Vooruitzichten 2018-2070: toename van de sociale uitgaven met piek in 2040 en daling van het armoederisico van gepensioneerden (09/07/2019)

!

Onderstaande HTML-versie van het communiqué bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het communiqué in het kader 'PDF & downloads'.

Volgens het verslag 2019 van de Studiecommissie voor de Vergrijzing evolueren de sociale uitgaven van 25,2 % van het bbp in 2018 naar 27,6 % van het bbp in 2070, wat een toename met 2,4 procentpunt van het bbp betekent. Die uitgaven bereiken een piek in 2040. Het armoederisico van de gepensioneerden daalt.

Gematigde toename van de sociale uitgaven op lange termijn, waarachter tegengestelde evoluties schuilgaan

Volgens de nieuwe vooruitzichten van de Studiecommissie voor de Vergrijzing (SCvV) bedragen de sociale uitgaven 27,6 % van het bbp in 2070, t.o.v. 25,8 % in 2018. Tussen 2018 en 2070 bedraagt de toename van de sociale uitgaven – of de budgettaire kosten van de vergrijzing – dus 2,4 procentpunt van het bbp. Achter dat globaal beeld gaan tegengestelde evoluties schuil.

Ten eerste nemen niet alle sociale uitgaven toe: terwijl de pensioen- en gezondheidszorguitgaven samen stijgen met 3,9 procentpunt van het bbp tussen 2018 en 2070, dalen de overige sociale uitgaven – vooral de uitgaven voor werkloosheid en kinderbijslag – met 1,5 procentpunt.

Ten tweede nemen de sociale uitgaven niet over de volledige periode 2018-2070 toe. Tussen 2018 en 2040 stijgen de sociale uitgaven aanzienlijk met 3,8 procentpunt van het bbp, als gevolg van de snellere toename van de oudere bevolking (ouder dan 66 jaar) ten opzichte van de bevolking op arbeidsleeftijd (van 18 tot 66 jaar). Vervolgens, tussen 2040 en 2070, dalen de sociale uitgaven met 1,4 procentpunt van het bbp: enerzijds neemt de verhouding tussen de oudere bevolking en de bevolking op arbeidsleeftijd merkelijk minder toe over deze periode. Anderzijds stijgen de sociale uitkeringen, geherwaardeerd conform de  parameters van het Generatiepact, minder snel dan de lonen en het bbp.

In vergelijking met de resultaten van het Jaarlijks verslag 2018 van de SCvV, liggen de budgettaire kosten van de vergrijzing tussen 2018 en 2070 0,5 procentpunt van het bbp hoger. Bijna de helft van het verschil is afkomstig van de periode 2018-2024 (vooral de gezondheidszorguitgaven) en de rest van de nieuwe demografische vooruitzichten. Deze zijn minder gunstig op het vlak van bevolking op actieve leeftijd wat gevolgen heeft op de beroepsbevolking, de werkgelegenheid en het bbp.

Macro-economische onzekerheden en toename van de sociale uitgaven

De budgettaire kosten van de vergrijzing zijn gevoelig voor de economische groei. Om die reden stelt de SCvV op dat vlak twee alternatieve scenario’s voor. Het eerste gaat uit van een gemiddelde jaarlijkse productiviteitsgroei die 0,3 procentpunt lager ligt dan in het referentiescenario. Die geringere groei impliceert dat het niveau van het bbp in 2070 bijna 15 % lager ligt. In een dergelijk scenario bedragen de budgettaire kosten van de vergrijzing 5,0 procentpunt van het bbp tussen 2018 en 2070.

Het tweede scenario spitst zich toe op een meer uitgesproken daling van de werkloosheidsgraad op lange termijn (6 % in plaats van 7 %). In dat geval is het bbp 1 % hoger in 2070 dan in het referentiescenario en bedragen de budgettaire kosten 2 procentpunt van het bbp.

Het armoederisico van de gepensioneerden is kleiner dan dat van de rest van de bevolking in 2017

In 2017 ligt het armoederisico van de gepensioneerden (14,3 %) lager dan dat van de totale bevolking (16,4 %). Een persoon loopt een armoederisico indien zijn beschikbaar inkomen lager ligt dan de armoededrempel. Die drempel bedraagt 1 187 euro per maand in 2017 (volgens de laatste enquête ‘European Union Survey on Income and Living Conditions’).

In 2005 bedroeg het armoederisico van gepensioneerden 20 %, waarna het sterk daalde tot 2013 en vervolgens relatief stabiel tot licht stijgend verliep. De minimumuitkeringen voor ouderen vormen een belangrijk instrument in de strijd tegen armoede. In 2005 lagen de bedragen van het leeuwendeel van die uitkeringen nog onder de armoedegrens. In 2017 bevinden zij zich boven de drempel of leunen ze daar merkelijk dichter bij aan.

Het armoederisico van gepensioneerden daalt in de projectie.

Volgens de SCvV-vooruitzichten daalt het armoederisico van gepensioneerden tot 2070. De herwaardering van de minimumuitkeringen voor ouderen, conform de welvaartsparameters van het Generatiepact, staat los van de loongroei. Daardoor stijgen de bedragen van die uitkeringen tot midden 2030 sneller dan de armoededrempel.

Binnen de huidige en toekomstige generaties van vrouwen die de pensioenleeftijd bereiken, zijn de vrouwen die recht hebben op een eigen pensioen talrijker dan binnen de oudere generaties. Die uitbreiding van de toegang tot het rustpensioen past binnen het perspectief van een stijgende arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. Die grotere participatie vertaalt zich ook in langere loopbanen en hogere pensioenen. De recente pensioenhervormingen, met name de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd, dragen ook bij tot de langere loopbanen van de toekomstige generaties gepensioneerden. Die evoluties verminderen het armoederisico bij ouderen.

Please do not visit, its a trap for bots