Page Title

Publicaties

Om de transparantie en informatieverstrekking te bevorderen, publiceert het FPB regelmatig de methoden en resultaten van zijn werkzaamheden. De publicaties verschijnen in verschillende reeksen, zoals de Vooruitzichten, de Working Papers en de Planning Papers. Sommige rapporten kunnen ook hier geraadpleegd worden, evenals de nieuwsbrieven van de Short Term Update die tot 2015 werden gepubliceerd. U kunt op thema, publicatietype, auteur en jaar zoeken.

De evolutie van het armoederisico in België bij de bevolking beneden 60 jaar [WP 06-21]

Het eerste deel van deze Working Paper bespreekt de hoofdtrends in België inzake het armoederisico, vergeleken met die in de  EU27 en de omliggende landen. Een tweede deel toont aan dat de stijging van het armoederisico bij de bevolking beneden 60 jaar voor een deel kan worden toegeschreven aan een toename van de concentratie van het ontbreken van betaald werk bij bepaalde huishoudens. Ook slagen de uitkeringen in de sociale zekerheid en de bijstand er steeds minder in om baanloze huishoudens boven de armoededrempel te tillen.

Synthese

In België is gedurende de afgelopen jaren het armoederisico (AROP, at-risk-of-poverty rate) van de bevolking jonger dan 60 jaar niet gedaald, maar eerder gestegen, ondanks de gunstige conjunctuur tot begin 2020 met stijgende tewerkstelling en dalende werkloosheid. België vormt hiermee een uitzondering in de EU. Doel van deze Working Paper is enkele redenen voor de kennelijke ongevoeligheid van het armoederisico voor de economische conjunctuur bloot te leggen. We baseren ons daarbij op twee ideeën vanuit de literatuur. Enerzijds wordt de aandacht gevestigd op de polarisatie van werk en niet-werk tussen huishoudens, of met andere woorden, de concentratie van betaald werk bij bepaalde huishoudens. Een erg belangrijke schakel in de verbinding tussen de conjunctuur inzake werk en werkloosheid enerzijds en het armoederisico anderzijds is de werkintensiteit op het niveau van huishoudens. De EU gebruikt hiervoor de indicator zeer lage-werkintensiteit (LWI, Low Work Intensity), gedefinieerd als het percentage personen beneden 60 jaar dat leeft in een huishouden met geen of heel weinig betaald werk. Voor dit fenomeen gebruiken we hieronder ook de term ‘werkarme huishoudens’. Anderzijds wordt gewezen op de mogelijk dalende impact – wat betreft armoedebestrijding – van de uitkeringen van de sociale zekerheid en bijstand voor huishoudens op actieve leeftijd zonder werk.

Het armoederisico wordt gedefinieerd als de proportie personen met een equivalent beschikbaar inkomen in het huishouden lager dan 60% van de nationale mediaan van dit inkomen, en wordt gemeten op basis van de enquête European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC). De inkomensgegevens uit die enquête hebben betrekking op het jaar dat voorafgaat aan het enquêteringsjaar. De SILC-enquête afgenomen in 2019 (met inkomensgegevens van 2018) is grondig herzien, waardoor de resultaten voor het laatste jaar niet vergelijkbaar zijn met de vorige.

We wijzen op enkele belangrijke trends in België inzake het armoederisico, vergeleken met die in de EU27 en de omliggende landen Duitsland, Frankrijk en Nederland. Het armoederisico in België van de bevolking als geheel fluctueerde tussen 2003 en 2014 rond 15%, en steeg daarna tot 16,4% in 2017, het hoogste niveau tot dan gemeten. Bij de bevolking onder 60 jaar steeg het nog meer, van 13,0% in 2003 tot 16,5% in 2017. Voor een aantal categorieën onder de bevolking tussen 18 en 64 jaar is het armoederisico in België gestegen tussen 2003 en 2017, en is het in het laatste jaar hoger dan het gemiddelde van de EU27 en in de omliggende landen. Het gaat om eenoudergezinnen, personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs en personen met een niet-EU-nationaliteit. Ook werklozen en andere niet-actieven hebben een zeer hoog risico op armoede. Verontrustend is ook dat het persistente of langdurige armoederisico van kinderen tot 17 jaar in België meer dan verdubbeld is tussen 2006 en 2017 en in 2017 hoger is dan in de EU27 en de omliggende landen. Het persistente armoederisico van 18-64-jarigen stijgt eveneens.

In België leefde in 2017 12,6% van de bevolking onder 60 jaar in een werkarm huishouden, m.a.w. met een zeer lage werkintensiteit. Gedurende de periode 2003-2017 fluctueerde dit percentage naargelang de economische conjunctuur, maar de zeer lage werkintensiteit blijft in België steeds bijzonder hoog in vergelijking met de omliggende landen en de EU27. België wordt ook gekenmerkt door een zeer groot contrast in het armoederisico tussen werkarme en niet-werkarme huishoudens, dus respectievelijk huishoudens met en zonder zeer lage werkintensiteit. Het armoederisico van personen tussen 18 en 59 jaar die leven in een werkarm huishouden is gestaag gestegen van 49,8% in 2003 tot 71,9% in 2017. Hiermee heeft België in 2017, naast Duitsland, van de ons omringende landen het hoogste armoederisico voor deze groep huishoudens. Voor de niet-werkarme huishoudens scoort België in de periode 2004-2017 daarentegen het laagste risico in vergelijking met de omliggende landen en de EU27, hoewel er toch een zekere stijging van dit armoederisico kan worden vastgesteld, van 6,5% in 2003 tot 8,3% in 2017.

Om de relatie tussen individuele tewerkstelling en baanloosheid op het niveau van huishoudens te begrijpen, onderzoeken we de mate waarin tewerkstelling geconcentreerd is bij bepaalde huishoudens. In de literatuur wordt hiervoor het begrip polarisatie gebruikt. In eerder onderzoek is vastgesteld op basis van de Arbeidskrachtenenquête dat in België tussen 1983 en 2012 de individuele tewerkstelling is gestegen, terwijl het percentage individuen in baanloze huishoudens niet is gedaald, hetgeen kon toegeschreven worden aan toenemende concentratie van werk binnen bepaalde huishoudens. Om technische redenen gebruiken wij voor deze analyse het begrip baanloze huishoudens in plaats van lage-werkintensiteit. Deze fenomenen vallen in de praktijk grotendeels samen. Voor de periode 2007-2015 vinden wij dat het gestegen percentage personen in baanloze huishoudens eveneens te wijten is aan toegenomen polarisatie. Deze polarisatie doet zich vooral voor bij huishoudens met hoogstens één volwassene beneden 60 jaar, wat betekent dat de tewerkstelling onder deze huishoudens – vooral alleenstaanden en éénoudergezinnen – veel lager is dan gemiddeld. Dit is voor een deel toe te schrijven aan het relatief ongunstige profiel van de betrokken personen: vaker laaggeschoold, geboren buiten de EU, van oudere leeftijd en vaker beperkt door gezondheidsproblemen. Daarnaast is na 2007 de polarisatie onder huishoudens met twee potentieel werkende personen (vooral koppels op actieve leeftijd) gestegen: het aandeel huishoudens met twee werkenden nam toe, terwijl het aandeel huishoudens met één tewerkgestelde afnam, en dat van huishoudens zonder tewerkgestelden stabiliseerde.

De toename van de concentratie van niet-werk bij bepaalde huishoudens (polarisatie) kan een deel van het stijgende armoederisico voor de bevolking beneden 60 jaar verklaren. Zonder de toename van de concentratie zouden er in 2017 namelijk minder baanloze huishoudens zijn geweest, die een zeer hoog armoederisico hebben. De belangrijkste bijdrage aan het stijgende armoederisico van de bevolking beneden 60 jaar wordt echter geleverd door de sterke toename van het armoederisico onder de baanloze huishoudens.

Baanloze huishoudens zijn uiteraard afhankelijk van sociale uitkeringen. We zien grote verschuivingen in de samenstelling van deze uitkeringen bij deze huishoudens tussen 2003 en 2017. Het percentage waar een werkloosheidsuitkering de belangrijkste inkomensbron uitmaakt, daalt van meer dan de helft van deze personen tot beneden dertig procent, terwijl het aandeel waar een uitkering wegens invaliditeit de grootste bron van inkomsten is, bijna verdubbelt. Meest opvallend is de enorme toename van de personen die hoofdzakelijk leven van de sociale bijstandsuitkering met name het leefloon, van 5% in 2003 tot 23% in 2017. Tegelijk is het risico op armoede sterk gestegen bij de baanloze huishoudens waar één of meer werkloosheidsuitkeringen de belangrijkste inkomensbron vormen en in mindere mate ook bij de baanloze huishoudens die vooral van een invaliditeitsuitkering leven.

De oorzaak van de stijging van het armoederisico van de baanloze huishoudens lijkt niet te liggen bij de evolutie van de hoogte van de sociale minima. In vergelijking met de armoededrempel dalen de minima in de bijstand, de werkloosheid en de invaliditeit niet sinds 2005, al situeren de minima in de bijstand en in de werkloosheid zich steeds beneden deze drempel. De gegevens duiden wel op een steeds sterkere concentratie onder baanloze huishoudens van de werkloosheidsuitkeringen, en in mindere mate van de invaliditeitsuitkeringen, rond hun respectievelijke minima, ten koste van bovenminimale bedragen. Ook administratieve gegevens wijzen op een toename van het totaal aantal uitkeringsgerechtigden met een werkloosheids-of invaliditeitsuitkering gelijk aan het minimumniveau.

De hypothesen uit de literatuur worden dus beide in zekere mate bevestigd. De stijging tussen 2003 en 2017 van het armoederisico van de bevolking jonger dan 60 jaar kan gedeeltelijk toegeschreven worden aan een toename van de polarisatie van werk en niet-werk tussen huishoudens. Ook slagen de uitkeringen in de sociale zekerheid en de bijstand er steeds minder in om baanloze huishoudens boven de armoededrempel te tillen. Dit is niet omdat de stijging van de minima in de sociale zekerheid zou zijn achtergebleven bij die van de armoededrempel, maar meer door een toename van de proportie werkloosheids-of invaliditeitsuitkeringstrekkers met een minimumuitkering. De redenen voor deze ontwikkeling zouden nader onderzocht moeten worden. Mogelijk zijn deze eerder te vinden in een veranderde samenstelling van de groep individuen in baanloze huishoudens, en niet in veranderde regelgeving in de sociale zekerheid.

  Verwante documenten

    None

  Beschikbare gegevens

None

  PDF & Download

  Datum

  Publicatietype

Planning & Working Papers

Please do not visit, its a trap for bots