Page Title

Nieuws

Deze rubriek toont alle actualiteit m.b.t. het FPB, gaande van de meest recente studies, persberichten, en artikels tot aankondigingen van toekomstige publicaties, workshops, colloquia…

Concurrentievermogen van België: uitdagingen en groeipistes (27/11/2012)

!

Bovenstaande HTML-versie van het artikel bevat doorgaans niet alle informatie van de PDF-versie. Voor een volledige versie (met grafieken en tabellen), download het artikel in het kader 'PDF & downloads'.

Het Federaal Planbureau heeft in mei 2012 een tussentijds rapport over het concurrentievermogen van België opgesteld als antwoord op een verzoek van de Eerste Minister in het kader van de eerste fase van de opmaak van het relanceplan. Dit rapport maakte de balans op van het concurrentievermogen van België en informeerde de regering over de situatie van België ten opzichte van de drie buurlanden. De analyses werden voortgezet om de determinanten van het concurrentievermogen te achterhalen en bijgevolg ook de belangrijkste toekomstige uitdagingen om het concurrentievermogen te verbeteren. De huidige publicatie, die op 26 oktober 2012 werd afgerond, geeft een overzicht van die analyses. Ze werd meegedeeld aan de Eerste Minister en de minister van Economie als technische ondersteuning voor de tweede fase van het relanceplan in het kader van de opmaak van de begroting 2013.

Tot voor kort lieten de prestaties van de Belgische economie uitschijnen dat ons land relatief gespaard bleef van de economische crisis. Tijdens de voorbije jaren hebben de groei van de lonen en de goede prestaties in termen van werkgelegenheid de Belgische binnenlandse vraag ondersteund. De recente gebeurtenissen doen echter de vraag rijzen of die ontwikkelingen ten koste gingen van het concurrentievermogen van de economie en, in het bijzonder, van de Belgische industrie. Welke elementen verklaren die evolutie? Welke zijn de beoogde en haalbare economische beleidsmaatregelen in België die een antwoord bieden aan die evolutie ? Deze planning paper probeert een antwoord te geven op deze belangrijke vragen door een synthese van de verschillende werken over deze materie die op het Federaal Planbureau (FPB) werden gerealiseerd.

  • de verliezen aan marktaandelen en de verslechtering van het saldo van de lopende rekening zijn nog groter dan de structurele achteruitgang van het Belgisch concurrentievermogen.
  • De snellere loon- en prijsstijgingen in België ten opzichte van de buurlanden dragen ook bij tot het verlies aan concurrentievermogen, zonder de koopkracht ten opzichte van dezelfde landen te verbeteren.
  • Dat dit verlies aan concurrentievermogen zich niet heeft vertaald in een forse daling van de winstmarge van de ondernemingen, noch in een aanzienlijke vermindering van de loonquote en de werkgelegenheid, is te danken aan de interventie, in de vorm van subsidies, van de overheid.
  • Om de groei van de koopkracht via het concurrentievermogen te waarborgen, is innovatie de meest aangewezen manier. Ze moet centraal staan in de particuliere en openbare productieprocessen en het streefdoel zijn van de structurele hervormingen en de hervorming van de economie.
  • Er is echter ook actie nodig op het vlak van de loonkosten, enerzijds om de bestaande loonhandicap ten opzichte van het gemiddelde van de drie buurlanden geleidelijk te corrigeren en anderzijds om mechanismen te ontwikkelen die toekomstige ontsporingen vermijden waardoor nieuwe interventies van de regering ten koste van de doelmatigheid van de overheidsfinanciën niet langer nodig zijn. De keuze tussen concurrentievermogen en koopkracht is delicaat en vereist, in de huidige omstandigheden, een middellangetermijnstrategie.

Bevindingen

We stellen vast dat de verliezen aan marktaandelen en de verslechtering van het saldo van de lopende rekening (zie figuur) nog groter zijn dan de structurele achteruitgang van het Belgisch concurrentievermogen.

Niet alleen de geografische oriëntatie en de productspecialisatie hebben een invloed gehad op de uitvoerresultaten, maar ook het verlies van prijs– en kostencompetitiviteit. Die achteruitgang van de prijs- en kostencompetitiviteit (zie figuur) vond vooral plaats vanaf 2005 en wordt verklaard door een te snelle loonontwikkeling, niet alleen ten opzichte van de prestaties van de buurlanden, maar vooral ten opzichte van de zwakke groei van de arbeidsproductiviteit.

Dat dit verlies aan concurrentievermogen zich niet heeft vertaald in een forse daling van de winstmarge van de ondernemingen, noch in een aanzienlijke vermindering van de loonquote en de werkgelegenheid, is te danken aan de interventie van de overheid die vanaf 2005 tal van subsidies verhoogde om de arbeidskosten terug te schroeven. Dit vormde echter een hoge kost voor de overheidsfinanciën en dat beleid zal steeds moeilijker vol te houden zijn in de context van begrotingsconsolidatie en vergrijzing. Om daaraan te verhelpen, dienen we dus de belangrijkste elementen te achterhalen die aan de basis liggen van de loonontsporingen.

De wet van 1996 ter omkadering van de loononderhandelingen werd door de opeenvolgende Interprofessionale Akkoorden (IPA’s) nageleefd wat betreft de onderhandeling van de verhogingen van de lonen vóór indexering binnen de vastgestelde marges over een periode van twee jaar. Die marge en in het bijzonder de Duitse loonevolutie werden echter overschat in de vooruitzichten, aangezien de impact van de structurele arbeidsmarkthervormingen in Duitsland niet correct werd geraamd. Daarenboven heeft de onvoorziene stijging van de olieprijs sinds 2005 bijgedragen tot een inflatie en dus tot een sterkere loonindexering dan aanvankelijk werd verwacht. Het corrigerende luik van de wet, daarentegen, werd onvoldoende en alleszins niet automatisch toegepast en het loonverschil is blijven toenemen tot 4,6% in 2012, zoals door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven in september 2011 werd geraamd.

De relatief zwakke productiviteitsgroei is uitsluitend toe te schrijven aan de zwakke totale factorproductiviteit die verbonden is aan het innovatie- en het efficiëntieverbeteringsvermogen van de economie, die ook verklaard wordt door structurele elementen. Deze houden verband met de specialisatie van de Belgische economie in onvoldoende innovatieve activiteiten en met de onderspecialisatie in uiterst innovatieve activiteiten, zoals de productie van de informatie- en communicatietechnologieën. De kwaliteit van de infrastructuur en in het bijzonder van de openbare infrastructuur vormt eveneens een belangrijke determinant van de totale factorproductiviteit en kende een ongunstige ontwikkeling in België. De arbitrage op het niveau van de uitgaven voor overheidsinvesteringen ten voordele van de administratie en ten nadele van de transportinfrastructuur en investeringen in onderwijs roept hierbij vragen op.

De snellere prijsstijgingen in België ten opzichte van de buurlanden dragen ook bij tot het verlies aan concurrentievermogen. Enerzijds hebben de prijsstijgingen een mechanische weerslag op de loonsverhogingen via het indexeringssysteem met een prijs-loonspiraal als gevolg; anderzijds zorgt de prijsstijging van het intermediair verbruik voor een groei van de productiekosten van de exporteurs. Ondanks de loonsverhogingen is de koopkracht niet meer gestegen dan in de buurlanden.

Niettegenstaande die stijging van de productiekosten heeft de winstmarge van de Belgische ondernemingen goed standgehouden (zie figuur). Ze is zelfs licht verbeterd en bereikt opnieuw het gemiddeld niveau van de eurozone, zonder gepaard te gaan met een forse vermindering van het loonaandeel. Die aanpassing gebeurde dankzij de zeer snelle uitbreiding van de loonsubsidies vanaf 2005 en betekende een hoge kost voor de overheidsfinanciën.

Er werd een grote inspanning geleverd om de structurele competitiviteit te bevorderen, d.w.z. alle factoren behalve prijzen en kosten die in het kader van de mondialisering concurrentievoordelen bieden. Er wordt echter vastgesteld dat het vermogen tot het ontwikkelen en uitvoeren van producten waarvan de vraag meer afhankelijk is van de kwaliteit dan van de prijs en tot het veroveren van nieuwe markten met een dynamische vraag, er nog niet voldoende is op vooruitgegaan. Zowel de capaciteit om door innovatie de omzet te verhogen als de doelmatigheid van de overheid, zijn ook minder snel geevolueerd dan bij onze voornaamste handelspartners.

De beleidsmaatregelen

Uitgaande van deze situatie zullen de te nemen maatregelen kaderen in een weinig dynamische Europese context, op zijn minst op korte termijn, met een aanzienlijke aanpassing van de Zuid-Europese landen, zowel op het vlak van begroting als competitiviteit, die zal wegen op de groei van de wereldvraag en op de relatieve positie van België. In naleving van de aangegane verbintenissen dient het Belgisch economisch beleid zich voor te bereiden op een delicaat keerpunt zowel gericht op het herstel van het concurrentievermogen als van de begroting. De Belgische overheid is bijgevolg de weg van een strikt begrotingsbeleid ingeslagen om het overheidstekort terug op het door de Europese autoriteiten aanbevolen traject te brengen en om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verzekeren in het licht van de vergrijzing en van de aangegane verbintenissen met betrekking tot de stabiliteit van het financieel systeem. Die aanpassingen doorvoeren en tegelijk de globale vraag ondersteunen is een bijzonder moeilijke onderneming. Op korte termijn zou de loonmatiging de belastinginkomsten drukken, terwijl de begrotingsdiscipline vaak leidt tot hogere fiscale druk, wat het aanbod van productiefactoren ontmoedigt en negatief inwerkt op het concurrentievermogen en de langetermijngroei.

Om de groei van de levensstandaard en de koopkracht te waarborgen via het concurrentievermogen, is technologische vooruitgang, kwaliteit, innovatie en efficiëntie van de productieprocessen van publieke en privégoederen en diensten vaak de aangewezen weg. De gewesten hebben daar een prioriteit van gemaakt. Maar er is nog veel werk voor de boeg en de resultaten worden slechts geleidelijk zichtbaar, terwijl de industriele herstructureringen zich steeds sneller opvolgen als gevolg van de crisis.

Om die heroriëntering te waarborgen, vormen te hoge kosten een handicap. Op korte-middellange termijn is dan ook actie nodig op het vlak van de loonkosten, enerzijds om de bestaande loonhandicap ten opzichte van het gemiddelde van de drie buurlanden geleidelijk te corrigeren en anderzijds om mechanismen te ontwikkelen die toekomstige ontsporingen vermijden.

Gelet op de omvang van het door de Centrale Raad van het Bedrijfsleven geobserveerde loonverschil, is het onrealistisch om slechts één maatregel te overwegen om dat verschil weg te werken, ongeacht of die uitgaat van de regering of onderhandeld werd door de sociale partners. Het zou realistischer zijn om een geheel van maatregelen te beschouwen die een evenwichtige weergave zijn van ieders inspanningen in het kader van een overheidsinterventie met een budgettair neutrale impact. Het zou kunnen gaan om de combinatie van een heroriëntering van bepaalde heffingen om de fiscale en parafiscale druk op de lonen te verkleinen ten gunste van de laaggeschoolde werknemers, een vermindering van deparafiscaliteit op de arbeid gefinancierd via een verlaging van de uitgaven zoals de subsidies (of door de verrekening van bepaalde loonsubsidies in het loonverschil zoals berekend door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven) en een maatregel rond de prijsvorming, vooral van de netwerkindustrieën, om een betere convergentie met de drie buurlanden te waarborgen en een verbetering van het indexeringsmechanisme . Een ander deel van de aanpassing zou afkomstig kunnen zijn van een zwakkere groei van de lonen vóór indexering dan de marge bepaald door de loonevolutie bij onze voornaamste buurlanden tijdens een bepaald aantal jaren.

Voor de toekomst heeft de analyse getoond dat het loonverschil niet toe te schrijven is aan het onderhandelingsproces zelf, maar aan de voorspellingsfoutenvoor de verwachte loonevolutie bij onze drie buurlanden en vooral in Duitsland. De manier waarop deze voorspellingen worden opgesteld, dient dus verbeterd te worden om ze meer betrouwbaar te maken en te steunen op een methodologie die van meet af aan door alle betrokken partijen aanvaard wordt.

Indien ondanks die verbetering een ontsporing wordt vastgesteld, zou die onmiddellijk gecorrigeerd moeten worden volgens een voorafgaandelijk onderhandeld mechanisme. Uit de recente ervaring blijkt duidelijk hoe moeilijk het is om een grote ontsporing te corrigeren in een periode waarin de zwakke productiviteitsgroei slechts een beperkte groei van de reële lonen mogelijk maakt.

Wil men de concurrentiekracht herstellen en opnieuw aanknopen met voldoende productiviteitsgroei zonder het herstel van de arbeidsmarkt in gevaar te brengen , dan zijn er sneller structurele hervormingen nodig omdat de effecten ervan pas na verloop van tijd zichtbaar zijn. Dit proces van lange adem moet vooral betrekking hebben op een doeltreffende innovatiestrategie, de ontwikkeling van het menselijk kapitaal en de hervorming van de markten. Om de O&O- en innovatie-inspanningen concreet om te zetten in nieuwe producties die minder onderhevig zijn aan internationale concurrentiedruk dient alle energie gemobiliseerd te worden. Meer specifiek is er een voluntaristisch beleid nodig om de kwalificaties van de beroepsbevolking te ontwikkelen, de overheidsinterventie ingrijpend te hervormen om te komen tot een grotere doelmatigheid in de productie van overheidsdiensten en in haar rol van marktregulator, en een kwaliteitsvolle overheidsinfrastructuur en een verregaande integratie van de informatie-en communicatietechnologieën uit te bouwen. De te nemen maatregelen zijn veeleer micro-economisch van aard, maar hun toepassing zal mogelijk of op zijn minst vergemakkelijkt worden door een macro-economisch kader dat de binnenlandse en externe evenwichten bevordert .

Please do not visit, its a trap for bots