De bijdrage van jonge bedrijven tot de werkgelegenheid en de productiviteit in België (24/06/2016)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Het Federaal Planbureau neemt deel aan een aantal door de OESO gecoördineerde projecten waarin, op basis van bedrijfsgegevens, de dynamiek van de werkgelegenheid en de productiviteit binnen bedrijfstakken wordt vergeleken tussen landen. In de projecten wordt de belangrijke rol van jonge bedrijven benadrukt en wordt er gewezen op de structurele daling van het aantal nieuwe bedrijven dat toetreedt tot de markt. Gezien het belang van jonge bedrijven, zou die daling de groeivertraging van de productiviteit in de OESO-landen gedeeltelijk kunnen verklaren.

Deze studie biedt een overzicht van de voorlopige resultaten van de OESO-projecten, met een bespreking van de gemeenschappelijke conclusies voor de deelnemende landen, maar ook van de resultaten die specifiek zijn voor België.

In vergelijking met de drie voornaamste buurlanden, kende België in de periode 2000-2014 een relatief sterke groei van de werkgelegenheid, met een nettotoename van 440 300 banen, maar ook een relatief zwakke productiviteitsgroei. Hoewel de verwerkende nijverheid nog redelijk sterk presteert op het vlak van productiviteit, zijn het de dienstverlenende bedrijfstakken, en in het bijzonder de niet-marktdiensten, die wegen op de groei van de productiviteit in ons land. Arbeidsmarktmaatregelen, en dan voornamelijk maatregelen ten gunste van laaggeschoolden, lijken effectief te zijn geweest, maar de vraag is of dit ten koste is gegaan van een groeivertraging van de productiviteit. Uit de analyse blijkt dat dit deels het geval is omdat de sterke jobcreatie in de dienstensector, onder andere via het dienstenchequesyteem, de relatieve zwakke productiviteitsgroei verklaart. Dat effect biedt echter slechts een gedeeltelijke verklaring. De analyse toont namelijk ook dat de vertraging in de gehele economie vooral verklaard wordt door de groeivertraging van de productiviteit binnen elke bedrijfstak.

Welke bijkomende inzichten bieden analyses op basis van bedrijfsgegevens?

  • De analyse van bedrijfsgegevens wijst op de aanzienlijke, aanhoudende en zelfs toenemende heterogeniteit van prestaties tussen bedrijven, binnen eenzelfde bedrijfstak. Het lijkt dan ook aangewezen om rekening te houden met de verdeling van variabelen over de gehele bedrijfspopulatie en niet enkel te kijken naar de ’representatieve‘ gemiddelde onderneming.
  • De analyse toont dat jonge bedrijven (minder dan 5 jaar oud) een onevenredig positieve bijdrage leveren tot jobcreatie. Oudere, kleine bedrijven – die de meerderheid van alle bedrijven vormen – vernietigen netto meer jobs dan ze creëren. De nettotoename van het aantal banen in België is dus voornamelijk te danken aan jonge bedrijven. Die vaststelling geldt zowel voor de verwerkende nijverheid als voor de marktdiensten.
  • Jonge ondernemingen dragen ook aanzienlijk bij tot de productiviteitsgroei binnen bedrijfstakken, al is dit meestal pas enige tijd na hun toetreding. Aanvankelijk hebben de meeste startende bedrijven immers een productiviteitsniveau dat onder het bedrijfstakgemiddelde ligt. De gemiddelde productiviteit van starters neemt toe met de leeftijd, als gevolg van organisatieleren maar ook door marktselectie. Veel startende bedrijven die er niet in slagen om te concurreren met gevestigde bedrijven worden immers gedwongen te stoppen binnen twee tot drie jaar na toetreding.
  • De productiviteitsgroei van een bedrijfstak wordt  vooral verklaard door de productiviteitsgroei van de bedrijven in die bedrijfstak. Er is echter ook een positieve bijdrage van de verschuiving van marktaandelen, binnen bedrijfstakken, naar de meest productieve bedrijven, althans voor bedrijven die langer dan 10 jaar actief zijn.
  • De trade-off tussen productiviteitsgroei en werkgelegenheidsgroei, zoals blijkt uit de analyse op basis van bedrijfstakgegevens, wordt ook vastgesteld op het niveau van bedrijven, in de verwerkende nijverheid en nog meer in de marktdiensten.
  • België onderscheidt zich ongunstig van andere OESO- landen in de lage toetreding van nieuwe ondernemingen. De overlevingskans van startups in België verschilt niet van die van de andere landen en de groei van de werkgelegenheid van startups, na toetreding, is zelfs relatief hoog in vergelijking met andere landen.
  • Sinds het begin van de jaren 2000 is in België, net als in andere landen, de toetredingsgraad van nieuwe bedrijven en het aandeel van jonge bedrijven in de bedrijfspopulatie gedaald. Die daling was al merkbaar vóór de ‘Grote Recessie’, die volgde op de wereldwijde financiële crisis van 2007-2008, maar werd hierdoor nog versterkt.

Wat zijn de gevolgen voor het beleid?

Vanwege de cruciale rol van jonge bedrijven, eerder dan van kleine bedrijven, is overheidssteun voor startende bedrijven meer aangewezen dan steun die afhankelijk is van ondernemingsgrootte. Goede voorbeelden lijken het belastingvoordeel voor jonge innoverende ondernemingen, ingevoerd door de federale regering in 2006, en het Start-up Plan dat werd opgestart in 2015. Door het beleid op die manier te heroriënteren, worden niet alleen de budgettaire kosten beperkt, maar wordt ook de tendens om gevestigde bedrijven te bevoordelen ten koste van nieuwe dynamische ondernemingen tegengegaan. Economisch beleid moet niet worden beperkt tot financiële ondersteuning (directe steun, subsidies en belastingvoordelen), maar moet ook inzetten op relationele ondersteuning van het ‘ondernemerschapsecosysteem’ van bedrijven, universiteiten, incubatoren, wetenschapsparken en durfkapitalisten.

De positie van België in rangschikkingen van de verklarende factoren van verschillen tussen landen, in de toetredingsgraad van nieuwe bedrijven, maakt duidelijk dat de toegang tot financiering de voornaamste belemmering voor startende bedrijven vormt. Belgische startups zouden existentiële problemen ondervinden bij financiering door banken. Banken duiden het ontbreken van onderpand en eigen vermogen bij startups aan als belangrijkste reden om geen lening te verstrekken. Sinds de financiële crisis hebben jonge bedrijven het ook moeilijker om risicokapitaal te verwerven voor het opstarten van hun activiteiten.

Voor meer informatie:
Michel Dumont, 02/507.73.85, dm@plan.be
Chantal Kegels, 02/507.74.30, ck@plan.be

  Thema's

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots