Page Title

Publicaties

Om de transparantie en informatieverstrekking te bevorderen, publiceert het FPB regelmatig de methoden en resultaten van zijn werkzaamheden. De publicaties verschijnen in verschillende reeksen, zoals de Vooruitzichten, de Working Papers en de Planning Papers. Sommige rapporten kunnen ook hier geraadpleegd worden, evenals de nieuwsbrieven van de Short Term Update die tot 2015 werden gepubliceerd. U kunt op thema, publicatietype, auteur en jaar zoeken.

Analyse van de horecasector [Working Paper 21-04]

In deze studie wordt de Belgische horecasector onder de loep genomen. Naast een schets van de demografie van de ondernemingen wordt het belang van de horeca in de Belgische economie alsook de evolutie van de sector sedert het midden van de jaren 90 toegelicht. Wegens het arbeidsintensieve karakter van de productie van horecadiensten wordt hierbij bijzondere aandacht besteed aan het aspect werkgelegenheid. Voor deze studie werd een beroep gedaan op cijfermateriaal afkomstig uit de Nationale Rekeningen 1995-2003 en de Input-outputtabellen 2000, aangevuld met administratieve bronnen en enquêtes.

Op basis van de gebruikelijke nace-bedrijfstakclassificatie worden onder de horecasector gecatalogeerd: hotels en andere accommodaties voor kortstondig verblijf, zoals campings en jeugdherbergen (die eerste categorie ondernemingen wordt verder kortweg de deelbranche van de hoteldiensten genoemd), restaurants (zowel traditionele als fastfood), cafés, kantines, traiteurs en catering (die tweede categorie ondernemingen wordt verder kortweg de deelbranche van de restaurantdiensten genoemd).

De deelbranches van de hotel- en restaurantdiensten blijken vrij homogeen te zijn. De horecaondernemingen hebben nauwelijks nevenproducties. De enige noemenswaardige nevenproductie doet zich dan nog voor binnen de horecasector zelf en bestaat erin dat hotels vaak maaltijden en dranken leveren (dit vertegenwoordigt ongeveer 11 % van hun productie). Anderzijds worden horecadiensten slechts in zeer geringe mate (voor minder dan 6 %) voortgebracht als nevenproductie van ondernemingen buiten de sector (b.v. via catering door vervoersmaatschappijen en traiteur- en internaatdiensten door onderwijs-instellingen).

De Belgische gezinnen besteden jaarlijks circa 5 % van hun consumptiebudget aan binnenlandse horeca-uitgaven. Bovendien wordt de horecasector ook geconfronteerd met een vraag naar diensten vanwege bedrijven en buitenlandse toeristen. Vooral in de deelbranche van de hoteldiensten heeft de vraag vanwege bedrijven (zgn. intermediaire consumptie) een belangrijk aandeel in de totale vraag.

De horecasector telt bijna 55 000 ondernemingen, wat overeenkomt met circa 8 % van het totaal aantal ondernemingen in België. Iets minder dan 95 % van de horecabedrijven zijn terug te vinden in de deelbranche van de restaurantdiensten. In de horecasector zijn 145 000 personen tewerkgesteld, wat 3,5 % van de binnenlandse werkgelegenheid vertegenwoordigt. Horecabedrijven zijn in de regel dus vrij kleine ondernemingen. Meer dan 90 % van de horecaondernemingen telt minder dan vijf werknemers. De sector van de restaurantdiensten neemt 86 % van de werkgelegenheid voor zijn rekening.

De laatste jaren evolueert het aantal horecabedrijven in dalende lijn. Tussen 1998 en 2002 nam het aantal horecaondernemingen af met bijna 3 500 (of -1,5 % per jaar), een trend die zich in 2003 doorzette. Nochtans werden gedurende die periode jaarlijks ruim 9 % nieuwe horecabedrijven opgericht, maar die vernieuwing was onvoldoende om het aantal falingen (circa 2 %) en stopzettingen (bijna 9 %) te compenseren. Het aantal faillissementen in de horecasector is vrij stabiel, maar ligt (relatief gezien) dubbel zo hoog als in de rest van de economie. Vooral jonge ondernemingen hebben een hogere falingsgraad dan in andere branches.

De terugloop van het aantal horecabedrijven ging niet gepaard met een evenredige daling van de toegevoegde waarde, zodat in de sector de laatste jaren een zekere schaalvergroting en rationalisering heeft plaatsgevonden.
De daling van het aantal horecaondernemingen situeert zich bijna volledig in de sector van de cafés. De voorbije jaren zijn vooral zelfstandige uitbaters zonder personeel uit die deelbranche verdwenen.

Tussen 1995 en 2003 overtrof de afname van het aantal zelfstandigen (die zich dus voordeed in de deelsector van de restaurantdiensten) de toename van het aantal loontrekkers, zodat de totale werkgelegenheid in de horecasector over de beschouwde periode terugviel met 1 200 personen (-0,1 % per jaar). Hiermee ging de horecasector in tegen de trend in de sector van de marktdiensten, waar de werkgelegenheid over de jaren 1995-2003 gestaag toenam (+1,4 % per jaar). De afname van de werkgelegenheid in de horecasector situeert zich voornamelijk in het Waalse gewest.

Ondanks de daling van het aantal zelfstandigen, blijft die groep toch nog ruim 31 % uitmaken van de werkgelegenheid in de horecasector. Het aandeel van de zelfstandigen ligt bijna dubbel zo hoog als in de rest van de economie. Meer dan zes op tien loontrekkers werkt deeltijds (tegenover minder dan drie op tien in de totale economie), wat gedeeltelijk samenhangt met het hoge aandeel (één op twee) van vrouwen in de werkgelegenheid van de sector. Het grote belang van deeltijdarbeid in de horecasector wordt gecompenseerd door de beduidend langer dan gemiddelde arbeidsweek van zelfstandigen en voltijdse werknemers, waardoor de gemiddelde arbeidsduur uitgedrukt per persoon ongeveer even hoog ligt als in de rest van de economie.

Het is genoegzaam bekend dat België binnen Europa tot de groep van landen behoort met een lage werkgelegenheidsgraad. Een aantal zuidelijke lidstaten (zoals Italië, Spanje en Griekenland) die eveneens tot die groep behoren, slagen erin hun werkgelegenheidsgraad op te krikken door een hoge tewerkstelling in de horecasector, wat niet het geval is voor België. Op Zweden na had België (met 2,15 %) in 2002 de laagste werkgelegenheidsgraad in de horecasector van de hele Europese Unie. Hiermee scoort België niet alleen slechter dan een aantal typisch toeristische landen, maar ook dan het gemiddelde van de buurlanden (2,85 %).

Tijdens de periode 1995-2003 bedroeg het aandeel van de horecasector in de totale toegevoegde waarde 1,7 %, merkelijk lager dan het aandeel van de sector in het totale arbeidsvolume (in aantal uren, circa 3,6 %). Hieruit valt af te leiden dat de arbeidsproductiviteit per uur in de horecasector laag is. Parallel hiermee liggen ook de gemiddelde uurlonen een stuk lager dan in de rest van de economie. Uiteraard kan de hoogte van de lonen evenmin los worden gezien van het feit dat een groot deel van het personeel van horecabedrijven vrij jong en laag gekwalificeerd is. Niet alleen de hoogte, maar ook de groei van de arbeidsproductiviteit en de lonen blijft ver achter op het ritme van de totale economie.

Het netto-exploitatieoverschot in percent van de toegevoegde waarde, dat een aanduiding vormt voor de rendabiliteit van de ondernemingssector, lag gemiddeld over de jaren 1995-2003 in de horecasector licht hoger dan in de totale marktsector en nauwelijks lager dan in de sector van de marktdiensten. De rendabiliteit in de horecasector wordt sterk beïnvloed door bewegingen in de conjunctuur, met een duidelijke toename tussen 1997 en 2000 en een verslechtering erna. Het is dan ook verwonderlijk dat de heropleving van de conjunctuur in 2003 niet geleid heeft tot een herstel van de rendabiliteit in de horecasector, terwijl dit wel het geval was in de rest van de economie.
Een verdere analyse op basis van de bij de balanscentrale neergelegde jaarrekeningen leert dat de winstgevendheid van de horecasector, gemeten aan de hand van de netto-rendabiliteit van het eigen vermogen na belastingen, de afgelopen jaren iets lager lag dan in de andere branches. Daarnaast blijkt ook dat de verschillen qua rendabiliteit in de deelbranche van de restaurants en drankgelegenheden merkelijk groter zijn dan in de hotelsector.

De horecadiensten behoren tot de meest arbeidsintensieve producties van onze economie. Vooral de restaurantdiensten scoren hoog. Een analyse van de input-outputtabellen voor 2000 toont dat een toename van de finale vraag naar restaurantdiensten met 1 miljoen euro ongeveer 23 arbeidsplaatsen creëert (16 direct en 7 indirect). Voor de hoteldiensten ligt dit cijfer op 16 (10 direct en 6 indirect), tegenover 14 arbeidsplaatsen voor de marktdiensten en 12 arbeidsplaatsen voor de totale productie. De indirecte werkgelegenheidseffecten gelieerd met de productie van horecadiensten doen zich voornamelijk voor in de voedingsindustrie, de landbouw en in dienstensectoren zoals arbeidsbemiddeling en wasserijen.

Op basis van input-outputtabellen kan men zich ook een idee vormen van de totale (directe en indirecte) bijdrage van de productie van horecadiensten tot de binnenlandse werkgelegenheid. In 2000 was 4,7 % van de totale werkgelegenheid op directe of indirecte wijze betrokken bij de productie van horecadiensten. De hoteldiensten namen 0,7 % voor hun rekening, de restaurantdiensten 4,0 %. Om te voldoen aan de finale vraag naar horecadiensten werd in 2000 op indirecte wijze een beroep gedaan op ruim 43 000 personen buiten de horecasector.

De totale (directe en indirecte) bijdrage van de productie van horecadiensten tot het bbp tegen marktprijzen bedroeg 3,2 % in 2000 (0,6 % voor de hoteldiensten en 2,5 % voor de restaurantdiensten). Dit cijfer bevat de toegevoegde waarde voortspruitend uit de productie van de sector zelf (zowel bestemd voor finale als voor intermediaire consumptie) als uit toeleveringen van producten uit andere sectoren (ten behoeve van de finale vraag naar horecadiensten). Om een waardering tegen marktprijzen te bekomen, werd bovendien de btw op horecadiensten in rekening gebracht.

  PDF & Download

  Auteurs

Valérie Deguel (A), , , Johan Wera (A)
 
A : Auteur, C : Contribuant

Datum

  Publicatietype

Planning & Working Papers

Please do not visit, its a trap for bots