de nieuwsbrieven van de Short Term Update die tot 2015 werden gepubliceerd. U kunt op thema, publicatietype, auteur en jaar zoeken.

Analyse van de effecten van de hervorming van de pensioenen en van de werkloosheid met bedrijfstoeslag [REP_CEP_01]

Dit verslag werd opgesteld op verzoek van het Nationaal Pensioencomité en de strategische cel van het kabinet Pensioenen. Het toont de effecten van de hervorming van de pensioenen (verstrenging van de voorwaarden voor vervroegd pensioen, verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd, afschaffing van de diplomabonificatie in de berekening van de loopbaanduur voor vervroegd pensioen in de overheidsregeling, afschaffing van de pensioenbonus) en van de werkloosheid met bedrijfstoeslag op een bepaald aantal indicatoren: de loopbaanduur van personen die met pensioen gaan, het aantal personen dat recht heeft op vervroegd pensioen, de socio-economische samenstelling van de bevolking en het gemiddeld pensioen.

De effecten worden geëvalueerd aan de hand van de langetermijnprojecties van het in juli verschenen Jaarverslag 2015 van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV)3. De resultaten worden uitgesplitst naar geslacht, pensioenregeling en, desgevallend, leeftijdsgroep, en volgens verschillende scenario's met betrekking tot het pensioneringsgedrag. Ze worden voorgesteld in vergelijking met een scenario zonder hervorming (namelijk zonder hervorming beslist door de huidige regering, maar die de pensioenhervorming van 2011 integreert). Er worden drie hypothesen met betrekking tot het pensioneringsgedrag als gevolg van de verhoging van de wettelijke leeftijd beoogd:

  1. De verschuivingshypothese veronderstelt dat een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd met één jaar en vervolgens met twee jaar resulteert in een pensioneringsuitstel van gemiddeld één jaar en vervolgens twee jaar.
  2. Volgens de hypothese van minimumuitstel stellen enkel de personen die niet voldoen aan de loopbaanvoorwaarden om met pensioen te gaan vóór de wettelijke leeftijd hun pensionering uit, in vergelijking met een scenario zonder verhoging van de wettelijke leeftijd. Die personen die hun pensionering uitstellen doen dat tot wanneer ze voldoen aan de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen of tot ze de wettelijke pensioenleeftijd bereiken.
  3. In het tussenscenario wordt de verschuivingshypothese gehanteerd voor de personen die, zonder optrekking van de wettelijke leeftijd, op 65 jaar met pensioen gegaan zouden zijn, en wordt de hypothese van minimumuitstel toegepast op de personen die, zonder optrekking van de wettelijke leeftijd, tussen 60 en 64 jaar met pensioen gegaan zouden zijn.

De gemiddelde loopbaanduur van personen die met pensioen gaan (tabel 1) neemt toe door de verstrenging van de voorwaarden voor vervroegd pensioen, de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd en de afschaffing van de diplomabonificatie in de berekening van de loopbaanduur voor een vervroegd rustpensioen in de overheidssector. Die toename is op lange termijn vergelijkbaar voor mannen en vrouwen aangezien de projectie, zelfs in een scenario zonder hervorming, berust op de hypothese van een bepaalde convergentie van de vrouwelijke en mannelijke loopbaanduur. De toename van de loopbaanduur is het meest uitgesproken in het verschuivingsscenario: op lange termijn meer dan twee jaar in de werknemers- en zelfstandigenregeling, en drie tot vier jaar in de administratie en het onderwijs van de overheidssector. De toename van de loopbaanduur is groter in de overheidssector door de afschaffing van de diplomabonificatie in de berekening van de loopbaanduur voor vervroegd pensioen.

In het tussenscenario schommelt de toename van de loopbaanduur tussen 1,6 en 3,4 jaar. In het scenario van minimumuitstel schommelt die variatie tussen 0,6 en 3 jaar op lange termijn.

De effecten van de pensioenhervorming op het aandeel personen dat voldoet aan de voorwaarden voor vervroegd pensioen verschillen naargelang het stelsel (tabel 2). In de werknemersregeling wordt er een daling van 6 procentpunt (in 2060)4 vastgesteld van de pensioneringen die voldoen aan de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen in de drie hervormingsscenario's, voor mannen en vrouwen, in vergelijking met een scenario zonder hervorming. Het scenario van minimumuitstel vertaalt zich, naar opbouw, concreet in een forse toename van de vervroegde pensioneringen ten nadele van de pensioneringen op wettelijke leeftijd (ook al gaat in dit scenario niemand vroeger met pensioen dan in het scenario zonder hervorming).

In de zelfstandigenregeling is de daling van het aandeel personen dat voldoet aan de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen sterker dan in de werknemersregeling (volgens de drie scenario's), aangezien de loopbaanduur in de zelfstandigenregeling gemiddeld genomen, en in het bijzonder voor de vrouwen, lager ligt dan in de werknemersregeling. Die lage loopbaanduur van vrouwen verklaart waarom een groot aandeel vrouwen niet voldoet aan de loopbaanvoorwaarde in het scenario zonder hervorming en dus ook waarom de toename van de vrouwelijke vervroegde pensioneringen veel lager ligt in het scenario van minimumuitstel.

In de administratie (overheidssector) zijn de effecten van de pensioenhervorming vergelijkbaar volgens de opsplitsing van de pensioneringen van mannen en vrouwen. In de drie scenario's daalt het aandeel personen dat voldoet aan de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen met 10 tot 11 procentpunt, in vergelijking met een scenario zonder hervorming. In het verschuivings- en tussenscenario stijgt het aandeel van de pensioneringen vanaf de wettelijke leeftijd die voldoen aan de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen, in tegenstelling tot de werknemers- en zelfstandigenregeling. Het groot aantal vervroegde pensioneringen in een scenario zonder hervorming leidt in eerste instantie tot een belangrijk uitstel van de pensioneringen op 65 jaar als gevolg van de verstrenging van de voorwaarden voor vervroegd pensioen. Dit zijn personen die in het verschuivingsscenario en het tussenscenario op 66 of 67 jaar met pensioen gaan als gevolg van de verhoging van de wettelijke leeftijd. In het scenario van minimumuitstel stijgt het aandeel personen dat met vervroegd pensioen gaat, maar veel minder uitgesproken dan in de werknemersregeling en zelfstandigenregeling door, enerzijds, een relatief belangrijk aandeel van de vervroegde pensioneringen zonder hervorming en, anderzijds, door de afschaffing van de diplomabonificatie in de evaluatie van de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen.

In het onderwijs heeft de opsplitsing van de pensioneringen hetzelfde profiel als in de administratie. Maar ze zijn meer uitgesproken door een hoger aandeel uitkeringsgerechtigden met een diploma hoger onderwijs en een hoger aantal personen dat zonder hervorming vervroegd met pensioen ging. In tegenstelling tot de andere gevallen, daalt het aandeel van de vervroegde pensioneringen in het scenario van minimumuitstel in vergelijking met een scenario zonder hervorming.

De daling van het aantal gepensioneerden en werkzoekende werklozen met bedrijfstoeslag als gevolg van de hervorming van die stelsels is op lange termijn het grootst in het verschuivingsscenario (369 000 personen) (tabel 3). Die daling bedraagt 279 000 in het tussenscenario en 175 000 in het scenario van minimumuitstel. Die dalingen gaan hand in hand met een toename van de beroepsbevolking en andere sociale uitkeringsgerechtigden (invaliden, terbeschikkingstellingen, tijdskrediet en loopbaanonderbreking en overige). In de drie scenario's kan de daling van het aantal gepensioneerden en niet-werkzoekende werklozen met bedrijfstoeslag als volgt verdeeld worden: ongeveer 75% werkgelegenheid, 6% werkloosheid en 20% andere sociale uitkeringen (voornamelijk begunstigden van een invaliditeitsuitkering).

In de drie stelsels is de daling van de pensioneringsgraden (aantal gepensioneerden uitgedrukt in procent van de bevolking) als gevolg van de pensioenhervorming per hypothese het meest uitgesproken in het verschuivingsscenario en het geringst in het scenario van minimumuitstel (Tabel 4). Over het algemeen is de daling even groot voor mannen als voor vrouwen. De verschillen tussen het verschuivingsscenario en het tussenscenario worden vooral duidelijk in de leeftijdscategorie 60 tot 64 jaar. In het eerste scenario stellen alle gepensioneerden hun pensionering uit met één jaar, en vervolgens met twee jaar. In het tweede scenario stellen alleen de personen die, zonder verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd, op 65 jaar met pensioen gegaan zouden zijn hun pensionering uit. De verschillen tussen het tussenscenario en het scenario van minimumuitstel zijn vooral merkbaar in de leeftijdscategorie 65 tot 69 jaar, aangezien veel personen op 65 jaar met pensioen blijven gaan in het scenario van minimumuitstel.

De afschaffing van de pensioenbonus doet het gemiddeld pensioenbedrag (tabel 5) afnemen terwijl de verlenging van de loopbanen als gevolg van de hervorming (strengere loopbaanvoorwaarden voor vervroegde pensionering, optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd, afschaffing van de diplomabonificaties in de loopbaanduurberekening voor vervroegde pensionering in de overheidssector) het pensioenbedrag doet toenemen, in vergelijking met een scenario zonder hervorming. In alle pensioenregelingen en in alles scenario’s kent het gemiddeld pensioenbedrag een verhoging op lange termijn, ten opzichte van een scenario zonder hervorming, met uitzondering voor het bedrag van de mannen in de zelfstandigenregeling in het scenario met minimumuitstel. In die regeling is de pensioenbonus inderdaad relatief belangrijk ten opzichte van het niveau van het gemiddeld pensioen.

De verhoging van het gemiddeld pensioenbedrag (in vergelijking met een scenario zonder hervorming) is meer uitgesproken in de regeling van de overheidssector dan in de werknemers-en zelfstandigenregeling, omwille van de belangrijkere verlenging van de loopbanen tengevolgde de afschaffing van de diplomabonificaties in de berekening van de loopbaanduur voor vervroegde pensionering. De effecten zijn sterker in de verschuivingshypothese en het minst belangrijk in de hypothese van minimumuitstel.

De verhoging van het gemiddeld pensioen is in het algemeen van een ordegrootte die vergelijkbaar is voor mannen en vrouwen, hoewel die iets meer uitgesproken is voor deze laatsten, vooral in de hypothese van minimumuitstel waar enkel de personen met een kortere loopbaan hun pensionering uitstellen.

  Verwante documenten

None

  PDF & Download

Datum

  Publicatietype

Others

Please do not visit, its a trap for bots