Page Title

Publicaties

Om de transparantie en informatieverstrekking te bevorderen, publiceert het FPB regelmatig de methoden en resultaten van zijn werkzaamheden. De publicaties verschijnen in verschillende reeksen, zoals de Vooruitzichten, de Working Papers en de Planning Papers. Sommige rapporten kunnen ook hier geraadpleegd worden, evenals de nieuwsbrieven van de Short Term Update die tot 2015 werden gepubliceerd. U kunt op thema, publicatietype, auteur en jaar zoeken.

Economische vooruitzichten 2020-2025 – Versie van maart 2020 [Economic outlook 2020-2025 (March)]

Deze economische vooruitzichten dragen bij tot de voorbereiding van het Stabiliteitsprogramma 2020-2023 en van het Nationaal Hervormingsprogramma 2020. Gezien de timing van die twee programma’s, houden deze maartvooruitzichten enkel rekening met informatie tot 11 maart, wat een belangrijke tekortkoming is in het licht van de huidige economische context, waarin neerwaartse risico’s zich in een snel tempo verwezenlijken. De vooruitzichten dienen dan ook veeleer als een technische projectie te worden beschouwd met het oog op de twee voornoemde programma’s. De cijfers werden goedgekeurd door de raad van bestuur van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). De definitieve versie van de ‘Economische vooruitzichten 2020-2025’ zal door het Federaal Planbureau worden gepubliceerd in juni 2020.

De vooruitzichten voor de wereldeconomie zijn in enkele weken tijd aanzienlijk verslechterd als gevolg van de verspreiding van het coronavirus en de noodmaatregelen die genomen worden om de epidemie in te dijken. De omvang van de economische schade zal afhangen van de mate waarin het virus zich verder verspreidt, de impact van de noodmaatregelen en de omvang en effectiviteit van de (monetaire en budgettaire) steunmaatregelen om de schade enigszins te beperken.

Aangezien de ontwikkelingen zich momenteel in een hoog tempo opvolgen, is de precieze economische impact van de wereldwijde coronacrisis onmogelijk in te schatten en zijn prognoses snel achterhaald door de feiten. Rekening houdend met de gebruikelijke timing voor de voorbereiding van het nieuwe stabiliteitsprogramma, werden de macro-economische hypothesen voor deze vooruitzichten afgesloten op 11 maart 2020.. Er werd dan ook geen rekening gehouden met de maatregelen ter bestrijding van de verspreiding van het virus die door de overheden en de bedrijven na die datum werden aangekondigd in België en heel wat andere Europese landen. De neerwaartse risico’s op korte termijn zijn bij deze vooruitzichten dan ook aanzienlijk. Anderzijds werd evenmin rekening gehouden met de steunmaatregelen die sindsdien werden aangekondigd.

Wat de internationale omgeving betreft, is de herziening t.o.v. onze februarivooruitzichten voor 2020 in belangrijke mate gebaseerd op een impactanalyse die de OESO begin maart publiceerde.[1] Daarin werd het wereldwijde verlies aan economische activiteit geraamd van een corona-epidemie die zich verspreidt in Azië, Europa en Noord-Amerika. Tegen die achtergrond gaan onze nieuwe vooruitzichten uit van een krimp van de economische activiteit in de eurozone van -0,3 % in 2020 (t.o.v. een groei van 1,1 % in de februariversie). Dat verlies zou gedeeltelijk worden goedgemaakt in 2021, waardoor de economie in de eurozone dan zou heropleven met een groei van 1,9 %. Ons groeiscenario voor de periode 2022-2025 is grotendeels gebaseerd op de IMF-vooruitzichten van oktober 2019. De bbp-groei in de eurozone zou dan gemiddeld 1,3 % bedragen.

Tegen de hierboven – met voorbehoud – geschetste achtergrond zou de groei van de Belgische economie terugvallen van 1,4 % in 2019 tot 0,4 % in 2020. De Belgische uitvoer zou in volume dalen met 1 %. De toename van de particuliere consumptie zou beperkt blijven tot 0,7 %, ondanks een vrij sterke toename van het reëel beschikbaar gezinsinkomen (2 %). Die koopkrachtstijging is grotendeels toe te schrijven aan de forse inflatie-afkoeling (zie infra) die slechts met vertraging de indexering van lonen en sociale uitkeringen beïnvloedt. De crisis weegt evenwel op het consumentenvertrouwen, waardoor de spaarquote sterk toeneemt. Net als bij de handelspartners wordt de economische schade deels gecompenseerd in 2021 en 2022, waardoor de Belgische bbp-groei in beide jaren herneemt tot 1,4 %. Tijdens de periode 2023-2025 zou de Belgische economie een groei van gemiddeld 1,2 % laten optekenen door een minder uitgesproken toename van de uitvoer en van de bestedingen van de particulieren (consumptie en investeringen).

Over de periode 2020-2025 zouden in totaal 181 000 banen worden gecreëerd, of gemiddeld 30 000 per jaar. Het aantal loon- en weddetrekkenden in de privésector zou stijgen met 122 000, het aantal zelfstandigen met 48 000 en de werkgelegenheid in de publieke sector met 11 000 eenheden. De neerwaartse schok op de activiteit dit jaar wordt gedeeltelijk opgevangen door een tijdelijke afname van zowel de productiviteit per uur als de gemiddelde arbeidsduur. Het volledige effect op de werkgelegenheidsgroei – die dit jaar nog kan bogen op een bijzonder gunstig overloopeffect uit 2019 – wordt dus pas volgend jaar voelbaar. De groei van de binnenlandse werkgelegenheid valt terug van 1,5 % vorig jaar tot 0,6 % in 2021, sterkt licht aan tijdens de jaren 2022-2023, maar verzwakt tot 0,5 % per jaar naar het einde van de projectieperiode als gevolg van de vertraging van de economische groei. De werkgelegenheidsgraad (20-64 jaar) zou geleidelijk toenemen tot 72,9 % in 2025 en blijft daarmee net onder de doelstelling uit de EU2020-strategie (73,2 %) die eigenlijk al in 2020 bereikt zou moeten worden.

Het aantal werklozen (met inbegrip van de niet-werkzoekende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen) zou over de periode 2020-2025 met 71 600 personen dalen. De afname van de werkloosheid vertraagt drastisch dit en volgend jaar, gegeven de forse terugval in de werkgelegenheidsgroei. Het profiel tijdens het vervolg van de projectieperiode (versnelde afname van de werkloosheid in de jaren 2022-2024, zwakkere afname in 2025) wordt grotendeels bepaald door de evolutie van de beroepsbevolking. De groei van de beroepsbevolking brokkelt immers af tot en met 2024 door het samenspel van steeds negatievere demografische impulsen en verzwakkende toename van de participatie op oudere leeftijd, maar versnelt in 2025 na het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd van 65 naar 66 jaar.

De Belgische inflatie, gemeten aan de hand van het nationaal indexcijfer van de consumptieprijzen, zou fors terugvallen van 1,4 % in 2019 tot 0,5 % in 2020 onder invloed van lagere energieprijzen. Terwijl de prijzen voor aardgas en elektriciteit reeds in de loop van 2019 in neerwaartse lijn evolueerden, daalde de olieprijs fors in maart 2020 door de beslissing van Saoedi-Arabië om zijn olieproductie op te voeren, terwijl de wereldwijde vraag naar olie terugvalt. Vanaf 2021 zouden de energieprijzen toenemen. De onderliggende inflatie zou in 2021 nog neerwaarts worden beïnvloed door het doorsijpelen van de lagere olieprijzen in de prijzen van andere goederen en diensten, maar zou nadien geleidelijk hernemen. In lijn daarmee zou de inflatie hernemen van 1,2 % in 2021 tot 1,9 % in 2025.

De achteruitgang van de macro-economische parameters voor 2020 ten opzichte van de economische begroting van afgelopen februari leidt tot een verslechtering van het begrotingssaldo van de overheid door de werking van de automatische stabilisatoren. Naast die automatische stabilisatoren houdt de projectie nog geen rekening met de budgettaire kosten van de maatregelen die na 11 maart door de overheden werden beslist in het kader van de gezondheidscrisis, noch op federaal niveau (bijvoorbeeld de provisie van één miljard euro die werd voorzien in het kader van de tweede financieringswet) noch op de andere beleidsniveaus. De gezondheidszorguitgaven voor 2020 zijn gebaseerd op technische ramingen van het RIZIV die niet op de gezondheidscrisis hebben geanticipeerd. Hoewel geen rekening wordt gehouden met die crisisuitgaven, verslechtert het vorderingensaldo van de gezamenlijke overheid van -1,9 % van het bbp in 2019 tot -3,2 % in 2020. Die toename van het tekort in 2020 zou voor de helft conjunctureel en voor de helft structureel zijn. Op middellange termijn blijft het tekort iets hoger dan 3 % van het bbp, rekening houdend met de budgettaire beleidsbeslissingen van vóór de gezondheidscrisis en de macro-economische parameters van de crisis. Als gevolg daarvan wordt de daling van de overheidsschuld onderbroken en stijgt ze van iets minder dan 99 % van het bbp in 2019 tot bijna 104 % van het bbp in 2025.

Er zij nogmaals op gewezen dat de middellangetermijnvooruitzichten – die ondanks de omstandigheden volgens het normale tijdschema voor de voorbereiding van het stabiliteitsprogramma worden gepubliceerd – eerder technische projecties zijn dan vooruitzichten, wat des te meer geldt in de huidige onzekere en veranderende context.

 

[1]     Het betreft het zgn. ‘dominoscenario’, zie OECD Interim Economic Assessment, Coronavirus: The world economy at risk, maart 2020 (https://www.oecd-ilibrary.org/economics/oecd-economic-outlook/volume-2019/issue-2_7969896b-en).

  Beschikbare gegevens

None

  PDF & Download

  Auteurs

Gemeenschappelijke publicatie
 
A : Auteur, C : Contribuant

Datum

  Publicatietype

Forecasts & Outlook

Please do not visit, its a trap for bots