Page Title

Publicaties

Om de transparantie en informatieverstrekking te bevorderen, publiceert het FPB regelmatig de methoden en resultaten van zijn werkzaamheden. De publicaties verschijnen in verschillende reeksen, zoals de Vooruitzichten, de Working Papers en de Planning Papers. Sommige rapporten kunnen ook hier geraadpleegd worden, evenals de nieuwsbrieven van de Short Term Update die tot 2015 werden gepubliceerd. U kunt op thema, publicatietype, auteur en jaar zoeken.

Energievooruitzichten 2000-2020 - Verkennende scenario’s voor België [Planning Paper 88]

Deze studie verkent de energiescenario’s voor België tegen 2020. Het hoofddoel bestaat erin om de voornaamste problemen en onzekerheden te identificeren en te bespreken, waarmee het Belgische energiesysteem de komende twintig jaar geconfronteerd zal worden. Voor elk scenario wordt de overeenkomstige co2-uitstoot berekend.

Bijgevolg levert deze studie nuttige informatie voor de uitwerking van zowel een indicatief programma over de middelen voor de elektriciteitsproductie als van een indicatief plan voor de aardgasbevoorrading. Beide programma’s moeten binnenkort in het kader van de wetten van 29 april 1999 betreffende de liberalisering van de elektriciteits- en de gasmarkt worden uitgewerkt. Met deze studie kan ook een idee verkregen worden over de inspanning die geleverd moeten worden om de co2-uitstoot te verminderen om de Kyoto-doelstellingen te bereiken. Ook de uitstootbeperking in de verschillende sectoren kan hiermee worden toegelicht.

Methodologie en voornaamste hypothesen

De langetermijnontwikkeling van de vraag, het aanbod en de energieprijzen is voor een groot gedeelte onzeker. In deze studie geeft het basisscenario energieprojecties weer op basis van de voortzetting van recente trends en huidige beleidslijnen. Een ontmanteling van de kerncentrales zit erin vervat, een beleid ter beperking van de uitstoot van broeikasgassen niet. Op basis daarvan werden een aantal varianten geformuleerd die het mogelijk maken de impact van drie belangrijke onzekerheden op de ontwikkeling van het energiesysteem en van de co2-uitstoot te bespreken: de toekomst van kernenergie bij de elektriciteitsproductie, de ontwikkeling van de internationale brandstofprijzen en de ontwikkeling van de economische groei.

Met het oog op de ratificering van het Protocol van Kyoto en de toepassing van beleidsmaatregelen, die bedoeld zijn om de Belgische verbintenissen na te komen, werden er twee bijkomende scenario’s opgesteld op basis van dezelfde macro-economische en technisch-economische hypothesen als in het basisscenario. Hierin werden echter de doelstelling van Kyoto voor 2010 en twee verschillende doelstellingen voor de beperking van de co2-uitstoot voor de periode na 2010 opgenomen. Door die scenario’s kan een beeld verkregen worden over de omvang, de verdeling en het soort inspanningen voor de producenten en de verbruikers van energie om aan de doelstellingen ter beperking van de co2-uitstoot te voldoen. Dit soort analyse behandelt niet de beleidsmaatregelen die moeten worden aangewend om te komen tot de ontwikkelingen in die scenario’s.

De basisprojectie, de varianten en de Kyoto-scenario’s werden verwezenlijkt met behulp van het primes-model. Dit is een partieel evenwichtsmodel van het energiesysteem dat door de Universiteit van Athene werd ontwikkeld in het kader van onderzoeksprogramma’s van de Europese Commissie. Hoewel dit model zeer gedetailleerd is voor de technische en economische voorwaarden voor de productie en het verbruik van energie, houdt het geen rekening met de weerslag van de verschillende scenario’s op de economische groei, de verdeling ervan over de sectoren en op de werkgelegenheid.

De voornaamste hypothesen uit het basisscenario en de Kyoto-scenario’s zijn:

  • Een geleidelijke vertraging tegen 2020 van de bevolkingsgroei: de gemiddelde jaarlijkse groeivoet zou dalen van 0,1 % over de periode 2000-2010 tot 0,01 % over de periode 2010-2020. Het aantal gezinnen echter zou tussen 1998 en 2020 met 10 % toenemen als gevolg van de kleinere gemiddelde gezinsomvang.
  • De economische groei zou tussen 2000 en 2005 gemiddeld 2,6 % per jaar bedragen en nadien, tussen 2005 en 2020, iets trager groeien met gemiddeld 1,75 % per jaar.
  • Tussen 2000 en 2020 zou de olieprijs gemiddeld met 1,12 % per jaar toenemen en uiteindelijk 29,4 dollar (prijzen van 1999) bereiken. De contractuele aardgasprijs zou gedeeltelijk aan de prijs van de olieproducten gekoppeld blijven en zou over dezelfde periode gemiddeld met 1,35 % per jaar stijgen. De steenkoolprijs daarentegen zou tegen 2020 tamelijk stabiel blijven.
  • Overeenkomstig het regeerakkoord van 7 juli 1999 worden de kerncentrales ontmanteld zodra zij 40 jaar oud zijn en zij worden niet vernieuwd.

Basisscenario

Het basisscenario voorziet tussen 1998 en 2020 een stijging van het bruto binnenlands verbruik met 17 %. Die stijging komt overeen met een gemiddelde jaarlijkse groeivoet van 0,7 %, wat in feite een vertraging is ten opzichte van het verleden. Hieruit volgt een verbetering van de energie-intensiteit van het bbp, die over de projectieperiode met gemiddeld 1,7 % per jaar daalt. De olieproducten zouden een prominente plaats behouden in het energieverbruik maar met een even groot aandeel als aardgas, dat door een intensiever gebruik in de elektriciteitsproductie de grootste groei kent. Het verbruik van steenkool zou met de helft verminderen. Hernieuwbare energie zou regelmatig stijgen maar in 2020 toch niet meer dan 3 % van het bruto binnenlands verbruik vertegenwoordigen.

Ten opzichte van 1990 zou de co2-uitstoot in 2010 met 21 % toenemen en in 2020 met 30 %. De voornaamste factoren hiervoor zijn de groeiende vraag naar elektrische diensten en vervoersdiensten. Het koolstofgehalte van het bruto binnenlands verbruik zou daarentegen met gemiddeld 0,2 % per jaar dalen.

De eindvraag naar energie zou in 2020 21 % hoger liggen dan in 1998. De meest opmerkelijke ontwikkelingen zijn: de stijging van 5 procentpunt van het aandeel van elektriciteit en de verdere achteruitgang van de vaste brandstoffen, de regelmatige groei van de vraag naar elektriciteit (gemiddeld +2,1 % per jaar) en een sterke stijging van de eindvraag in de tertiaire sector en het vervoer van respectievelijk gemiddeld 1,8 % en 1,2 % per jaar.

Om aan de toegenomen vraag naar elektriciteit te kunnen voldoen, zou de geïnstalleerde capaciteit in 2020 met 12 gw moeten toenemen ten opzichte van 1998 (+73 % t.o.v. 2000). De structuur van het productiepark zou veranderen in het voordeel van de gascentrales met gecombineerde cyclus: hun aandeel in de elektriciteitsproductie zou in 2020 oplopen tot 60 % tegenover 23 % in 2000. Het aandeel van de klassieke thermische steenkoolcentrales en van de kerncentrales zou afnemen. In het eerste geval om economische redenen en in het tweede geval als gevolg van de ontmanteling van de oudere kerncentrales. De hernieuwbare energie, ten slotte, zou 7 % van de totale elektriciteitsproductie vertegenwoordigen.

De grootste co2-vervuilers zouden in 2020 de volgende zijn: het vervoer (27 %), de elektriciteitsproductie (26 %) en de industrie (21 %). Hun uitstoot zou echter een uiteenlopende ontwikkeling kennen. De uitstoot door de industrie zou met 18 % dalen van 1990 tot 2020 (door de betere energie-efficiëntie, de onderlinge substitutie van brandstoffen en de structurele veranderingen ten gunste van de minder energie-intensieve industriële sectoren). De co2-uitstoot door de transportsector en de elektriciteitsproductie kent een belangrijke toename van ongeveer 62 % over dezelfde periode (in de eerste plaats door de grotere vraag van de transportsector en in de tweede plaats, door de toegenomen elektriciteitsproductie en haar structurele ontwikkeling).

Onzekerheden

De impact van drie onzekerheden op de ontwikkeling van het energiesysteem werd geëvalueerd. In de hypothese met een heropbouw van de kerncentrales tot hun huidige capaciteit (ofwel zouden de buitengebruikgestelde kerncentrales worden vervangen, ofwel zou hun levensduur worden verlengd) zou de totale co2-uitstoot in 2020 5 % lager zijn dan die in de basisprojectie. De impact van de elektriciteitssector op de co2-uitstoot is belangrijker en wordt op 18 % geraamd. Tegen 2030 is de impact van die variant belangrijker: de totale uitstoot zou 20 % lager zijn dan in het basisscenario en de uitstoot van de elektriciteitssector zou 47 % lager liggen (dat is het resultaat van de substitutie van kerncentrales door nieuwe steenkooltechnologieën). Over de periode 2020-2030 zou de totale co2-uitstoot zich stabiliseren op een niveau dat 24 % hoger ligt dan dat van 1990.

Hogere energieprijzen (+21 % voor ruwe olie, +19 % voor aardgas en +3 % voor steenkool in 2020 ten opzichte van het basisscenario) zouden leiden tot een lichte stijging van het bruto binnenlands verbruik (+2,7 %), een grotere toename van de co2-uitstoot (+10 %) en een daling van de eindvraag naar energie (-2 %). De elektriciteitsproductie zou echter stijgen (+2,6 %). Die trends kunnen worden verklaard door de achteruitgang van het concurrentiële voordeel van aardgas ten voordele van steenkool vooral in de elektriciteitsproductie, de daaruit voortvloeiende daling van het gemiddelde thermische rendement van de elektriciteitsproductie en een rationeler energiegebruik in de vraagsectoren. Behalve in de elektriciteitssector zou de co2-uitstoot in alle sectoren afnemen.

Een sterkere economische groei tussen 2005 en 2020 (elk jaar 0,55 procent meer dan in de basisprojectie) zou leiden tot een stijging van de energiebehoeften en, bijgevolg, tot een toename van de co2-uitstoot (+10 % in 2020). De eindvraag stijgt in alle sectoren maar sterker in de industrie en het vervoer. De vaste brandstoffen (+15 %) en elektriciteit (+7 %) kennen de sterkste groei. Die macro-economische variant heeft geen belangrijke wijzigingen in de structuur van het productiepark tot gevolg.

Kyoto-scenario’s

De Kyoto-scenario’s steunen op de hypothese dat België zijn co2-uitstoot in 2010 met 6,8 % moet verminderen ten opzichte van 1990. Na die datum worden er twee pistes gevolgd: het behoud van de Kyoto-doelstelling ("permanent Kyoto"-scenario) en de geleidelijke versterking van die doelstelling om in 2030 te komen tot een uitstootbeperking van 13,6 % ("groeiend Kyoto"-scenario). De toepassing van die doelstellingen gebeurt in het primes-model via een koolstoftaks, die de marginale kosten van de vermindering weergeeft. Het energiesysteem past zich aan via twee mechanismen waarbij een keuze gemaakt wordt op basis van de kosten ("least-cost approach"): een onderlinge substitutie van brandstoffen ten voordele van die met een laag koolstofgehalte en een verbetering van de energie-efficiëntie bij eenzelfde dienstverlening.

Om aan de doelstellingen van de Kyoto-scenario’s te kunnen voldoen, zou het bruto binnenlands verbruik in 2010 met 13 % moeten dalen ten opzichte van het basisscenario en met respectievelijk 18 tot 20 % in het "permanent Kyoto"- en het "groeiend Kyoto"-scenario. Dat geldt ook voor het aandeel van de fossiele brandstof in de primaire energiebehoeften, dat niettemin overheersend zou blijven (80 % in de Kyoto-scenario’s tegenover 86 % in het basisscenario). De kleine manoeuvreerruimte voor de onderlinge substitutie van fossiele en niet-fossiele brandstoffen vloeit vooral voort uit de hypothese over de buitengebruikstelling van de kerncentrales en uit de kosten en/of het beperkte potentieel van hernieuwbare energie.

De totale eindvraag zou ook dalen en zou zich in het "permanent Kyoto"- en het "groeiend Kyoto"-scenario tussen 1998 en 2020 stabiliseren. De oorzaken hiervoor zijn structurele en gedragsveranderingen en het gebruik van efficiëntere technologie. Alleen het verbruik van de tertiaire sector en het vervoer zouden toenemen. Ten opzichte van het basisscenario zou de eindvraag naar elektriciteit het minst dalen: zij zou regelmatig blijven groeien maar trager, nl. gemiddeld 1,9 % per jaar (1990-2020).

Door dit gematigder groeitempo kan de geïnstalleerde capaciteit in 2020 worden verminderd (2 gw minder). De structuur van de elektriciteitsproductie zou veranderen. Van 63 % in 2020 in de basisprojectie zou de elektriciteitsproductie in gascentrales (vooral gasturbines met gecombineerde cyclus) volgens de Kyoto-scenario’s niet meer dan 50 % of 35 % bedragen. De hernieuwbare energie, daarentegen, (vooral windturbines) zou 15 % van de elektriciteitsproductie vertegenwoordigen en de brandstofcellen 4 % tot 18 % naargelang het scenario.

Tot slot zouden vooral de industrie en de elektriciteitssector de belangrijkste co2-uitstootbeperkingen kennen: van 37 % naar 42 % in 2020 ten opzichte van het basisscenario. Ten opzichte van 1990 zou de uitstoot door de industrie en de residentiële sector in 2010 en 2020 verminderen maar die van het vervoer en de tertiaire sector zouden toenemen. De co2-uitstoot door elektriciteitsproductie zou in 2010 23 % lager zijn dan in 1990. In 2020 hangt de evolutie af van het gebruikte scenario: een toename van 2 % in het "permanent Kyoto"-scenario of een daling van ongeveer 6 % in het "groeiend Kyoto"-scenario.

De totale kosten van de co2-beperking voor het energiesysteem worden in het "permanent Kyoto"-scenario voor 2010, 2020 en 2030 geraamd op respectievelijk 0,55 %, 0,75 % en 1,1 % van het bbp. Voor het "groeiend Kyoto"-scenario zijn de cijfers respectievelijk 0,55 %, 0,94 % en 1,9 %. Die ramingen moeten met de nodige omzichtigheid worden behandeld. Aan de ene kant steunen zij op hypothesen en aan de andere kant wordt er onder andere geen rekening gehouden met de secundaire voordelen van de co2-beperking (vermindering van andere verontreinigende stoffen, vermindering van de energiefactuur, enz.) of de mogelijkheid die België heeft om uitstootvergunningen met andere landen te ruilen.

Besluit

Deze verkennende studie van energiescenario’s maakt het mogelijk de energiesituatie in België in 2020 toe te lichten en bijgevolg nuttige informatie te geven in het kader van de toepassing van de wetten van 29 april 1999 betreffende de liberalisering van de elektriciteits- en gasmarkt. Zij maakt het ook mogelijk om de omvang, de verdeling en het soort inspanningen te evalueren voor de producenten en consumenten van energie om aan de doelstellingen ter beperking van de co2-uitstoot te voldoen tijdens de periode 2010-2020.

Het zou echter nuttig en noodzakelijk zijn om de uitgewerkte energieprojecties in deze studie (de onderliggende hypothesen meegerekend) te vergelijken met gelijkaardige studies waarin andere modellen worden gebruikt en ze aan te vullen met diepgaandere analyses over de haalbaarheid en de economische, ecologische en politieke gevolgen.

  Verwante documenten

None

  PDF & Download

  Auteurs

Christophe Courcelle (A),
 
A : Auteur, C : Contribuant

Datum

  Publicatietype

Planning & Working Papers

Please do not visit, its a trap for bots