Determinanten van internationale lokalisatie, met toepassing op de Agoriabranches (29/09/2005)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Op vraag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en Agoria heeft het Federaal Planbureau een studie gemaakt omtrent de determinanten die een rol spelen in internationale lokalisatiebeslissingen door bedrijven. Op basis van de literatuur werd een inventaris gemaakt van de determinanten van internationale lokalisatie, die vervolgens werd voorgelegd aan een panel van ondernemers uit de Agoriasectoren. De gesprekken met de ondernemers hadden tot doel een zekere orde van belangrijkheid aan de determinanten toe te kennen en de bevindingen uit de literatuurstudie te vervolledigen met elementen uit een meer bedrijfsmatige invalshoek. In het panel waren zowel grote (multinationale) ondernemingen als KMO’s vertegenwoordigd. Het merendeel van de Agoria-ondernemingen is actief in de verwerkende nijverheid (metaal, machinebouw, elektronica, automobiel...), hoewel ook een aantal Agoria-bedrijven te situeren zijn in de dienstensector (ICT, industriële automatisering...). Hoewel door die samenstelling gemikt werd op een zekere mate van representativiteit, moet men zich hoeden voor te vergaande veralgemeningen van de conclusies van die panelgesprekken.

Globalisatie en delokalisatie

In de context van voortschrijdende internationalisatie en globalisatie zijn ondernemingen hun productie gedurende de voorbije decennia steeds meer op wereldschaal gaan organiseren. Onder invloed van grondige wijzigingen in de economische omgevingsfactoren (technologische ontwikkelingen, met name op het vlak van ICT, opkomst van nieuwe economieen en opening van product- en kapitaalmarkten) is dit proces sedert de jaren 90 in een duidelijke stroomversnelling terecht gekomen. Die toenemende globalisatie heeft er toe geleid dat een groeiend aantal segmenten van de productieketen in aanmerking komt voor delokalisatie, waaronder ook steeds meer dienstenactiviteiten (zoals boekhouding, facturering, diensten na verkoop) en zelfs activiteiten inzake onderzoek- en ontwikkeling (O&O), die traditioneel vrij sterk verankerd waren. Bovendien is de waaier van mogelijke bestemmingen (Midden- en Oost-Europa, China, India...) sterk uitgebreid en is delokalisatie niet langer een zaak van grote (multinationale) ondernemingen alleen, maar ook van kleinere ondernemingen.

Activiteiten die in aanmerking komen voor delokalisatie kunnen uitbesteed worden aan niet verwante buitenlandse ondernemingen of kunnen ondergebracht worden in buitenlandse vestigingen van het moederbedrijf. Naast de klassieke vorm van delokalisatie, nl. het stopzetten van een bestaande economische activiteit en verhuis naar het buitenland, blijken zich in de praktijk ook meer sluipende vormen van delokalisatie voor te doen. Immers, ondernemingen gaan op zoek naar sterke groeimarkten en opteren ervoor om niet in België, maar in het buitenland te investeren. Die gederfde uitbreiding van de nationale productiecapaciteit kan inderdaad gezien worden als een verlies voor België (een zogenaamde opportuniteitskost). Aangezien men bovendien vaststelt dat op die nieuwe markten vaak overcapaciteit wordt opgebouwd, kan dit op termijn zelfs aanleiding geven tot een effectieve afbouw van productiecapaciteit in België.

Ondanks de onmiskenbare toename van het risico op delokalisaties geven de beschikbare studies aan dat klassieke delokalisaties tot dusver al bij al beperkt zijn gebleven. Tijdens de paneldiscussies werd evenwel door een aantal ondernemers gesteld dat het fenomeen in de Agoriasectoren recent aan belang gewonnen heeft. Vergeten we ten slotte ook niet dat het meten van delokalisaties, wegens het ontbreken van statistieken die op directe wijze bedrijfsbeslissingen inzake lokalisering registreren, een zeer omstreden kwestie is.

Determinanten van internationale lokalisatie

Bedrijfsbeslissingen i.v.m. de lokalisatie van economische activiteiten worden beïnvloed door talrijke factoren die onder meer te maken hebben met de kost, de kwaliteit en de beschikbaarheid van arbeid, met elementen van logistieke aard, met de contacten tussen ondernemingen en overheid en met meer subjectieve en zelfs emotionele overwegingen. Op basis van de gesprekken met de Agoria-ondernemers kon een zekere rangorde aan de determinanten worden toegekend. Het is van belang hierbij op te merken dat lokalisatiebeslissingen vrij complex zijn en altijd beïnvloed worden door een combinatie van factoren.

Zonder uitzondering werden alle determinanten die te maken hebben met de factor arbeid door het panel als zeer belangrijk gecatalogeerd. Het gaat hier niet alleen om de loonkosten (per uur en per product), maar evenzeer om kwalitatieve arbeidsgebonden aspecten zoals know-how, opleidingsniveau, flexibiliteit en motivatie.

Het is genoegzaam bekend dat België een land is met hoge loonkosten: de uurloonkosten voor arbeiders in de Belgische verwerkende nijverheid behoren tot de hoogste van de EU; momenteel is enkel in Denemarken en (voormalig West-)Duitsland de uurloonkost hoger, terwijl in Finland een gelijkaardig niveau als in België wordt waargenomen. Verschillende panelleden spraken hun bezorgdheid uit omtrent de impact van de bijzonder strikte loonafspraken die in de Duitse industrie voor de komende jaren zijn gemaakt. In de vier voornaamste nieuwe EU-lidstaten (Polen, Tsjechië, Hongarije en Slovakije) bedraagt de uurloonkost in de industrie minder dan 20% van het Belgische niveau, in de Baltische staten ongeveer 10% en in Roemenië en Bulgarije 5%.

Vaak wordt aangevoerd dat onze hoge loonkosten (deels) gecompenseerd worden door een hogere (gemiddelde) productiviteit. Uit de ervaringen van de panelleden blijkt echter dat het verhuizen van economische activiteiten meestal gepaard gaat met een overheveling van technologie, wat bijvoorbeeld betekent dat van meet af aan een zelfde (of in bepaalde gevallen zelfs moderner) machinepark wordt gebruikt als in België. Dit heeft als gevolg dat vrij snel na de opstart dezelfde (of een hogere) productiviteit wordt bereikt dan in België, waardoor de verschillen inzake uurloonkosten van arbeiders zich finaal ook weerspiegelen in de loonkosten per product.

Een meer kapitaalintensieve (machines en uitrustingsgoederen) productie kan ondernemingen aanzetten te blijven waar ze gevestigd zijn, zelfs indien zich elders interessante opportuniteiten voordoen. Uit de paneldiscussies is evenwel gebleken dat het belang van het argument van de ‘sunk costs’ (althans wat fysiek kapitaal betreft) niet mag overdreven worden. Machineparken en productielijnen zijn tegenwoordig bijzonder mobiel en vrij probleemloos te verplaatsen. Hiermee samenhangend blijkt ook dat de tijdshorizon die bij locatiekeuzes in aanmerking wordt genomen erg kort is. In de Agoriabranches is de levensduur van een vestiging in de meeste gevallen minder dan 10 jaar. In de automobielsector hangt de levensduur van een productie-eenheid samen met de levenscyclus van een model, die amper 5 tot 6 jaar bedraagt.

Wat de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel (opleiding en know-how) betreft, scoort België traditioneel goed. Door een aantal panelleden werd in dit verband ook verwezen naar het belang van de kennis van meerdere talen. Die gunstige uitgangspositie mag evenwel geen reden zijn om op zijn lauweren te rusten, want België ondervindt op dit vlak in toenemende mate concurrentie van een aantal opkomende economieën (China, India). Vaak geciteerde pijnpunten zijn de beschikbaarheid in België van geschikte ingenieurs en het secundair technisch en beroepsonderwijs, dat te weinig bekwame en gemotiveerde arbeidskrachten aflevert. Flexibiliteit van de factor arbeid heeft in deze context te maken met de mogelijkheid om in te spelen op schommelingen in het productievolume. In dit verband ervaren de panelleden het systeem van tijdelijke werkloosheid en de Belgische interimsector als belangrijke troeven, terwijl de hoge lasten op overuren als een belemmering worden gezien.

Andere (niet-arbeidsgebonden) factoren die als zeer belangrijk werden aangemerkt, zijn socio-economische stabiliteit en de aanwezigheid van de nodige infrastructuur tegen een betaalbare gebruikskost. Wat de eerste factor betreft kan België in vergelijking met de opkomende economieën bogen op een evenwichtig economisch beleid, een stabiele wisselkoersomgeving en een harmonieus sociaal klimaat. Qua infrastructuur vormen de havens een belangrijke troef voor de lokalisatie van industriële activiteiten. Een aantal panelleden wezen er tevens op dat de hoogte van de transportkosten een rol speelt in de keuze van het land waar industriële activiteiten gelokaliseerd worden. Van de recente stijging van de energieprijzen wordt niet verwacht dat ze het fenomeen van de delokalisaties zullen afremmen, maar er kan dus wel een invloed van uitgaan op de keuze van de bestemming (ten nadele van verre bestemmingen). Een laatste factor die als zeer belangrijk werd bestempeld bij het nemen van lokalisatiebeslissingen is het inspelen op de opening van nieuwe markten (Midden- en Oost-Europa, China,...). Die markten zijn in vergelijking met de West-Europese aantrekkelijk omdat ze nieuw, groot in omvang en snelgroeiend zijn.

Determinanten van de lokalisatie van O&O-activiteiten

Binnen de waaier van economische activiteiten die in aanmerking komen om gedelokaliseerd te worden, nemen O&O-activiteiten een bijzondere plaats in. Immers, omdat ze van invloed zijn op de innovatiekracht van een land, hebben ze een impact op de competitiviteit en de potentiële groei van een economie. Omwille van hun belang en specificiteit werd in de studie afzonderlijk ingezoomd op de determinanten van de lokalisatie van O&O-activiteiten.

Uit de gesprekken met de ondernemers is gebleken dat de delokalisatie van onderzoeksactiviteiten op een andere manier en op basis van andere motieven gebeurt afhankelijk van de grootte van de onderneming en naargelang van de markten waarop de onderneming actief is.

Primo, middelgrote ondernemingen met een kleine O&O-afdeling zijn er doorgaans niet voor te vinden hun onderzoeksactiviteiten zonder meer naar het buitenland te verhuizen. Die ondernemingen overwegen vaak wel de mogelijkheden van een uitbesteding of het openen van nieuwe onderzoekscentra met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten of een aanpassing van bestaande om ze conform te maken aan de wensen van lokale markten. Die optie hangt samen met de toegenomen rol van de klant in de O&O-activiteiten van ondernemingen. Verder wordt de bekommernis om het fundamenteel onderzoek in België te houden verantwoord door de vrees om de controle over de technologie die eigen is aan de onderneming te verliezen en door de ‘sunk costs’ (verloren kosten) die voortspruiten uit het kenniskapitaal dat Belgische onderzoekers vergaard hebben. Bovendien biedt een lokalisatie in België voordelen in termen van gekwalificeerd personeel, centrale geografische ligging, kwaliteit van de communicatie- en transportinfrastructuur, mogelijke samenwerkingsvormen met universiteiten en publieke onderzoekscentra en, in mindere mate, stimuli vanwege de overheid. De relatief hoge loonkost is evenwel een handicap die eerder een rem is op de grootte van het onderzoekscentrum dan een reden om tot stopzetting over te gaan.

Secundo, de onderzoekscentra van multinationale ondernemingen (MNO’s) daarentegen blijken meer te lijden onder de fiscale druk, die de uitbetaalde lonen minder aantrekkelijk maakt voor buitenlandse vorsers. Nochtans is die aantrekkingskracht van levensbelang aangezien de Belgische markt, en zelfs de Europese, onvoldoende groot is als pool om de nodige specialisten te rekruteren. Grote ondernemingen ondervinden ook de nadelen van de geringe dimensie van ons land. Die beperkt immers de mogelijkheden van een samenwerking met universiteiten op heel gespecialiseerde domeinen en vormt een hinderpaal voor een publieke organisatie van een technologisch omgevingskader aangepast aan de noden van die ondernemingen. Andere handicap voor ons land is het tekort aan technologische spin-offs en startups, die een andere optie vormen voor grote ondernemingen om hun innovatiecapaciteit te vergroten.

Tertio, ondernemingen die actief zijn in opkomende economieën, en in het bijzonder in China, zien zich soms verplicht daar een deel van hun O&O-activiteiten in te planten, hetzij onder invloed van beslissingen van lokale autoriteiten, hetzij omwille van de specifieke normen en standaarden van het betrokken land. In eerste instantie gaat het hier gewoonlijk niet om een delokalisatie in enge zin, aangezien het Belgische onderzoekscentrum over het algemeen blijft voortbestaan. Indien de buitenlandse onderzoeksafdeling rendabeler is of beter afgestemd blijkt op de ontwikkeling van producten die beantwoorden aan de buitenlandse vraag is een stopzetting van het Belgische centrum op termijn evenwel niet uit te sluiten. In het geval van grote multinationale groepen kan de opening van een onderzoekscentrum in een opkomende economie de aanzet vormen tot een reorganisatie van de O&O-activiteiten op wereldschaal, wat, bij de creatie van een unieke afdeling voor Europa, Belgische centra in concurrentie kan brengen met centra van andere Europese landen.

Tot besluit

Snel wijzigende comparatieve voordelen op wereldvlak maken de delokalisatie van een aantal economische activiteiten onvermijdelijk. Het is duidelijk dat België, op korte en zelfs op middellange termijn, voor een aantal producten onmogelijk kan optornen tegen opkomende economieën in Centraal en Oost-Europa en Azië (China, India). Het is echter van levensbelang dat België een aantrekkelijke regio blijft in vergelijking met westerse economieën met een gelijkaardig niveau van economische ontwikkeling. De lijst van motieven waardoor ondernemingen zich laten leiden bij internationale lokalisatiebeslissingen geeft aan op welke terreinen kan ingespeeld worden om die attractiviteit te verhogen. Bovenaan dat lijstje prijken het niveau van de loonkosten en de beschikbaarheid van flexibele en gemotiveerde arbeidskrachten die een passende opleiding hebben genoten. Ook een degelijke infrastructuur, een stevige binnenlandse vraag en een stabiel socio-economisch klimaat worden hoog ingeschat. Bovendien is het van belang dat de Belgische economie zich concentreert op activiteiten die in overeenstemming zijn met zijn troeven. Zonder twijfel vallen O&O-activiteiten binnen die categorie. In het ontwikkelen van een ondernemingsvriendelijk klimaat is niet alleen een belangrijke taak weggelegd voor de overheid, maar evenzeer voor de sociale partners en voor elke individuele werkgever en werknemer.

  Thema's

None

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots