Twintig jaar politiek engagement voor duurzame ontwikkeling? (15/02/2012)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Het Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling 2011 maakt in drie opzichten de balans op van twintig jaar duurzame ontwikkeling in België. Ten eerste onderzoekt het rapport de evolutie van 25 sleutelindicatoren sinds 1992. Ten tweede evalueert het de Belgische federale strategie in de periode 1997-2010. Ten derde gaat het dieper in op concrete verbintenissen uit de federale plannen. Met dat alles biedt het een stand van zaken en een evaluatie van de bestaande toestand en van het gevoerde beleid inzake duurzame ontwikkeling. Op die basis formuleert het rapport tien aanbevelingen voor de beleidsmakers om het politieke engagement voor duurzame ontwikkeling te hernieuwen.

  • Vooruitgang sinds 1992 onvoldoende om aantal concrete doelstellingen op tijd te bereiken
  • Strategie versterkt door gewijzigde wet, maar ook risico’s op verzwakking
  • Uitvoering van planmaatregelen blijven volgen om beleid te kunnen evalueren en verbeteren
  • Tijd om politiek engagement voor duurzame ontwikkeling te hernieuwen

In 1992 vond in Rio de Janeiro de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling plaats. Regeringen wereldwijd, ook de Belgische, hebben er zich toen toe verbonden werk te maken van duurzame ontwikkeling. Het Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling 2011 presenteert een stand van zaken en een evaluatie van die twintig jaar engagement in België, vooral gericht op het gevoerde beleid.

Indicatoren: vooruitgang, maar onvoldoende

Het rapport onderzoekt eerst of het federale België sinds 1992 naar een duurzame ontwikkeling is geëvolueerd. Het doet dat aan de hand van 25 sleutelindicatoren en met een evaluatiemethode die aan Eurostat werd ontleend. Voor de meeste indicatoren werd de trend van 1992 tot 2009 geanalyseerd, voor sommige tot 2010. Uit de evaluatie blijkt dat er vooruitgang is, zowel op sociaal, milieu- als economisch vlak; maar op alle vlakken zijn er ook redenen tot bezorgdheid.

Tijdens de voorbije twintig jaar is de gemiddelde levensstandaard in België aanzienlijk gestegen. Maar er zijn wel ernstige sociale problemen. Zo zijn er in 2009 meer dan twee miljoen personen in België met een risico op armoede of sociale uitsluiting. Vooruitgang op milieuvlak is er door de gedaalde uitstoot van verscheidene vervuilende stoffen in de lucht en in het water, maar de toestand van de milieuhulpbronnen blijft zorgwekkend. Economisch is er een matige vooruitgang door een ontkoppeling tussen het bruto binnenlands product en het verbruik van energie en vervoer. De vermindering van de overheidsschuld van 1992 tot 2007 werd echter bruusk omgekeerd door de crisis van 2008.

Van de 25 onderzochte indicatoren van duurzame ontwikkeling (zie rapport, blz. 14) evolueerden er sinds 1992 twaalf snel in de richting van hun doelstelling (bijvoorbeeld ontwikkelingshulp); acht indicatoren gingen traag vooruit en vijf indicatoren verwijderden zich van hun doel (bv. jongerenwerkloosheid).

Voor tien van de 25 indicatoren bestaat een tussentijdse gekwantificeerde doelstelling die de beleidsmakers hebben goedgekeurd en die uiterlijk tegen 2010 moet bereikt worden. Alle tien zijn hun doel genaderd, maar slechts twee ervan schijnen dat doel op tijd te zullen bereiken, namelijk het aandeel van hernieuwbare energie in het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen. Voor de overige acht is de vooruitgang onvoldoende om het doel op tijd te bereiken.

Het rapport gaat ook in op de gekwantificeerde doelstellingen van de EU 2020-strategie. Kunnen die doelstellingen tegen 2020 voor België een stap zijn van de transitie naar een duurzame ontwikkeling tegen 2050? Volgens het rapport zijn ze noodzakelijk, maar waarschijnlijk niet voldoende om de doelstellingen van duurzame ontwikkeling in verband met klimaat en armoede tegen 2050 te bereiken.

Strategie versterkt, maar ook verzwakt?

Sinds 1997 beschikt België over een goed uitgebouwd wettelijk kader dat de beleidscycli van de federale strategie inzake duurzame ontwikkeling organiseert. Die strategie steunt op plannen, rapporten, overleg tussen verschillende overheidsdiensten en participatie van het maatschappelijk middenveld. De wijze waarop die strategie georganiseerd is, maakt er een leercyclus van: uit de ervaringen van gisteren wordt vandaag geleerd om het morgen beter te doen. Door een wetswijziging van 2010 wordt hieraan binnenkort een langetermijnvisie met doelstellingen en indicatoren toegevoegd. Een andere positieve wijziging is de verankering van de duurzame-ontwikkelingseffectbeoordeling (DOEB) in de wet.

Het rapport wijst op de onderbreking van de strategische cyclus doordat de regering de goedkeuring van het derde plan uitstelde. Dat uitstel houdt het risico in van een verzwakking van het plan en ook van de actoren die het moeten uitvoeren en opvolgen. Ook bestaat een gevaar van demotivatie bij het maatschappelijk middenveld dat onder meer over de voorontwerpen van de plannen wordt geraadpleegd.

De strategie draagt bij tot de ontwikkeling van een praktijk van opvolging en evaluatie van beleidsbeslissingen bij de overheidsdiensten. Die kan de uitvoering van de planmaatregelen aanmoedigen. Zo blijkt dat na vier jaar looptijd van een plan ongeveer de helft van de maatregelen uitgevoerd is en dat cijfer neemt daarna nog toe.

Plan uitvoeren om doelstellingen te bereiken

Volgens het rapport zijn de plannen voor duurzame ontwikkeling een zeer geschikt instrument voor integratie en coherentie van het federale beleid, maar is er wel ruimte voor verbetering op dat vlak. Systematisch een tijdschema in de plannen opnemen en duidelijk vermelden wie voor de uitvoering van een maatregel verantwoordelijk is, zou een concrete vooruitgang zijn.

Het rapport onderzoekt tachtig van de meer dan duizend beleidsmaatregelen uit de twee federale plannen inzake duurzame ontwikkeling (2000-2004 en 2004-2008, dat laatste is intussen verlengd tot de vaststelling van het volgende plan).

Die tachtig maatregelen betreffen elf thema’s: demografische veranderingen, consumptie- en productiepatronen, energie, vervoer, voeding, volksgezondheid, armoede, atmosfeer, biologische diversiteit, wereldwijd partnerschap en openbaar bestuur. Binnen elk thema neemt het rapport een gevalsstudie over concreet beleid onder de loep (zie blz. 69).

Voor vier van de elf gevallen is het, door een late beslissing of een trage of gebrekkige uitvoering, te vroeg om het beleid definitief te beoordelen (bv. duurzame-ontwikkelingseffect-beoordeling bevorderen). Voor de andere zeven gevallen is er wel voldoende tijd verlopen voor een evaluatie. In drie gevallen werden de doelstellingen niet bereikt ondanks de inspanningen om de maatregelen uit te voeren (bv. gezonde voeding bevorderen). In vier gevallen werden de doelstellingen bereikt of bijna bereikt (bv. gezondheidszorg toegankelijk maken). Het beleid heeft dat zeer waarschijnlijk bevorderd, maar het is niet mogelijk de specifieke bijdrage van dat beleid precies te bepalen.

Engagement hernieuwen

Op basis van de ervaringen van de voorbije twintig jaar en met Rio+20 (de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling in juni 2012) in het vooruitzicht, formuleert het rapport tien aanbevelingen om het politieke engagement voor duurzame ontwikkeling te hernieuwen.

Het rapport beveelt aan dat de Belgische federale overheid (zie blz. 8-10):

  1. erover waakt dat elke minister concreet vooruitgaat in de verandering van niet-duurzame consumptie- en productiepatronen (§32);
  2. de middelen versterkt opdat de nationale rekeningen zouden informeren over de verborgen sociale en milieukosten van consumptie- en productiepatronen (§38);
  3. een voldoende aantal indicatoren gebruikt om de vooruitgang te meten, en zo ook de uitvoering van de plannen blijft volgen (§37);
  4. het plan voor duurzame ontwikkeling meer benut als instrument voor interdepartementale integratie (§36);
  5. de kwaliteit van participatieprocessen verzekert, onder meer de raadpleging van de bevolking over het voorontwerpplan (§39);
  6. waakt over de representatieve samenstelling van het middenveld in de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (§40);
  7. de toepassing van de DOEB uitbreidt en transparanter maakt (§35);
  8. bijdraagt tot de voorbereiding en de uitvoering van de Rio+20-verbintenissen (§31);
  9. een gamma van sociale, milieu- en economische doelstellingen voor de zeer lange termijn goedkeurt (§33);
  10. snel voldoende ambitieuze tussentijdse doelstellingen aanneemt om de transitie naar een duurzame ontwikkeling te verzekeren (§34).

De Task Force Duurzame Ontwikkeling van het Federaal Planbureau stelt de Federale rapporten inzake duurzame ontwikkeling op in het kader van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling. Het zesde Federaal rapport wordt overhandigd aan de minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling tijdens een persconferentie op 15 februari 2012 om 11.30 uur. Ook de minister zal hierover een perscommuniqué publiceren.

Meer informatie bij Johan Pauwels, pj@plan.be, 02 507 74 75 en Sylvie Varlez, sv@plan.be, 02 507 74 77

  Thema's

  JEL

None

  Keywords

None

Please do not visit, its a trap for bots