Page Title

Nieuws

Deze rubriek toont alle actualiteit m.b.t. het FPB, gaande van de meest recente studies, persberichten, en artikels tot aankondigingen van toekomstige publicaties, workshops, colloquia…

Economische Begroting 2001 (05/07/2000)

!

Bovenstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in PDF-formaat hieronder of in het kader 'PDF & downloads' rechtsbovenaan.

Overeenkomstig de wet van 21 december 1994, heeft het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR) de cijfers van de Economische Begroting 2001 meegedeeld aan de minister van Economische Zaken, en dit op basis van een voorstel van het Federaal Planbureau (FPB) en na beraadslaging in de Raad van Bestuur van het INR. Het Wetenschappelijk Comité van de Economische Begroting heeft een gunstig advies uitgebracht over de cijfers. Deze Economische Begroting dient als basis voor de opmaak van de federale ontvangsten- en uitgavenbegrotingen voor het jaar 2001.

Ondanks twee opeenvolgende jaren met sterke economische groei, blijven spanningen beperkt
De Belgische economie bevindt zich in een fase van hoogconjunctuur sinds de activiteit versnelde in het tweede semester van vorig jaar. Onder meer dankzij een belangrijk ‘overloopeffect’ zou de toename van het bbp dit jaar 3,8 % bereiken. Voor volgend jaar wordt een economische groei van 3,1 % verwacht. Hoewel het groeitempo van de economische activiteit gedurende die twee jaar hoger zou liggen dan de trendmatige groei, zou een aantal factoren de spanningen kunnen verzachten.

De versnelling van het algemene indexcijfer der consumptieprijzen van de laatste maanden en de verhoging van onze inflatieprognose voor het jaar 2000 zijn slechts marginaal een gevolg van binnenlandse kostencomponenten. Dankzij de productiviteitswinst door de economische groei en de verminderingen van socialezekerheidspremies, zou de bijdrage van de loonkosten per product tot de inflatie in 2000 en 2001 gematigd blijven.

De hogere inflatie is dus hoofdzakelijk een weerspiegeling van de stijgende invoerprijzen en in het bijzonder van de olieprijzen. De gevolgen hiervan werden nog eens versterkt door de depreciatie van de effectieve wisselkoers van de euro. De hogere invoerprijzen doen zich met vertraging gevoelen in de onderliggende inflatie en daarom zou deze een geleidelijke stijging vertonen: van 1 % in het eerste semester van 2000 naar 1,25 % aan het einde van het jaar en gemiddeld 1,7 % in 2001. Dankzij de geleidelijke daling van de olieprijzen zou de gemiddelde globale inflatie niet meer dan 1,4 % bereiken volgend jaar, in vergelijking met 2,1 % dit jaar.

De verdere verstrakking van het monetair beleid die door de financiële markten verwacht wordt in de loop van de tweede helft van dit jaar en de hiermee samengaande relatief stabiele lange rentevoeten, wijzen er bovendien op dat de inflatieverwachtingen op middellange termijn niet opwaarts gericht zijn.

Sinds eind 1999 is de bezettingsgraad van de productiecapaciteit gestegen, wat op bepaalde spanningen op het productieapparaat zou kunnen wijzen. Met de vraagvooruitzichten, zowel de binnenlandse als de buitenlandse, die nog steeds gunstig zijn, een nieuwe verbetering van de bedrijfsrentabiliteit en reële langetermijnrentevoeten die nog steeds voordelig zijn voor financieringen, zouden de bedrijfsinvesteringen in 2000 en 2001 blijven groeien, een groei die sinds 1995 nog niet onderbroken is. Dankzij een gemiddeld jaarlijks expansietempo van ongeveer 5 % in reële termen, zouden de investeringen in de marktsector, uitgedrukt in percent van het reële bbp, met 2,1 procentpunt toenemen tussen 1995 en 2001 (ofwel van 13,2 % naar 15,3 %) en het record verbreken van begin jaren 90. Een dergelijk verloop van de investeringsquote in de marktsector zwengelt de kapitaalvoorraad aan, een hefboom die de potentiële groei van de Belgische economie kan versterken.

De stijgende werkgelegenheid die sinds 1995 werd opgetekend zou in de loop van dit en volgend jaar aanhouden en zich uiten in een beduidende daling van de werkloosheidsgraad. Hoewel bepaalde tekorten aan gekwalificeerd personeel zich al voordoen in bepaalde segmenten van de arbeidsmarkt, zou de krapte op de arbeidsmarkt deels ingevuld kunnen worden door een stijgend arbeidsaanbod. Dit arbeidsaanbod wordt geschraagd door een verdere stijging van de activiteitsgraad van de vrouwen (ondersteund door de pensioenhervorming) in combinatie met een mannelijke activiteitsgraad die niet meer daalt, wat deels te verklaren is door de betere conjunctuur.

Groei in 2001 opnieuw op een brede basis gestoeld
De aanhoudende groeifase van de Belgische economie gedurende de jaren 2000-2001 berust op een brede basis aangezien zij gedragen wordt door zowel een forse bijdrage van de buitenlandse handel als een levendige binnenlandse vraag.

De Belgische uitvoer zou ook volgend jaar blijven profiteren van de krachtige ontwikkeling van de economie op Europees en wereldvlak, waardoor de buitenlandse afzetmarkten met bijna 7 percent zouden groeien. In tegenstelling tot dit jaar zouden de uitvoerders volgend jaar evenwel niet langer kunnen rekenen op een nieuwe effectieve wisselkoersdepreciatie van de euro en de hiermee samengaande competitiviteitswinsten. Wel zullen ze nog voordeel halen uit de vertraagde gunstige impact van de depreciatie tijdens de jaren 1999-2000. De groei van de totale uitvoer van goederen en diensten wordt voor volgend jaar op 6,3 % geraamd, tegenover 8,1 % in 2000. Met dat groeicijfer, dat vanuit historische perspectief hoog is, zou de uitvoer in 2001 de belangrijkste ondersteunende factor van de economische groei zijn.

Na een uitzonderlijk dynamisch verloop dit jaar, zou de binnenlandse vraag volgend jaar vertragen (van 3,2 % tot 2,3 %), onder invloed van drie factoren:

Nadat de voorraadopbouw dit jaar de groei van de finale vraag beduidend ondersteund heeft, zou de bijdrage van de voorraadveranderingen tot de groei van het bbp volgend jaar nul worden.
In 2001 zouden de overheidsinvesteringen terugvallen, wat gebruikelijk is in het jaar na de gemeenteraadsverkiezingen.
De groei van de consumptieve bestedingen van de particulieren zou licht verzwakken van 2,8 % dit jaar tot 2,5 % volgend jaar. Die terugval zou niet voortvloeien uit een minder sterke groei van het beschikbaar inkomen van de particulieren, maar uit een stijging van de spaarquote van de gezinnen, die na zeven opeenvolgende jaren van daling in 2001 opnieuw zou toenemen tot 16,5 percent van het beschikbaar inkomen, een terugkeer naar het peil van 1998.
In 2001 zou de koopkracht van de particulieren gevoelig toenemen en met 3,1 percent zijn hoogste groeipercentage van de laatste jaren kennen. Die forse stijging volgt uit de samenloop van een aantal factoren. Net als in 2000 zouden de bruto-uurlonen voor indexering volgend jaar met ongeveer 2 percent toenemen en zou de werkgelegenheid opnieuw met meer dan 50 000 personen stijgen. Bovendien zou de gezondheidsindex, die gebruikt wordt voor de indexering van lonen en huurprijzen, ongeveer hetzelfde groeicijfer vertonen als de totale inflatie (wat niet het geval is in 2000). Ten slotte zou het inkomen uit vermogen, waarvan een relatief groot gedeelte gespaard wordt, aantrekken onder invloed van de stijging van de interestvoeten en de uitgekeerde ondernemingswinsten. De stevige toename van de koopkracht van de gezinnen zou dit en volgend jaar ook de investeringen in woongebouwen ondersteunen.

Nauwelijks een verzwakking van de groei van de werkgelegenheid in de privé-sector in 2001
De totale binnenlandse werkgelegenheid zou zowel in 2000 als in 2001 met meer dan 50 000 personen toenemen. In de privé-sector zou het belangrijkste deel van de jobcreatie in 2000 en 2001 op conto komen van de zogenaamde ‘traditionele’ werkgelegenheid. Dat wordt verklaard door de sterke economische groei, de verminderingen van socialezekerheidbijdragen en de minder talrijke creatie van banen in het kader van het herinschakelingsprogramma en de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (het aandeel van beide in de totale toename van de gesalarieerde werkgelegenheid in de privé-sector zou van 16 % in 1999 terugvallen tot 6 % in 2000 en tot minder dan 1 % in 2001).

De toename van de werkgelegenheid in de loop van 2000-2001 zorgt ervoor dat de werkgelegenheidsgraad (uitgedrukt als de totale werkgelegenheid in percent van de bevolking op arbeidsleeftijd) stijgt van 58,2 % in 1999 naar 59,0 % in 2000 en 59,6 % in 2001. Van 1995 tot 2001, zou de werkgelegenheidsgraad in totaal met 3,4 procentpunt groeien of gemiddeld met ongeveer 0,6 procentpunt per jaar.

De aanwas van de werkgelegenheid zal zich echter niet uiten in een even grote daling van het aantal werklozen vermits een deel van de werkgelegenheidscreatie de stijging van de beroepsbevolking die voor dit en volgend jaar voorzien wordt, moet opslorpen. Het aantal werklozen (definitie van het federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid) zou met 36 000 personen dalen dit jaar en met 31 000 personen volgend jaar. De werkloosheid in ruime zin (de oudere niet-werkzoekende werklozen meegerekend) zou volgend jaar afnemen met 21 000 personen, na een daling met 26 000 personen dit jaar

  Verwante documenten

  Beschikbare gegevens

None

  Thema's

None

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots