Page Title

Publicaties

Om de transparantie en informatieverstrekking te bevorderen, publiceert het FPB regelmatig de methoden en resultaten van zijn werkzaamheden. De publicaties verschijnen in verschillende reeksen, zoals de Vooruitzichten, de Working Papers en de Planning Papers. Sommige rapporten kunnen ook hier geraadpleegd worden, evenals de nieuwsbrieven van de Short Term Update die tot 2015 werden gepubliceerd. U kunt op thema, publicatietype, auteur en jaar zoeken.

Regionale economische vooruitzichten 2022-2027 [FORHERMREG_2022]

Dit rapport presenteert de resultaten van de regionalisering van de nationale economische vooruitzichten van het Federaal Planbureau voor de periode 2022-2027. De hier voorgestelde regionale vooruitzichten zijn dus coherent met de nationale projectie van juni 2022, die zelf steunt op de economische en budgettaire informatie die op 3 juni 2022 beschikbaar was. Net als de vorige edities is dit rapport het resultaat van een samenwerking tussen het Federaal Planbureau, het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse (BISA), het Institut wallon de l’évaluation, de la prospective et de la statistique (IWEPS) en Statistiek Vlaanderen.

Synthese

Een herneming van de economische activiteit in de drie gewesten, gevolgd door een meer gematigde groei vanaf 2023

Na de terugval van de economische activiteit in 2020, zou het Vlaamse bbp in volume vorig jaar boven zijn niveau van voor de coronacrisis zijn uitgekomen, terwijl het Waalse bbp dat niveau bijna zou hebben bereikt. De inhaalbeweging verloopt trager in Brussel, waar de economische activiteit pas in de loop van dit jaar zijn pre-crisisniveau zou bereiken. Vlaanderen en Wallonië zouden in 2021 voordeel hebben gehaald uit de dynamiek van de verwerkende nijverheid, die 17 % van hun totale toegevoegde waarde vertegenwoordigt, tegenover 2,5 % in het Brussels Gewest. Naast het relatief geringe belang van de verwerkende nijverheid, wordt het herstel in Brussel afgeremd door een veel minder uitgesproken opleving van de bedrijfstak ‘handel en horeca’ in 2021 en door een daling van de activiteit in de bedrijfstak ‘krediet en verzekeringen’ in 2021 en 2022. De bbp-groei in 2021 wordt aldus geraamd op 3,9 % in Brussel (na een krimp van -5,5 % in 2020), 7,0 % in Vlaanderen (na -5,5 %) en 6,3 % in Wallonië (na -6,2 %). De inflatieschok en de oorlog in Oekraïne remmen dit jaar het herstel af, al zou de economische groei in elk gewest meer dan 2 % bedragen (2,1 % in Brussel, 2,8 % in Vlaanderen en 2,5 % in Wallonië).

Volgend jaar vertraagt de groei van de potentiële internationale uitvoermarkten, terwijl de inhaalbeweging van de particuliere consumptie verzwakt. Dat zou resulteren in een aanzienlijke vertraging van de bbp-groei tot 1,3 % in Brussel en Vlaanderen en tot 1,1 % in Wallonië.

Na een lichte versnelling van de economische groei in 2024, zouden de regionale economieën aanknopen met een gematigder groeitempo dat dichter bij de trends uit het verleden ligt. Al bij al zou de groei van het Vlaams bbp tijdens de periode 2024-2027 (gemiddeld 1,5 % per jaar) hoger uitkomen dan die van Wallonië (1,3 %) en Brussel (1,1 %).

De regionale werkloosheidsgraden dalen verder

De schok op de economische activiteit in 2020 werd bijna volledig opgevangen door een daling van de arbeidsduur per hoofd. Daardoor bleef de daling van de binnenlandse werkgelegenheid in Wallonië (‑0,3 %) en Brussel (-0,4 %) beperkt en nam de Vlaamse werkgelegenheid zelfs licht toe (+0,2 %). In 2021 zou de binnenlandse werkgelegenheid sterk zijn toegenomen in Vlaanderen (+1,8 %) en Wallonië (2,0 %). In Brussel zou de stijging van de werkgelegenheid beperkter zijn geweest (+1,1 %), voornamelijk als gevolg van de verdere daling van het aantal werknemers in de bouwnijverheid en de bedrijfstak ‘handel en horeca’.

Ondanks een gunstig overloopeffect, zou de groei van de binnenlandse werkgelegenheid dit jaar vertragen tot 1,4 % in Vlaanderen en tot 1,3 % in Wallonië, terwijl die groei in het Brussels Gewest stabiel zou blijven (1,2 %). De conjunctuurvertraging weegt op de werkgelegenheidscreatie, die in 2023 beperkt zou blijven tot 0,5 % in Vlaanderen, 0,4 % in Wallonië en 0,3 % in Brussel. In de periode 2024-2027 zou de netto binnenlandse jobcreatie jaarlijks gemiddeld 25 900 personen bedragen in Vlaanderen (of 0,9 % per jaar), 3 200 personen in Brussel (0,4 % per jaar) en 8 300 personen in Wallonië (0,6 % per jaar).

De regionale arbeidsmarkten zijn – op macro-economisch vlak – uiteindelijk relatief ongeschonden uit de coronacrisis gekomen. In Vlaanderen en Wallonië lag de werkloosheidsgraad vorig jaar al fors lager dan in 2019 (respectievelijk 5,3 % tegenover 5,9 % en 12,0 % tegenover 12,5 %). Het herstel verliep iets moeizamer in Brussel (15,3 % tegenover 15,6 %), waar het pendelsaldo tijdens de afgelopen twee jaar minder sterk verbeterde dan in pre-coronatijden.

In Brussel blijft de beroepsbevolking in de periode 2022-2027 sterker groeien (met 0,9 % per jaar) dan in Vlaanderen (0,5 % per jaar) en in Wallonië (0,6 % per jaar). De groei van de bevolking op arbeidsleeftijd ligt er immers hoger (0,6 % per jaar tegen respectievelijk 0,1 % en 0,0 %). Die sterkere ondersteuning van de demografie wordt getemperd door het feit dat de Brusselse activiteitsgraad minder sterk stijgt (+1,3 pp) dan de Vlaamse (+1,9 pp) en – vooral – de Waalse (+2,7 pp). De evolutie van die laatste wordt dit jaar wel opwaarts vertekend door een statistische breuk in de registratie van werkzoekenden (zie verder).

Voor de werkzame bevolking loopt het groeiverschil tussen Brussel (gemiddeld 1,4 % per jaar) en de andere gewesten (beide 0,7 %) in de periode 2022-2027 nog hoger op dan voor de beroepsbevolking. De gunstige evolutie van het Brusselse pendelsaldo herneemt immers vanaf dit jaar, ondersteund door de sterke toename van de uitgaande pendel (vooral die naar Vlaanderen). Bovendien loopt de groei van de Brusselse binnenlandse werkgelegenheid minder sterk achter op die in Vlaanderen en in Wallonië, vergeleken met het recente (pre-corona)verleden. De stijging van de Brusselse werkgelegenheidsgraad (volgens EU2020-definitie: +3,1 pp, tot 65,3 % in 2027) valt op middellange termijn licht hoger uit dan de toename in Vlaanderen (+2,8 pp, tot 78,1 %) en in Wallonië (+3,0 pp, tot 68,2 %).

Het effect van de statistische breuk op de Waalse werkloosheidsgraad in 2022 kan geraamd worden op +0,4 pp. De Waalse werkloosheidsgraad daalt daardoor dit jaar minder sterk (tot 11,9 %) dan de Vlaamse (tot 5,0 %) en de Brusselse (tot 14,8 %). De huidige conjunctuurvertraging remt de groei van de werkzame bevolking volgend jaar af, zodat zowel de Vlaamse als de Waalse werkloosheidsgraad terug stijgt tot zijn niveau van 2021 (respectievelijk 5,3 % en 12,0 %). De Brusselse werkloosheidsgraad blijft ook dan licht afnemen (tot 14,7 %). Vanaf 2024 trekt de groei van de werkzame bevolking terug aan. In 2024 leidt dat tot een aanzienlijke daling van de werkloosheidsgraad in de drie gewesten. Tijdens de jaren 2025-2026 trekt de groei van de beroepsbevolking aan onder impuls van de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd. De werkloosheidsgraad daalt dan minder uitgesproken in Brussel en stabiliseert zich zelfs in Vlaanderen en in Wallonië, maar in 2027 valt hij verder terug in de drie gewesten. De afname van de werkloosheidsgraad is over de gehele periode 2022-2027 meer uitgesproken in Brussel (-2,2 pp, tot 13,0 %) dan in Vlaanderen (-1,0 pp, tot 4,4 %) en in Wallonië (‑0,7 pp, tot 11,3 %).

Op middellange termijn zou de koopkracht van de gezinnen in elk gewest een gelijkaardige groei kennen als vóór de coronacrisis

Dankzij de steunmaatregelen van de overheid zou de koopkracht, gemeten als het reëel beschikbaar inkomen per inwoner op macro-economisch niveau, in de periode 2020-2021 gemiddeld met 0,7 % per jaar zijn gestegen in Vlaanderen, met 1,0 % in Brussel en met 1,2 % in Wallonië. Dit jaar zou de hoge inflatie leiden tot een daling van de koopkracht van de Brusselse, Vlaamse en Waalse gezinnen met respectievelijk 0,8 %, 0,4 % en 0,2 %. Het reëel beschikbaar inkomen per inwoner zou in 2023 in elk gewest stijgen dankzij de indexeringen van de lonen en de sociale uitkeringen, die in dat jaar de inflatie overtreffen. In de periode 2024-2027 zou de koopkracht per inwoner in elk gewest in ongeveer dezelfde mate groeien als vóór de crisis (2015-2019), namelijk met 1,4 % per jaar in Brussel, 1,1 % in Vlaanderen en 1,2 % in Wallonië. In Brussel leveren de lonen een relatief grotere bijdrage tot de stijging van het inkomen (als gevolg van de sterkere stijging van de werkgelegenheid van de ingezetenen), terwijl in Vlaanderen en Wallonië de bijdrage van de pensioenen relatief belangrijker is.

Het tekort van de gefedereerde entiteiten blijft hoger dan voor de coronacrisis

De overheidsfinanciën staan momenteel onder zware druk door de opeenvolgende crisissen: naast de kosten van de overstromingen van 2021 en het beheer van de coronacrisis, zijn er de steunmaatregelen en andere uitgaven die verband houden met de energiecrisis en met de oorlog in Oekraïne. Bovendien heeft de sterk oplopende inflatie een grotere directe en indirecte impact op de overheidsuitgaven dan op de ontvangsten. Daarnaast begroten de federale en regionale regeringen nieuwe meerjarenuitgaven om de maatschappelijke uitdagingen aan te gaan. Het gaat onder meer om de geleidelijke verhoging van de minimumpensioenen en andere sociale minima, de herfinanciering van de gezondheidszorg, de sectorale zorgakkoorden, de relanceplannen en de herfinanciering van Defensie. Daarbij komen nog de toenemende kosten van de vergrijzing en de stijging van de rentelasten op de overheidsschuld.

De gemeenschappen en gewesten worden hoofdzakelijk met geïndexeerde dotaties gefinancierd en zijn relatief goed beschermd tegen de gevolgen van de inflatie. Zij dragen niettemin een deel van de kosten van de huidige crisissen en investeren in diverse beleidsdomeinen, vooral via hun relanceplannen. Hun tekorten blijven hoger dan vóór de coronacrisis, met uitzondering van de Vlaamse Gemeenschap, die op weg is naar een begrotingsevenwicht tegen 2027. Het tekort van het Waalse Gewest neemt eveneens af, maar blijft aanzienlijk (-0,3 % van het bbp in 2027). De tekorten van de Franse Gemeenschap en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zouden vanaf 2023 nagenoeg stagneren (ongeveer -0,2 % van het bbp). 

Uiteenlopende evoluties voor de uitstoot van broeikasgassen

De totale broeikasgasemissies vielen in 2020 terug in de drie gewesten als gevolg van de economische crisis, maar stegen opnieuw in 2021. In de periode 2022-2027 zouden ze licht afnemen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (-1,2 % per jaar) en zich stabiliseren in het Waals Gewest. In het Vlaams Gewest zouden ze licht stijgen (+0,7 % per jaar) als gevolg van een relatief groot aandeel van de transformatie van energie in de emissies van dat gewest.


Please do not visit, its a trap for bots