Het Federaal Planbureau ontwikkelde de Belmofi-databank met informatie over de buitenlandse filialen van Belgische ondernemingen. Momenteel bevat de databank drie waarnemingsperiodes: 1995, 2001 en 2005.
De evolutie van de arbeidskosten per eenheid product heeft een belangrijke impact op de prijscompetitiviteit van een economie. De arbeidskosten per eenheid product worden gedefinieerd als de loonkosten die nodig zijn voor de productie van een eenheid toegevoegde waarde, namelijk het aandeel van de productie van een activiteitensector dat in België wordt verwezenlijkt. Voorgaande studies van het Federaal Planbureau hebben aangetoond dat die evolutie niet alleen een invloed heeft op de performantie van België op het vlak van buitenlandse handel, en dus op het saldo van de lopende rekening, maar tevens op de relatieve positie van de Belgische economie op de Europese markt, in termen van toegevoegde waarde of productie.
De administratieve kosten van de belastingbetalers worden niet enkel beïnvloed door de fiscale wetgeving zelf, maar eveneens door de toepassing ervan door de fiscale administratie. In deze studie analyseren we de effecten van de handelingen van de administratie op de kosten voor de administratieve verplichtingen van particuliere bedrijven. In een theoretisch model tonen we aan dat de kosten voor de administratieve verplichtingen deels beschouwd kunnen worden als externaliteiten van het gedrag van die besturen. We verwachten daarom een verschuiving van de kosten voor de administratieve verplichtingen van de fiscale administratie naar de belastingbetalers, met een economisch inefficiënte situatie als gevolg. Die verschuiving kunnen we empirisch onderbouwen met Belgische enquêtegegevens. We bieden een kwantitatieve raming van dit effect en geven aan welke activiteiten van de administratie de belangrijkste kostendrijvers zijn. Verder tonen we empirisch aan dat het effect van deze handelingen losstaat van de impact van de fiscale wetgeving zelf.
In de loop van het voorbije decennium heeft België uitvoermarktaandelen op het gebied van industrieproducten verloren. De opsplitsing van dat verlies gebeurt met behulp van de methode ‘Constant Market Shares Analysis’. Die opsplitsing toont vooral een structurele zwakte: de geografische oriëntatie van de Belgische uitvoer is zeer ongunstig en leidt tot het verlies van marktaandelen. De gunstige productspecialisatie kan dit verlies slechts gedeeltelijk compenseren. Bovendien komt daar ook een gematigd verlies van concurrentiekracht bij.
Deze paper heeft tot doel de productmarktconcurrentie van de Belgische economie te beschrijven voor de periode 1997-2004 en het oorzakelijk verband met de marktregulering aan te tonen. De analyse gebeurde op bedrijfstakniveau, voor geselecteerde nijverheden en diensten. De nadruk ligt op de winstelasticiteit (PE), het meten van concurrentie (the ‘Boone’ indicator) en de gemiddelde rendabiliteit (GR) (een benadering van de mark-up). We hebben de OESO-Regimimpact-indicator toegepast als een proxy voor de regulering. We geven enkele gestileerde feiten voor België in vergelijking met geselecteerde EU-landen; en via een econometrische oefening illustreren we het potentieel aan regulering als een verklarende variabele voor het concurrentievermogen.