Kwalitatieve werkgelegenheidsdata voor België: 1999-2015 [HOOFDEN]

Updates

31/05/2017

In deze databank worden de binnenlandse werkgelegenheid, het arbeidsvolume (aantal uren) en de loonkost van werknemers per bedrijfstak (A38 van de Nace rev. 2) opgesplitst naar geslacht, leeftijdsklasse en opleidingsniveau. De opsplitsingen van de werkgelegenheid en het arbeidsvolume zijn beschikbaar voor de totale binnenlandse werkgelegenheid en voor werknemers en zelfstandigen afzonderlijk. De databank levert jaarlijkse resultaten voor de periode 1999-2015 en is in overeenstemming met de meest recente jaargang van de nationale rekeningen (oktober 2016).

De gevolgde methode komt in grote lijnen nog steeds overeen met diegene die beschreven werd in FPB working paper 02-07[2], zij het dat naast de werkzame personen nu ook het arbeidsvolume en de loonkosten [3] op die manier verwerkt worden. Voor de raming van de loonkosten per opleidingsniveau op basis van enquêtegegevens werd een nieuwe methode ontwikkeld.

Het ankerpunt voor de databank zijn de bedrijfstaktotalen per statuut (loontrekkenden /niet-loontrekkenden) uit de meest recente jaargang van de nationale rekeningen (oktober 2016). In eerste instantie worden die cijfers verder gedetailleerd op basis van administratieve gegevens van de instellingen voor sociale zekerheid[1]. Zo wordt voor loontrekkenden het aantal werkzame personen, het arbeidsvolume en de loonkosten per bedrijfstak uit de nationale rekeningen opgesplitst naar geslacht, leeftijdsklasse, substatuut (arbeiders, bedienden, ambtenaren) en arbeidsregime (voltijds, deeltijds) op basis van sociale zekerheidsgegevens. Voor niet-loontrekkenden wordt het aantal werkzame personen per bedrijfstak uit de nationale rekeningen opgesplitst naar geslacht, leeftijdsklasse en substatuut (vergoede helpers, niet-vergoede helpers, zelfstandigen in strikte zin).

De sociale zekerheidsgegevens worden per onderneming/instelling gekoppeld aan het ondernemingsrepertorium van de NBB, wat een zo goed mogelijke afstemming op de bedrijfstakindeling uit de nationale rekeningen garandeert. Verder worden de ruwe sociale zekerheidsgegevens zoveel mogelijk gezuiverd voor breuken in de tijdreeksen en waar mogelijk aangepast aan de concepten die gangbaar zijn in de nationale rekeningen. Elke nog overblijvende afwijking met de nationale rekeningen wordt weggewerkt door de cijfers proportioneel op te hogen naar de bedrijfstaktotalen uit de nationale rekeningen.

In tweede instantie worden opsplitsingen die niet beschikbaar zijn in de administratieve gegevens gegenereerd op basis van enquêtegegevens. Zo gebeurde de opsplitsing van de arbeidsvolumes van niet-loontrekkenden naar leeftijdsklasse en geslacht aan de hand van de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK). Ook de verdeling van de werkgelegenheid en het arbeidsvolume naar opleidingsniveau is gebaseerd op de gegevens van die enquête, zowel bij loontrekkenden als niet-loontrekkenden.

De EAK is een bevraging van 1 % van de bevolking op actieve leeftijd. Om stabiele resultaten te verkrijgen voor alle onderscheiden subgroepen werd niet gewerkt met gemiddelden, maar met regressietechnieken. Het aantal werkzame personen per opleidingsniveau werd geschat via logistische regressie. Voor de raming van het arbeidsvolume bij zelfstandigen en het gemiddeld arbeidsvolume per opleidingsniveau werd gebruik gemaakt van OLS.

Alle schattingen werden afzonderlijk uitgevoerd per geslacht en A38-bedrijfstak, voor vier substatuten (arbeiders, bedienden, ambtenaren & contractuelen, zelfstandigen & helpers) en voor zes grote leeftijdsklassen (15-19, 20-24, 25-39, 40-49, 50-59, 60+). Bij een gebrek aan observaties werden subgroepen samengevoegd.

Tenslotte werden de loonkosten van werknemers gedetailleerd naar het hoogst behaalde opleidingsniveau: lager of lager secundair onderwijs, hoger secundair onderwijs, hoger onderwijs van het korte type en hoger onderwijs van het lange type of universitair onderwijs. Die berekening, uitgevoerd in twee stappen, is voornamelijk gebaseerd op gegevens van de enquête naar de Structuur en Verdeling van de Lonen.

In een eerste stap werden de brutolonen van werknemers, waarvoor ook (niet-gepubliceerde) totalen bestaan in de nationale rekeningen, gedetailleerd door de eerder berekende arbeidsvolumes te combineren met opleidingspremies. Die opleidingspremies voor de brutolonen werden geschat op basis van de resultaten van de Enquête naar de Structuur en Verdeling van de Lonen voor de periode 2000-2014. Door gebruik te maken van regressietechnieken konden ook jaarlijkse opleidingspremies gegenereerd worden voor een aantal bedrijfstakken die slechts 4-jaarlijks bevraagd worden in de enquête [4] evenals opleidingspremies voor de omliggende jaren 1999 en 2015.

In een tweede stap werden de loonkosten gebaseerd op eerder bepaalde totalen per geslacht, leeftijdsklasse, bedrijfstak, arbeidsregime en substatuut van werknemers, proportioneel verdeeld over de opleidingsniveaus volgens de verdeling van de brutolonen. Omdat de werkgeversbijdragen in België in verhouding lager zijn voor lagere brutolonen [5], leidt dit tot een overschatting van de loonkost voor de lager geschoolden gegeven hun subgroep. De globale overschatting wordt wel beperkt door het grote detail waarop de berekeningen uitgevoerd worden. De opsplitsingen van de loonkosten die berekend worden op basis van de administratieve gegevens worden immers volledig gerespecteerd.

Drie bedrijfstakken zijn niet opgenomen in de loonenquête: de Landbouw, bosbouw en visserij (A), de Openbaar besturen, verplichte sociale zekerheid en defensie (O) en de Huishoudens als werkgever (T). Voor die bedrijfstakken werden opleidingspremies voor de nettolonen berekend op basis van EAK gegevens. Voor de bedrijfstak Openbaar besturen, verplichte sociale zekerheid en defensie (O), die 11,1% van de werknemers tewerk stelt in 2015, werd een bijkomende correctie gedaan voor de overgang van netto- naar brutolonen. Die correctie is gebaseerd op de verhoudingen netto/brutoloon voor vergelijkbare subgroepen binnen het onderwijs (P).

De databank bevat nog geen verdelingen van het gemengd inkomen van zelfstandigen per geslacht, leeftijdsklasse of opleidingsniveau.

[1]  De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten (RSZPPO) en de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid van Zelfstandigen (RSVZ).

[2]   Bresseleers, e.a. Kwalitatieve werkgelegenheidsdata voor België, een SAM-aanpak voor de periode 1999-2005. Working paper 02-07, Federaal Planbureau, 2007.

[3]  Voor de loonkosten wordt een bottom-up benadering gehanteerd, waarbij (niet-gepubliceerde) totalen per bedrijfstak uit de nationale rekeningen voor verscheidene componenten van de loonkosten (brutolonen; werkgeversbijdragen) apart opgesplitst worden op basis van administratieve data. De resultaten voor de loonkosten volgen dan na aggregatie.

[4]  Voor de bedrijfstakken Onderwijs (P), Menselijke gezondheidszorg (QA), Maatschappelijke dienstverlening (QB), Kunst, amusement en recreatie (R) en een deel van Overige diensten (S) heeft de enquête naar de Structuur van de Lonen enkel observaties voor de jaren 2006, 2010 en 2014.

[5]   De werkgeversbijdrage wordt bepaald als een vast percentage van het brutoloon, waarvan een “structurele vermindering” wordt afgetrokken. Die structurele vermindering is belangrijker voor de laagste en (in mindere mate) de hoogste lonen. Bijdrageverminderingen die gericht zijn naar specifieke doelgroepen (zoals laag geschoolde, jongere of oudere werknemers) worden in het ESR2010 beschouwd als loonsubsidies. Daardoor worden zij in de nationale rekeningen niet afgetrokken van de werkgeversbijdragen, maar maken zij deel uit van de niet-productgebonden subsidies. Doelgroepgerichte bijdrageverminderingen hebben bijgevolg geen impact op de loonkosten in de kwalitatieve werkgelegenheidsdata van 1999-2015.


Please do not visit, its a trap for bots