Page Title

Nieuws

Deze rubriek toont alle actualiteit m.b.t. het FPB, gaande van de meest recente studies, persberichten, en artikels tot aankondigingen van toekomstige publicaties, workshops, colloquia…

De Belgische economische groei zou 1,5% bedragen in de periode 2017-2021, met een aanzienlijke jobcreatie, maar een beperkte vermindering van het overheidstekort. (21/06/2016)

!

Bovenstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in PDF-formaat hieronder of in het kader 'PDF & downloads' rechtsbovenaan.

Volgens de ‘Economische vooruitzichten 2016-2021’ zou de groei van de Belgische economie aantrekken van 1,2% in 2016 tot gemiddeld 1,5% per jaar over de periode 2017-2021. De  werkgelegenheidsgroei zou aanzienlijk zijn (gemiddeld ruim 38 000 personen per jaar van 2016 tot 2021). Het overheidstekort zou toenemen van 2,5% van het bbp in 2015 tot 2,8% in 2016, verminderen tot 2,2% in 2017 en nadien vrijwel gelijk blijven. Het economisch gewicht van de gezamenlijke overheid zou, o.m. in termen van werkgelegenheid, afnemen.

Een matige maar stabiele economische groei, opflakkering van de inflatie

De Belgische bbp-groei zou terugvallen van 1,4% in 2015 tot 1,2% in 2016 als gevolg van een groeivertraging van de particuliere consumptie en van de uitvoer. Die laatste wordt ondersteund door de maatregelen gericht op het beperken van de arbeidskosten, maar wordt getroffen door de conjunctuurverzwakking buiten de eurozone. Daarnaast hebben de aanslagen van 22 maart een ongunstige macro-economische impact, maar die is tijdelijk en beperkt. De Belgische economie zou in de periode 2017-2021 gemiddeld met 1,5% per jaar groeien, wat vergelijkbaar is met de eurozone. Die groeiprestatie wordt ondersteund door een hoge werkgelegenheidscreatie, maar blijft al bij al bescheiden als gevolg van een relatief zwakke productiviteitsgroei, ook al herneemt die geleidelijk.

De Belgische uitvoer blijft na 2016 een behoorlijke groeiprestatie neerzetten, gegeven de ontwikkeling van de Belgische uitvoermarkten, maar de sterkere economische groei in de periode 2017-2021 wordt vooral verklaard door de dynamiek van de binnenlandse vraag. De particuliere consumptie zou – in lijn met het reëel beschikbaar gezinsinkomen - gemiddeld met 1,4% stijgen in de periode 2017-2021 (t.o.v. 0,7% in 2016). De koopkrachtontwikkeling wordt ondersteund door de jobcreatie, hogere lonen en minder verplichte heffingen. Dat zou ook de woningbouw aanmoedigen, al zwakt die dynamiek op middellange termijn wat af door hogere rentetarieven. Door de verbeterde rendabiliteit en gunstige afzetperspectieven blijven de bedrijfsinvesteringen, met een gemiddelde toename van 2,9% in de periode 2017-2021, een belangrijke groeimotor. Rekening houdend met de beslissingen die gekend waren bij het afsluiten van deze vooruitzichten, zou de overheidsconsumptie in volume gemiddeld met 0,6% per jaar stijgen tijdens de periode 2016-2021, terwijl de overheidsinvesteringen in reële termen gemiddeld met 1,1% toenemen.

De inflatie, gemeten aan de hand van het nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen, zou versnellen van 0,6% in 2015 tot 1,9% in 2016. Die opflakkering, die zich voordoet ondanks een daling van de nominale loonkosten per eenheid product, is grotendeels te wijten aan de hogere consumptieprijs van elektriciteit. De Belgische inflatie zou zich nadien stabiliseren op 1,7% per jaar, wat dicht aanleunt bij het groeitempo van de loonkosten per eenheid product, dat herneemt in een scenario waarin de loongroei aantrekt vanaf 2017.

In 2016 zouden de nominale arbeidskosten per uur in de sector van de ondernemingen dalen met 0,4% onder invloed van de indexsprong, loonkostenverlagende maatregelen en een beperkte stijging van de brutolonen voor indexering (0,5%). Met een gemiddelde jaarlijkse groei van de brutolonen vóór indexering van 0,9%, zouden de nominale arbeidskosten per uur vanaf 2017 gemiddeld met 2,1% per jaar stijgen.

Een verdere daling van de energie-intensiteit van het bbp en van de broeikasgasemissies

Door verdere toepassing van energiebesparende technologieën zou het energie-eindverbruik in de projectieperiode slechts licht toenemen (gemiddeld met 0,2% per jaar), waardoor de energie-intensiteit van het bbp haar historisch dalende trend verderzet. De broeikasgasemissies zouden dalen van 113,9 miljoen ton CO2-equivalenten in 2014 tot 105,5 miljoen ton in 2021, waardoor de uitstoot meer dan 25% onder het niveau van 2005 uitkomt. Binnen de door België in het kader van het EU Klimaat- en Energiepakket onderschreven doelstellingen zou alleen de doelstelling betreffende het aandeel hernieuwbare energie binnen het bruto energie-eindverbruik niet gehaald worden en dus bijkomende maatregelen vergen.

Sterke stijging van de totale werkgelegenheid en daling van de werkgelegenheid bij de overheid

Over de periode 2016-2021 zouden bijna 230 000 bijkomende jobs gecreëerd worden, wat beduidend meer is dan tijdens de voorgaande zes jaren. Het aantal werkenden in de marktdiensten zou stijgen met 242 500 eenheden, ondanks een aanzienlijk kleinere toename in de dienstenchequetak. De werkgelegenheid in de tak 'overheidsadministratie en onderwijs' zou krimpen (-4 700 personen), terwijl de daling in de industrie (-4 400 personen) veel minder uitgesproken zou zijn dan in het recente verleden. Volgens de definitie die gehanteerd wordt in het kader van de EU2020-strategie (Enquête naar de arbeidskrachten, leeftijdscategorie 20-64 jaar) zou de werkgelegenheidsgraad stijgen van 67,2% in 2015 tot 69,2% in 2020 en 70,0% in 2021, met een aanzienlijke stijging in de categorie 55-64 jaar. De doelstelling van een werkgelegenheidsgraad van 73,2% voor België tegen 2020 blijft evenwel buiten bereik.

Hoewel de bevolking op arbeidsleeftijd op korte termijn toeneemt – voornamelijk als gevolg van de vluchtelingencrisis – krimpt ze vanaf 2019, wanneer de impact van de vergrijzing van de babyboomcohorten dominant wordt. De beroepsbevolking blijft desondanks sterk toenemen (met bijna 130 000 personen over de periode 2016-2021) dankzij een sterke stijging van de activiteitsgraden die vooral toe te schrijven is aan de maatregelen met betrekking tot het vervroegd pensioen en de werkloosheid met bedrijfstoeslag. Het aantal werklozen zou dit jaar dalen (-23 400 personen). De daling van de werkloosheid zou beperkt blijven over de periode 2017-2019, maar aanzienlijk versnellen vanaf 2020 (-67 500 personen over de periode 2020-2021), rekening houdend met de zwakkere groei van het arbeidsaanbod en een nieuwe impuls aan de jobcreatie door bijkomende socialebijdrageverminderingen, terwijl de overheidstewerkstelling niet verder zou dalen.

Ondanks een forse daling in 2017 blijft het overheidstekort groter dan 2% van het bbp

Het tekort van de gezamenlijke overheid viel in 2015 terug tot 2,5% van het bbp, maar komt met 2,8% van het bbp in 2016 opnieuw dichtbij de Europese drempel van 3%, ondanks de daling van de rentelasten. Die ongunstige evolutie is toe te schrijven aan de economische groeiverzwakking, aan bijkomende uitgaven inzake migratie en veiligheid en aan de weerslag van eerder genomen eenmalige maatregelen. In 2017 is het effect van die factoren kleiner, waardoor het tekort dan aanzienlijk daalt. Het tekort herneemt licht in 2018-2019, brokkelt vervolgens af in 2020-2021, maar blijft hoger dan 2% van het bbp.

Het restrictieve beleid op het vlak van de uitgaven en de verlaging van de verplichte heffingen dringen zowel de primaire uitgaven als de ontvangsten van de gezamenlijke overheid terug, al worden de verlagingen van de personenbelasting en van de sociale bijdragen gedeeltelijk gecompenseerd door andere heffingen. Over de periode 2015-2021 verminderen de primaire uitgaven van 51% van het bbp tot 50,2% en de ontvangsten van 51,4% tot 50,2%.

Tegen 2021 zou het overheidstekort zich volledig op het federale niveau situeren. Ondanks belangrijke maatregelen m.b.t. haar werkingskosten, blijft de federale overheid een tekort boeken als gevolg van de voorziene belastingverlagingen en van een steeds sterkere toename (in vergelijking met het bbp) van de overdrachten aan de sociale zekerheid. Zonder die overdrachten zou de sociale zekerheid een toenemend tekort boeken als gevolg van de trendmatige stijging van haar uitgaven in procent van het bbp - die weliswaar afgeremd, maar niet ongedaan wordt gemaakt door de bezuinigingsmaatregelen en de belangrijke hervormingen op het vlak van pensioenen en werkloosheid – en van de aanzienlijke verlagingen van de sociale bijdragen.

Het gezamenlijke vorderingensaldo van de gemeenschappen en de gewesten zou opnieuw een evenwicht bereiken in 2021, terwijl het saldo van de lagere overheid in evenwicht zou blijven. Dat veronderstelt een restrictief beleid door beide niveaus op het vlak van hun uitgaven, rekening houdend met de impact van de daling van de personenbelasting op hun ontvangsten.

Zonder bijkomende maatregelen zouden de doelstellingen van het Stabiliteitsprogramma van België – in het bijzonder een structureel evenwicht in 2018 – verre van behaald worden, aangezien het structureel begrotingssaldo in 2018 een tekort van 1,8% van het bbp zou laten optekenen.

De overheidsschuld zou stijgen in 2016 en vervolgens licht afnemen in procent van het bbp, maar ruim onvoldoende om opnieuw onder de grens van 100% uit te komen: de schuldgraad zou dalen van 107,1% in 2016 tot 104,8% in 2021.

Voor meer informatie:

  • Filip Vanhorebeek, 02/507.74.12, fvh@plan.be
  • Delphine Bassilière, 02/507.74.58, db@plan.be
     

  Beschikbare gegevens

None
Please do not visit, its a trap for bots